Uitspraak 201804676/1/A1


Volledige tekst

201804676/1/A1.
Datum uitspraak: 6 februari 2019

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op de hoger beroepen van:

1.    [appellant sub 1], wonend te Weert,

2.    [appellante sub 2], gevestigd te Weert,

tegen de uitspraak van de rechtbank Limburg van 24 april 2018 in zaak nr. 17/1968 in het geding tussen:

[appellant sub 1]

en

het college van burgemeester en wethouders van Weert.

Procesverloop

Bij besluit van 2 februari 2017 heeft het college aan [appellante sub 2] omgevingsvergunning verleend voor het bouwen van een geitenstal en een werkruimte op het perceel [locatie] te Weert.

Bij besluit van 13 juni 2017 heeft het college het door [appellant sub 1] daartegen gemaakte bezwaar gedeeltelijk gegrond verklaard wat betreft het aspect Q-koorts en voor het overige ongegrond verklaard. Het heeft het besluit van 2 februari 2017 met een verbetering van de motivering in stand gelaten.

Bij uitspraak van 24 april 2018 heeft de rechtbank het door [appellant sub 1] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellant sub 1] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.

[appellante sub 2] heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven. Zij heeft incidenteel hoger beroep ingesteld.

[appellant sub 1] heeft een zienswijze ingediend.

[appellant sub 1] en [appellante sub 2] hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 4 januari 2019, waar [appellant sub 1], vertegenwoordigd door [gemachtigde A], [appellante sub 2], vertegenwoordigd door [gemachtigde B], bijgestaan door mr. J.J.J. de Rooij, advocaat te Tilburg, en het college, vertegenwoordigd door G.J.F.M. Vosdellen, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

1.    [appellante sub 2] exploiteert op het perceel een paardenhouderij en boomkwekerij. Hiervoor is bij besluit van 12 juni 2006 een revisievergunning verleend. Zij heeft op 11 november 2016 een aanvraag ingediend voor het bouwen van een geitenstal voor 1.200 geiten en een werkruimte op het perceel.

Het college heeft bij besluit van 2 februari 2017 de gevraagde omgevingsvergunning verleend. [appellant sub 1] woont in de omgeving van het perceel en vreest voor overlast van het bedrijf. Hij is tegen de vergunningverlening opgekomen.

Relevante regelgeving

2.    Ter plaatse geldt het bestemmingsplan "Buitengebied 2011". Op het perceel rust de bestemming "Agrarisch - Agrarisch Bedrijf".

Artikel 4.1.1 van de planregels luidt:

"De voor 'Agrarisch - Agrarisch Bedrijf' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. een agrarisch bedrijf met de daarbij behorende voorzieningen, met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering, waarbij per (gekoppeld) bouwvlak niet meer dan één bedrijf is toegestaan;

[…];

f. een intensieve veehouderij, uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'intensieve veehouderij';

[…]."

Artikel 4.2.2 luidt:

"Ter plaatse van de aanduiding 'bouwvlak' gelden de volgende regels:

[…];

e. uitbreiding van het aantal m² dierenverblijven is niet toegestaan;

[…]."

Artikel 4.4.8 luidt:

"Het bevoegd gezag kan met een omgevingsvergunning afwijken van het bepaalde in artikel 4.2.2 voor het uitbreiden van het aantal m² dierenverblijven, met dien verstande dat:

1. aangetoond is dat het woon- en leefmilieu niet onevenredig wordt aangetast;

2. aangetoond is dat per saldo door de uitbreiding geen toename plaatsvindt van de stikstofdepositie op Natura2000 gebieden bijvoorbeeld door saldering met bedrijven die beëindigd worden of door toepassing van best beschikbare stalsystemen;

3. uitbreiding van het aantal m² dierenverblijven tot méér dan 10.000 m² vloeroppervlakte per agrarisch bedrijf of tot meer dan aanwezig is op het moment van ter visie leggen van het ontwerpbestemmingsplan, dan wel waarvoor op dat moment een Omgevingsvergunning is aangevraagd, indien de vloeroppervlakte bij dat agrarisch bedrijf al meer is dan 10.000 m², niet mogelijk is, met uitzondering van de bedrijven die zijn gelegen in de aanduiding 'reconstructiewetzone - landbouwontwikkelingsgebied';

4. ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van agrarisch uitgesloten - uitbreiding dierenverblijf' uitbreiding van het aantal m² dierenverblijven ten opzichte van het aantal m² dierenverblijven, zoals aanwezig ten tijde van de ter inzagelegging van het ontwerpbestemmingsplan, niet mogelijk is."

Artikel 1.11 luidt:

"agrarisch bedrijf: een bedrijf dat middels bedrijfsmatige activiteiten gericht is op het voortbrengen van producten door middel van het telen van gewassen (houtteelt daaronder begrepen) en/of het houden en/of het voortbrengen van dieren en dierlijke producten, met daarin onderscheid tussen:

- grondgebonden agrarisch bedrijf, waaronder wordt begrepen een akkerbouw bedrijf en een veehouderij, niet zijnde intensieve veehouderij en waaronder mede begrepen een paardenhouderij;

- intensief veehouderijbedrijf;

- glastuinbouwbedrijf;

- intensieve kwekerij;

- melkveehouderij;

- vollegrondstuinbouw;

met dien verstande dat een manege niet als agrarisch bedrijf wordt aangemerkt."

Artikel 1.75 luidt:

"grondgebonden agrarisch bedrijf: een agrarische bedrijfsvoering die geheel dan wel grotendeels afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Tot een grondgebonden agrarisch bedrijf worden met name een akkerbouwbedrijf, een veehouderij (niet zijnde een intensief veehouderijbedrijf), alsmede een productiegerichte en/of gebruiksgerichte paardenhouderij gerekend."

Artikel 1.86 luidt:

"intensief veehouderijbedrijf: het bedrijfsmatig houden van dieren zonder dat het bedrijf hoeft te beschikken over grond bestemd voor de voerproductie van deze dieren. De dieren worden in stallen of hokken gehouden. Waar in dit bestemmingsplan wordt gesproken over intensief veehouderijbedrijf wordt in principe gedoeld op het hebben van een bedrijfsmatige tak van varkens, kippen, vleeskuikens, vleeskalveren, stieren voor de roodvleesproductie, eenden, pelsdieren, konijnen, kalkoenen of parelhoenders (waarvoor een milieuvergunning is verleend). Een melkveehouderij en een intensieve kwekerij worden niet als intensief veehouderijbedrijf beschouwd."

3.    Volgens het college is het bouwplan in strijd met artikel 4.2.2, aanhef en onder e, van de planregels, omdat de totale vloeroppervlakte aan dierenverblijven met 694 m² toeneemt. Het heeft daarom toepassing gegeven aan artikel 2.12, eerste lid, aanhef en onder a, onder 1˚, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (hierna: de Wabo), gelezen in samenhang met artikel 4.4.8 van de planregels. Het heeft de gevraagde omgevingsvergunning op grond van artikel 2.1, eerste lid, aanhef en onder a, c en i, van de Wabo verleend.

Beoordeling van het hoger beroep

4.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank niet heeft onderkend dat sprake is van een intensief veehouderijbedrijf en een dergelijk bedrijf ingevolge het bestemmingsplan "Buitengebied 2011" op het perceel niet is toegestaan. Hij voert daartoe aan dat de geiten in stallen worden gehouden. Volgens [appellant sub 1] kan, ook indien de diersoort niet in de opsomming van artikel 1.86 van de planregels is opgenomen, toch sprake zijn van een intensief veehouderijbedrijf als de dieren in stallen of hokken worden gehouden. Met de in de definitie opgenomen opsomming van dieren wordt slechts sturing gegeven, maar deze definitie bevat geen limitatieve opsomming.

4.1.    Ingevolge artikel 4.1.1 van de planregels is op het perceel een agrarisch bedrijf met een geheel of in hoofdzaak grondgebonden agrarische bedrijfsvoering toegestaan. Intensieve veehouderijen zijn alleen toegestaan, indien op de verbeelding een aanduiding daarvoor is opgenomen. Niet in geschil is dat de aanduiding voor het perceel niet is opgenomen. Indien de geitenhouderij van [appellante sub 2] een intensieve veehouderij is, is dat in strijd met de bestemming.

4.2.    De Afdeling stelt voorop dat, gelet op de in het bestemmingsplan opgenomen definities van een grondgebonden agrarisch bedrijf en een intensief veehouderijbedrijf, een bedrijf niet zowel een grondgebonden agrarisch bedrijf en een intensief veehouderijbedrijf kan zijn. Met de rechtbank is de Afdeling van oordeel dat het college [appellante sub 2] terecht als een grondgebonden agrarisch bedrijf als bedoeld in artikel 1.75 van de planregels heeft aangemerkt. [appellante sub 2] heeft gemotiveerd gesteld dat zij beschikt over voldoende landbouwareaal om te voorzien in de voerbehoefte van de 1.200 geiten. Dit heeft [appellant sub 1] niet bestreden. De omstandigheid dat, zoals [appellant sub 1] aanvoert, de geiten in stallen worden gehouden, leidt niet tot een ander oordeel, omdat aan een grondgebonden agrarisch bedrijf volgens de definitie daarvan alleen de voorwaarde wordt gesteld dat de agrarische bedrijfsvoering geheel dan wel grotendeels afhankelijk is van de groeikracht van de bodem waarop het bedrijf wordt uitgeoefend. Van strijd met de bestemming is geen sprake.

Het betoog faalt. Hetgeen voor het overige is aangevoerd, behoeft geen bespreking meer.

5.    [appellant sub 1] betoogt dat de rechtbank ten onrechte geen aanleiding heeft gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in werking zijn van de inrichting niet zodanig risico's voor de volksgezondheid kan opleveren dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd.

Hij voert daartoe ten eerste aan dat het college in het kader van de vraag of het bouwplan het woon- en leefklimaat zal aantasten, een te beperkte beoordeling van de gezondheidsrisico's heeft uitgevoerd.

Hij voert verder aan dat het college het rapport "Veehouderij en Gezondheid Omwonenden (aanvullende studies)" over de verhoogde kans op longontsteking van het Rijksinstituut voor Volksgezondheid en Milieu (hierna: het RIVM) dat is gepubliceerd op 16 juni 2017, bij de besluitvorming had moeten betrekken en een afweging had moeten maken. De rechtbank is, door het rapport zelf te beoordelen, op de stoel van het bestuursorgaan gaan zitten.

[appellant sub 1] voert tot slot aan dat de rechtbank in het kader van de door hem gestelde vrees voor Q-koorts ten onrechte belang heeft gehecht aan het feit dat de geiten niet lammeren op het bedrijf en daardoor het voorkomen van bacteriën aanzienlijk wordt beperkt. Hij wijst erop dat door een Q-koortsinfectie bij een geit een vroeggeboorte van een dode vrucht kan optreden en daardoor de besmetting kan worden verspreid.

5.1.    De rechtbank heeft overwogen dat het college de door [appellant sub 1] in bezwaar gestelde vrees voor Q-koorts weliswaar heeft besproken in het kader van de beoordeling van de aanvraag om een omgevingsvergunning beperkte milieutoets en niet in het kader van de vraag of door het bouwplan het woon- en leefklimaat onevenredig wordt aangetast, maar dit niet maakt dat het college feitelijk niet in voldoende mate heeft onderzocht of sprake is van onaanvaardbare negatieve gezondheidseffecten als gevolg van het houden van geiten op het perceel. De rechtbank heeft terecht overwogen dat, aangezien het onderzoek daadwerkelijk heeft plaatsgevonden en de uitkomst door het college bij de afweging is betrokken, [appellant sub 1] hierdoor niet in zijn belangen is geschaad.

5.2.    Het rapport van het RIVM van juni 2017 dateert van na het besluit van 13 juni 2017, zodat het college daarop in het besluit niet kon ingaan. Dat het besluit, zoals ter zitting is opgemerkt, is verzonden op dezelfde dag dat het rapport is gepubliceerd, doet daar niet aan af. In zijn verweerschrift in beroep is het college alsnog op het rapport ingegaan. Het heeft daarin geen aanleiding gezien een ander standpunt in te nemen over de door [appellant sub 1] gestelde gezondheidsrisico's. De rechtbank heeft het standpunt van het college hierover beoordeeld en is reeds om die reden niet op de stoel van het bestuursorgaan gaan zitten.

5.3.    De rechtbank heeft terecht geen grond gezien voor het oordeel dat het college in de door [appellant sub 1] gestelde vrees voor Q-koorts in redelijkheid aanleiding had moeten zien de omgevingsvergunning te weigeren. Zij heeft daarbij terecht betrokken dat niet is betwist dat [appellante sub 2] de van overheidswege verplichte maatregelen ter voorkoming van Q-koorts treft en zijn bedrijf onder toezicht staat van de Nederlandse Voedsel- en Waren Autoriteit. De Afdeling wijst er in dit verband op dat de brief van [appellante sub 2] van 19 mei 2017, waarin onder meer de maatregelen tegen Q-koorts die het bedrijf neemt, zijn opgesomd, aan het besluit op bezwaar is gehecht en volgens dat besluit onderdeel uitmaakt van de overwegingen van het college. Het college heeft in dit verband ter zitting van de Afdeling nog opgemerkt dat sinds het treffen van landelijke maatregelen geen uitbraak van Q-koorts meer heeft plaatsgevonden. De rechtbank heeft bij haar oordeel verder terecht betrokken dat het voorkomen van bacteriën aanzienlijk wordt beperkt, gelet op de ter zitting onweersproken stelling van [appellante sub 2] dat de geiten niet op het bedrijf lammeren. De bacteriën die Q-koorts veroorzaken komen, aldus de rechtbank, namelijk met name vrij tijdens het lammeren. In de stelling van [appellant sub 1] dat een vroeggeboorte van een dode vrucht kan plaatsvinden, ziet de Afdeling geen grond voor een ander oordeel. Hierbij wordt betrokken dat [appellante sub 2] ter zitting van de Afdeling heeft verklaard dat de drachtige geiten uiterlijk een maand voordat zij lammeren, worden afgevoerd.

5.4.    De rechtbank heeft verder overwogen dat uit het rapport van het RIVM blijkt dat rond geitenhouderijen mensen vaker een longontsteking hebben en dat het nog onduidelijk is wat de oorzaak is van deze longontstekingen. In het rapport wordt gesteld dat al wel duidelijk is dat Q-koorts geen verklaring voor het verhoogde risico biedt en dat geitenhouderijen voor zover bekend weinig fijnstof en endotoxinen uitstoten. Om specifieke oorzaken van deze toename te achterhalen is volgens het RIVM meer onderzoek nodig. Pas dan kunnen volgens het RIVM bedrijfsgerichte maatregelen worden aanbevolen. De rechtbank heeft, rekening houdend met het rapport van het RIVM van juni 2017, geen aanleiding gezien voor het oordeel dat het college zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het in werking hebben van de inrichting niet zodanige risico's voor de volksgezondheid kan opleveren dat de omgevingsvergunning om die reden had moeten worden geweigerd. [appellant sub 1] heeft in hoger beroep opnieuw verwezen naar het onderzoek van het RIVM. De Afdeling ziet hierin geen grond voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte tot voormeld oordeel is gekomen.

5.5.    Gezien het vorenstaande heeft de rechtbank terecht overwogen dat het betoog van [appellant sub 1] dat, gelet op de gezondheidsrisico's, de omgevingsvergunning had moeten worden geweigerd, faalt.

Beoordeling van het incidenteel hoger beroep

6.    [appellante sub 2] heeft incidenteel hoger beroep ingesteld onder de voorwaarde dat het hoger beroep van [appellant sub 1] gegrond is. Nu het hoger beroep van [appellant sub 1], gelet op het voorgaande, ongegrond zal worden verklaard, is deze voorwaarde niet vervuld en is het incidenteel hoger beroep van [appellante sub 2] vervallen.

Conclusie

7.    Het hoger beroep van [appellant sub 1] is ongegrond. Het door [appellante sub 2] ingestelde voorwaardelijk incidenteel hoger beroep is daarmee vervallen. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

8.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. J.A. Hagen, voorzitter, en mr. F.D. van Heijningen en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. N.D.T. Pieters, griffier.

w.g. Hagen    w.g. Pieters
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 6 februari 2019

473.