Uitspraak 201908075/1/R1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2021:400
- Datum uitspraak
- 22 februari 2021
- Inhoudsindicatie
- Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van de gemeente Rijssen-Holten van 26 september 2019, waarbij het bestemmingsplan "Wonen Holten – [locatie]" is vastgesteld.
- Mondelinge uitspraak
- RO - Overijssel
Toon inhoud
201908075/1/R1.
Datum uitspraak: 22 februari 2021
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellant], wonend te Holten, gemeente Rijssen-Holten,
en
de raad van de gemeente Rijssen-Holten,
verweerder.
Openbare zitting gehouden op 22 februari 2021 om 11:30 uur.
Tegenwoordig:
Staatsraad: mr. E.A. Minderhoud, voorzitter
griffier: mr. C. Sparreboom, bijgestaan door mr. F. Dinleyici
Verschenen:
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 22 februari 2021, waar de raad, vertegenwoordigd door mr. C. van Bart, is verschenen. Voorts is ter zitting [partij] als partij gehoord.
Het beroep richt zich tegen het besluit van de raad van 26 september 2019, waarbij het bestemmingsplan "Wonen Holten – [locatie]" is vastgesteld.
De Afdeling verklaart het beroep ongegrond.
Daartoe overweegt zij het volgende.
De door de raad genoemde omstandigheid dat bij besluit van 14 mei 2020 een omgevingsvergunning voor bouwen is verleend en deze inmiddels ook onherroepelijk is geworden, geeft geen aanleiding voor het oordeel dat [appellant] niet langer procesbelang heeft bij een uitspraak op het beroep tegen het plan, omdat een bestemmingsplan zich leent voor herhaalde toepassing.
De Afdeling stelt vast dat het plan inderdaad - zoals [appellant] betoogt - tot enige beperking van de bouwmogelijkheden op het perceel van [appellant] leidt. Volgens de raad is bij de vaststelling van het plan echter voldoende rekening gehouden met de belangen van [appellant]. Daartoe heeft de raad in aanvulling op zijn verweerschrift ter zitting toegelicht dat het vorige plan voor het perceel eveneens de mogelijkheid bood om een woning te realiseren met dezelfde maatvoering, dat dit voor [appellant] leidt tot een vergelijkbare inperking van zijn bouwmogelijkheden en dat met dit plan het bouwvlak meer in noordoostelijke richting wordt verplaatst. De raad heeft ook in aanmerking genomen dat [appellant] geen concrete bouwplannen heeft die hij in de afweging had kunnen betrekken. De Afdeling acht deze toelichting niet onredelijk. Voor zover het gaat om het uitzicht heeft de raad toegelicht dat in het plan aan de gronden van [partij] aan de zijde van de woning van [appellant] - anders dan in het vorige plan - de bestemming "Bos" is toegekend en binnen die bestemming het bouwen van gebouwen niet langer is toegestaan. Ook in zoverre is met het belang van [appellant] rekening gehouden. De slotsom is dat de Afdeling van oordeel is dat de raad het plan in de gegeven omstandigheden in redelijkheid heeft kunnen vaststellen.
w.g. Minderhoud w.g. Sparreboom
lid van de enkelvoudige kamer griffier
195-909.