Wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, het Besluit inburgering en het Vreemdelingenbesluit 2000 om enkele regelingen te treffen i.v.m. de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de EU.
- Kenmerk
- W12.19.0034/III
- Datum aanhangig
- 7 februari 2019
- Datum vastgesteld
- 20 februari 2019
- Datum advies
- 21 februari 2019
- Datum publicatie
- 12 april 2019
- Vindplaats
- Staatscourant 2019, nr. 22090
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Bij Kabinetsmissive van 8 februari 2019, no.2019000258, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, mede namens de Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen, het Besluit inburgering en het Vreemdelingenbesluit 2000 om enkele regelingen te treffen in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit wijzigt een aantal uitvoeringsbesluiten inzake verblijf, inburgering en arbeid om te voorzien in overgangsmaatregelen in verband met de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk uit de Europese Unie. Oogmerk is de rechten die burgers van het Verenigd Koninkrijk en hun gezinsleden als EU-burger hebben opgebouwd zoveel mogelijk te respecteren. (zie noot 1)
De Afdeling advisering van de Raad van State maakt een opmerkingen over het gebruik van het begrip "Britse nationaliteit" in het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen. In verband daarmee is aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk.
In artikel 1q van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen is voorzien in een overgangsperiode van vijftien maanden voor personen met de Britse nationaliteit die op het tijdstip van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk verbleven of werkzaam waren in Nederland. Gedurende die vijftien maanden mogen zij blijven werken zonder vergunningvereiste ingevolge de Wet arbeid vreemdelingen.
De Afdeling wijst er op dat in het Britse recht betreffende nationaliteit een onderscheid wordt gemaakt tussen zes categorieën onderdanen van het Verenigd Koninkrijk. ‘Britse burgers’ vormen één categorie en zij zijn momenteel ook burger van de Unie. (zie noot 2) De andere vijf categorieën met de Britse nationaliteit bezitten niet het Unieburgerschap. Het ontwerpbesluit beoogt de gevolgen van het vertrek uit de EU en daarmee het verlies van het Unieburgerschap te beperken. Dit verlies van Unieburgerschap is er echter niet voor alle personen met de Britse nationaliteit. Door in de tekst van het ontwerpbesluit aan te sluiten bij de ‘Britse nationaliteit’ lijkt het ontwerpbesluit een breder bereik te krijgen dan is bedoeld. De uitzondering is er door aanknoping bij het begrip ‘Britse nationaliteit’ immers ook voor vreemdelingen met de Britse nationaliteit die niet het Unieburgerschap bezitten.
De Afdeling adviseert in de tekst van het voorgestelde artikel 1q van het Besluit uitvoering Wet arbeid vreemdelingen tot uitdrukking te brengen dat dit artikel slechts betrekking heeft op personen met de Britse nationaliteit die het Unieburgerschap bezitten.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het ontwerpbesluit en adviseert daarmee rekening te houden voordat een besluit wordt genomen.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 21 maart 2019
Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling zijn het besluit en de toelichting gewijzigd. Het begrip "Britse nationaliteit" is daarbij vervangen door het begrip "onderdaan van het Verenigd Koninkrijk als bedoeld in de Nieuwe verklaring van de Regering van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland van 31 december 1982 betreffende de definitie van het woord "onderdanen" juncto verklaring nr. 63 die is gehecht aan de Slotakte van de intergouvernementele Conferentie die het Verdrag van Lissabon heeft aangenomen", om de reikwijdte van artikel 1q te beperken tot die onderdanen van het Verenigd Koninkrijk die Unieburger zijn geweest.
Daarnaast is van de gelegenheid gebruik gemaakt om aan artikel 1q, tweede lid, van het BuWav enkele bewijsmiddelen toe te voegen waarmee kan worden aangetoond dat er op de datum van terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk in Nederland is gewerkt. Ook is een vierde lid toegevoegd, waarin is geregeld dat bij ministeriële regeling andere bewijsmiddelen kunnen worden aangewezen.
Tot slot zijn in het besluit en de nota van toelichting nog enkele redactionele wijzigingen doorgevoerd.
Ik moge U hierbij, mede namens Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
Voetnoten
(1) Toelichting, algemeen.
(2) Zie: https://www.gov.uk/types-of-british-nationality; zie ook HvJ EU20 februari 2001, zaak C-192/99, ECLI:EU:C:2001:106, r.o. 22.