Uitspraak 202001232/1/V1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2020:2836
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2020
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 28 januari 2020 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
202001232/1/V1.
Datum uitspraak: 19 augustus 2020
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 februari 2020 in zaak nr. NL20.2402 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
de staatssecretaris.
Procesverloop
Bij besluit van 28 januari 2020 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om hem een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen, niet-ontvankelijk verklaard.
Bij uitspraak van 14 februari 2020 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op de aanvraag neemt met inachtneming van de uitspraak.
Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld.
De vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. E. Derksen, advocaat te Velp, heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
Overwegingen
1. De vreemdeling komt uit Marokko en heeft in 2017 een eerste asielaanvraag ingediend, die de staatssecretaris heeft afgewezen omdat de vreemdeling afkomstig is uit een veilig land van herkomst. Deze afwijzing staat in rechte vast. De vreemdeling heeft in 2019 een nieuwe aanvraag ingediend. De staatssecretaris heeft die opvolgende aanvraag niet-ontvankelijk verklaard, omdat hierin geen nieuwe elementen of bevindingen aan de orde zijn gekomen. De rechtbank heeft geoordeeld dat de staatssecretaris voorafgaand aan het gehoor een medische beoordeling had moeten laten doen, omdat zonder medisch advies niet kan worden uitgesloten dat de medische klachten van de vreemdeling invloed hebben gehad op het gehoor.
2. De staatssecretaris klaagt in de eerste grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de vreemdeling voorafgaand aan het gehoor moest worden gezien door de Forensisch Medische Maatschappij Utrecht (hierna: de FMMU), om te bezien of er medische factoren waren waardoor zijn vermogen om te worden gehoord en om zijn asielrelaas op een consistente en coherente manier te presenteren, werd beperkt. De rechtbank heeft volgens de staatssecretaris niet onderkend dat een medisch onderzoek in beginsel achterwege blijft bij een opvolgende aanvraag en dat de overgelegde medische informatie onvoldoende is om daar in dit geval vanaf te wijken.
2.1. Artikel 3.109 van het Vb 2000 luidt: '1. Na de indiening van de aanvraag, bedoeld in artikel 3.108c, eerste lid, wordt de vreemdeling een rust- en voorbereidingstermijn gegeven van ten minste zes dagen […]. 6. De vreemdeling die de in het eerste lid bedoelde aanvraag heeft ingediend wordt een medisch onderzoek aangeboden […]'.
Artikel 3.118b van het Vb 2000 luidt: '1. Indien de vreemdeling reeds eerder een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning voor bepaalde tijd als bedoeld in artikel 28 van de Wet heeft ingediend welke is afgewezen, wordt een volgende aanvraag niet ingediend dan nadat de vreemdeling schriftelijk, op een door Onze Minister te bepalen wijze, te kennen heeft gegeven die aanvraag in te willen dienen. 2. In het geval bedoeld in het eerste lid, zijn de artikelen 3.109, 3.113, eerste tot en met achtste lid, en 3.114, eerste, tweede en zesde lid, niet van toepassing […]'.
2.2. De staatssecretaris voert terecht aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat een medisch onderzoek ingevolge artikel 3.118b, tweede lid, van het Vb 2000 en artikel 3.109, zesde lid, van het Vb 2000, in beginsel achterwege blijft bij een opvolgende aanvraag. Verder heeft hij niet ten onrechte geen aanleiding gezien om daar in dit geval van af te wijken. De vreemdeling heeft de staatssecretaris weliswaar ruim een week voor het gehoor per brief verzocht om een medische beoordeling, omdat hij naar eigen zeggen depressief is, last heeft van lusteloosheid, verminderde interesse en moeite met concentreren, denken en beslissen, maar uit het patiëntdossier volgt niet meer dan dat hij angstig is, slecht slaapt en last heeft van maag- en darmklachten. Uit die informatie volgt niet dat de vreemdeling om medische redenen mogelijk niet compleet, consistent en coherent kon verklaren. Bovendien heeft de vreemdeling aan het begin van het gehoor te kennen gegeven zich niet goed te voelen, maar het wel te willen proberen, zoals is vermeld in het verslag van dat gehoor.
De grief slaagt.
3. Het hoger beroep is gegrond. De uitspraak van de rechtbank wordt vernietigd. Het is niet nodig wat de staatssecretaris verder heeft aangevoerd te bespreken. De Afdeling beoordeelt het beroep. Daarbij bespreekt zij alleen beroepsgronden waarover de rechtbank nog geen oordeel heeft gegeven en beroepsgronden waarop na de overwegingen in hoger beroep nog moet worden beslist.
4. De vreemdeling heeft in beroep tevergeefs betoogd dat het besluit van 28 januari 2020 berust op een andere wettelijke grondslag dan het voornemen, en dat de staatssecretaris het besluit om die reden ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Zowel het voornemen als het besluit vermelden artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw 2000, als grondslag van het besluit. De beroepsgrond faalt.
4.1. De vreemdeling heeft verder tevergeefs betoogd dat de staatssecretaris in het besluit heeft verwezen naar het FMMU-advies in de eerste procedure, terwijl dit advies hem niet bekend is, en dat het besluit daarom ondeugdelijk is gemotiveerd. De staatssecretaris heeft ter zitting weliswaar medegedeeld dat hij in de eerste procedure inderdaad geen FMMU-advies heeft gevraagd, maar dit neemt niet weg dat hij, zoals volgt uit 2.3, draagkrachtig heeft gemotiveerd dat er voor hem geen aanleiding bestond om in deze procedure een dergelijk advies te vragen. Voor zover de vreemdeling betoogt dat de staatssecretaris in de eerste procedure een FMMU-advies had moeten vragen, had hij dat in die procedure aan de orde kunnen stellen. De beroepsgrond faalt.
5. Het beroep is ongegrond. De staatssecretaris hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 14 februari 2020 in zaak nr. NL20.2402;
III. verklaart het beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. A.J.C. de Moor-van Vugt, leden, in tegenwoordigheid van mr. T. van Goeverden-Clarenbeek, griffier.
w.g. Sevenster w.g. Van Goeverden-Clarenbeek
voorzitter griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2020
488-938.