Uitspraak 201700902/1/R3

Datum van uitspraak: woensdag 17 oktober 2018
Tegen: de raad van de gemeente Assen
Proceduresoort: Eerste aanleg - meervoudig
Rechtsgebied: RO - Drenthe
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2018:3389

201700902/1/R3.
Datum uitspraak: 17 oktober 2018

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

Aprisco B.V, gevestigd te Assen,
appellante,

en

de raad van de gemeente Assen,
verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 8 december 2016 heeft de raad het bestemmingsplan "Hoekbree 2e en 3e fase" vastgesteld.

Tegen dit besluit heeft Aprisco beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening (hierna: StAB) heeft desverzocht een deskundigenbericht uitgebracht. Aprisco heeft haar zienswijze daarop naar voren gebracht.

Aprisco en de raad hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 25 januari 2018, waar Aprisco, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door E.D. Langbroek en P. Veldman, zijn verschenen.

Na sluiting van het onderzoek ter zitting heeft de Afdeling het onderzoek met toepassing van artikel 8:68 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) heropend.

De StAB heeft nadien een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht. Aprisco heeft daarop een zienswijze naar voren gebracht.

De Afdeling heeft de zaak op een nadere zitting behandeld op 12 juli 2018, waar Aprisco, vertegenwoordigd door mr. A.R. Klijn, advocaat te Amsterdam, en [gemachtigde], bijgestaan door [gemachtigde], en de raad, vertegenwoordigd door E.D. Langbroek en P. Veldman, zijn verschenen.

Overwegingen

    Inleiding

1.    Het plan maakt de tweede en derde fase van de ontwikkeling van Hoekbree mogelijk. Hoekbree is een grotendeels braakliggend terrein in de noordwestelijke hoek van de wijk Marsdijk. De tweede fase van de ontwikkeling van Hoekbree maakt de realisering van maximaal 8 vrijstaande woningen dan wel 5 vrijstaande woningen en 4 twee aaneengesloten woningen mogelijk. De derde fase maakt de realisering van maximaal 15 rijenwoningen mogelijk. Daarbij is voorzien in een ontsluiting via de bestaande weg Langbree en een tweede ontsluiting via een nieuw aan te leggen weg aan de zuidwestzijde die zal aansluiten op het parkeerterrein bij de sportvelden van voetbalvereniging Achilles 1894 (hierna: Achilles) en zijn vervolg zal krijgen via het openbaar vervoer knooppunt Marsdijk in de richting van de Martin Luther Kingweg.

    De eerste fase van Hoekbree betreft de realisering van het woon-zorgcomplex "Messchenstaete". Het woon-zorgcomplex is planologisch mogelijk gemaakt in het op 5 maart 2015 door de raad vastgestelde bestemmingsplan "Hoekbree" en is al gerealiseerd.

    Aprisco is gevestigd aan de Martin Luther Kingweg 1 te Assen en is daarnaast eigenaar van de panden aan de Martin Luther Kingweg 11 en 11a. Deze panden staan aan het eerder genoemde parkeerterrein en worden gehuurd door Achilles en Chinees restaurant Jasmijn Garden. Aprisco richt zich tegen het gehele plan, omdat volgens haar de in het plan voorziene tweede ontsluiting van Hoekbree via het parkeerterrein bij haar panden verkeersonveilig is en ook niet nodig is. Volgens Aprisco is niet voldaan aan de principes van Duurzaam Veilig, die worden onderschreven en voorgeschreven door het gemeentelijk beleid in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan.

Totstandkoming deskundigenbericht

2.    Aprisco betoogt dat de Afdeling bij de beoordeling van het bestreden besluit niet mag afgaan op het deskundigenbericht van de StAB van 12 juni 2017. Zij voert aan dat partijen ten onrechte niet conform artikel 4.12, onder a en b, van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken, versie 3.7 van januari 2012 (hierna: Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken) door de deskundige in elkaars aanwezigheid zijn gehoord noch in de gelegenheid zijn gesteld op- en aanmerkingen op het concept-verslag te maken voordat het definitieve deskundigenbericht naar de Afdeling is verzonden. Dit terwijl bijzonder gewicht wordt toegekend aan dit type deskundigenberichten op verzoek van de rechter en een dergelijk rapport doorgaans wordt gevolgd, aldus Aprisco. Volgens Aprisco is hierdoor het deskundigenbericht niet transparant, omdat alleen de essentie van het gesprek met de raad is weergegeven. Ook is Aprisco de mogelijkheid ontnomen om op effectieve wijze invloed uit te oefenen op (de feitenvaststelling in) het deskundigenrapport van de StAB. Zij betoogt dat de wijze van totstandkoming van het deskundigenbericht zich niet verdraagt met het in artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: EVRM) gestelde vereiste van een eerlijk proces. Daartoe verwijst zij naar de arresten van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) van 18 maart 1997 in de zaak Mantovanelli tegen Frankrijk, nr. 21497/93, (www.echr.coe.int), (hierna: het Mantovanelli-arrest) en 8 oktober 2015 in de zaak Korošec tegen Slovenië, nr. 77212/12, (www.echr.coe.int), (hierna: het Korošec-arrest).

    Volgens Aprisco kan de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken worden gezien als de nationaalrechtelijke invulling van het vereiste om effectief invloed te kunnen uitoefenen en te kunnen reageren op een deskundigenbericht, zoals voortvloeit uit artikel 6 van het EVRM. Aprisco voert aan dat deze Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken door rechtbanken en de Centrale Raad van Beroep wordt toegepast bij het benoemen van een deskundige in bestuursrechtelijke geschillen. Ten onrechte is deze Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken niet ook van toepassing op het inschakelen van een deskundige door de Afdeling, aldus Aprisco. Zij wijst er daarbij op dat in de gedragscode van Stichting Advisering Bestuursrechtspraak van 13 maart 2013 geen bepaling is opgenomen dat partijen in elkaars aanwezigheid worden gehoord en evenmin de mogelijkheid biedt op- en aanmerkingen te maken op het concept-verslag. De wijze waarop deskundigenberichten in opdracht van de Afdeling tot stand komen, die afwijkt van de andere bestuursrechters, is dan ook in strijd met artikel 6 van het EVRM en valt volgens haar niet binnen de margin of appreciation die er is om binnen de minimale waarborgen van artikel 6 van het EVRM verschillen toe te laten in procedures die van dezelfde aard zijn, maar bij verschillende bestuursrechtelijke rechtscolleges dienen.

    De genoemde gebreken zijn volgens Aprisco met het aanvullend deskundigenbericht van de StAB van 12 februari 2018 niet gerepareerd, omdat ook bij de totstandkoming van het aanvullend deskundigenbericht geen toepassing is gegeven aan artikel 4.12 van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken. De bezwaren ten aanzien van de totstandkoming van het deskundigenbericht van 12 juni 2017 gelden daarom ook ten aanzien van het aanvullend deskundigenbericht van 12 februari 2018, aldus Aprisco.

2.1.    De deskundigenberichten van de StAB in deze zaak zijn niet met toepassing van artikel 4.12 van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken tot stand gekomen. In de aanhef en onder a en b van dit artikel staat: "De deskundige verricht zijn werkzaamheden open en zichtbaar voor alle partijen. Dit impliceert dat hij a. partijen zo mogelijk in elkaars aanwezigheid hoort, met inachtneming van ieders privacy; b. partijen in de gelegenheid stelt op- en aanmerkingen op het concept-verslag te maken". Naar het oordeel van de Afdeling is zij niet gehouden toepassing te geven aan de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken en is de wijze waarop de deskundigenberichten van de StAB in deze zaak tot stand zijn gekomen niet in strijd met artikel 6 van het EVRM. Daartoe overweegt de Afdeling het volgende.

2.2.    Bij de totstandkoming van de deskundigenberichten van de StAB heeft de Afdeling toepassing gegeven aan artikel 8:47 van de Awb. Dit artikel luidt als volgt:

1. De bestuursrechter kan een deskundige benoemen voor het instellen van een onderzoek.

2. Bij de benoeming worden vermeld de opdracht die moet worden vervuld en de termijn, bedoeld in het vierde lid.

3. Van het voornemen tot het benoemen van een deskundige als bedoeld in het eerste lid wordt aan partijen mededeling gedaan. De bestuursrechter kan partijen in de gelegenheid stellen om hun wensen omtrent het onderzoek binnen een door hem te bepalen termijn schriftelijk aan hem kenbaar te maken.

4. De bestuursrechter stelt een termijn binnen welke de deskundige aan hem een schriftelijk verslag van het onderzoek uitbrengt.

5. Partijen kunnen binnen vier weken na de dag van verzending van het verslag aan hen schriftelijk hun zienswijze met betrekking tot het verslag naar voren brengen.

6. De bestuursrechter kan de in het vijfde lid bedoelde termijn verlengen.

2.3.    De Afdeling moet ervoor zorg dragen dat de rechterlijke procedure in haar geheel voldoet aan de eisen van artikel 6 van het EVRM, waaronder het recht op tegenspraak en het recht op gelijke proceskansen. Uit het Mantovanelli-arrest vloeit voort dat appellant in de gelegenheid moet zijn geweest om daadwerkelijk effectief te kunnen reageren op het deskundigenbericht.

2.4.    Het Mantovanelli-arrest gaat over aansprakelijkheid voor nalatig medisch handelen. In de betreffende procedure had de rechter - kort weergegeven - aan een deskundige, een arts, een onderzoek opgedragen naar het antwoord op de vraag of de omstandigheden waaronder een bepaald medicijn was toegediend aan de dochter van de betrokken eisers een onrechtmatige daad aan het licht bracht. De adviesaanvraag was dus niet uitsluitend feitelijk van aard. In paragraaf 36 van het arrest staat het volgende:

"However, while […] could have made submissions to the administrative court on the content and findings of the report after receiving it, the Court is not convinced that this afforded them a real opportunity to comment effectively on it. The question the expert was instructed to answer was identical with the one that the court had to determine, namely whether the circumstances in which halothane had been administered to the applicants’ daughter disclosed negligence on the part of the CHRN. It pertained to a technical field that was not within the judges’ knowledge. Thus although the administrative court was not in law bound by the expert’s findings, his report was likely to have a preponderant influence on the assessment of the facts by that court.

Under such circumstances, and in the light also of the administrative courts’ refusal of their application for a fresh expert report at first instance and on appeal (see paragraphs 19-22 above), […] could only have expressed their views effectively before the expert report was lodged. No practical difficulty stood in the way of their being associated in the process of producing the report, as it consisted in interviewing witnesses and examining documents. Yet they were prevented from participating in the interviews, although the five people interviewed by the expert were employed by the CHRN and included the surgeon who had performed the last operation on […], and the anaesthetist. The applicants were therefore not able to cross-examine these five people who could reasonably have been expected to give evidence along the same lines as the CHRN, the opposing side in the proceedings. As to the documents taken into consideration by the expert, the applicants only became aware of them once the report had been completed and transmitted.

[…] were thus not able to comment effectively on the main piece of evidence. The proceedings were therefore not fair as required by Article 6 para. 1 of the Convention (art. 6-1). There has accordingly been a breach of that provision (art. 6-1)."

2.5.    Het EHRM heeft in het Mantovanelli-arrest geconcludeerd dat als klagers invloed wilden hebben op de beoordeling van de feiten in hun zaak, zij dat bij de totstandkoming van het advies al moesten hebben. In de omstandigheden van hun zaak konden zij slechts effectief hun standpunt naar voren brengen vóórdat de deskundige zijn eindrapport aan de rechter uitbracht. Het EHRM heeft daarbij in het bijzonder betekenis toegekend aan de volgende omstandigheden, te weten: het gegeven dat de aan de deskundige voorgelegde vraag identiek was aan de door de rechter te beantwoorden vraag, het feit dat die vraag betrekking had op een technisch terrein waarop de rechter niet deskundig was, de omstandigheid dat de bevindingen van de deskundige dientengevolge hoogstwaarschijnlijk doorslaggevende invloed zou hebben op de beoordeling van de feiten door de rechter en de overige relevante omstandigheden, te weten de weigering door de rechter in eerste instantie en in hoger beroep om een nieuw deskundigenrapport te laten opstellen.

2.6.    Aprisco betoogt dat zij op grond van het Mantovanelli-arrest vóór het definitieve advies in de gelegenheid had moeten worden gesteld om te reageren op een concept-deskundigenbericht, omdat de aan de deskundige voorgelegde vraag nagenoeg identiek is aan die welke de rechter moet beantwoorden en de rechter niet deskundig is ten aanzien van verkeersveiligheid waardoor de bevindingen van de deskundige hoogstwaarschijnlijk van doorslaggevende invloed zijn op de vaststelling van de feiten. Volgens Aprisco wordt een en ander bevestigd in het Korošec-arrest.

2.7.    De Afdeling begrijpt de verwijzing van Aprisco naar het Korošec-arrest aldus, dat daar geen zelfstandige betekenis aan toekomt. In het Korošec-arrest werd erover geklaagd dat de rechter door zijn beslissing te baseren op het oordeel van de door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundigen en geen gehoor te geven aan het verzoek een onafhankelijke deskundige in te schakelen, heeft gehandeld in strijd met het beginsel van gelijke proceskansen. Deze situatie doet zich hier niet voor nu het niet gaat om een door het bestuursorgaan ingeschakelde deskundige, maar juist om een door de bestuursrechter ingeschakelde onafhankelijke deskundige.

2.8.    De Afdeling ziet zich voor de vraag gesteld of de door Aprisco genoemde omstandigheden, mede gelet op het Mantovanelli-arrest, maken dat zij in strijd met artikel 6 van het EVRM niet in de gelegenheid is geweest effectief te reageren op de ingebrachte deskundigenberichten van de StAB.

2.9.    In deze zaak is aan de deskundige van de StAB de volgende vraag voorgelegd: "beschrijf de feiten en gevolgen van het plan, voor zover dit nodig is voor de beroepsgronden die betrekking hebben op de verkeersveiligheid". Anders dan Aprisco aanvoert, is deze vraag feitelijk van aard en niet identiek aan de door de rechter te beantwoorden vraag, te weten of het bestreden besluit in het licht van de daartegen aangevoerde beroepsgronden in overeenstemming is met het recht en of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening. Deze door de rechter te beantwoorden vraag betreft, anders dan de vraag die aan de deskundige is voorgelegd, een beoordeling van de feiten in het licht van zijn toetsingskader. De vraag aan de deskundige gaat over feiten en gevolgen van het plan. De rechter is weliswaar niet deskundig ten aanzien van verkeersveiligheid, maar wel ten aanzien van zijn eigen toetsingskader. In het Mantovanelli-arrest betrof de vraag aan de deskundige echter niet alleen een vaststelling van de feiten, maar ook een waardering daarvan op een terrein waarop de rechter zelf niet deskundig was. Dientengevolge waren de bevindingen van de deskundige in het Mantovanelli-arrest hoogstwaarschijnlijk van doorslaggevende invloed op de beoordeling van de feiten door de rechter. Die situatie doet zich in deze zaak niet voor. Daarbij betrekt de Afdeling ook de volgende relevante omstandigheden.

    Ingevolge artikel 8:47, derde lid, van de Awb heeft de Afdeling het voornemen tot het inschakelen van een deskundige van de StAB en de aan de deskundige voorgelegde vraag medegedeeld aan partijen. Partijen zijn vervolgens in de gelegenheid geweest om hun standpunten bij de deskundige naar voren te brengen. Uit het deskundigenbericht van de StAB volgt dat de deskundige op 3 mei 2017 het gebied heeft bezocht en met vertegenwoordigers van Aprisco en de raad afzonderlijk heeft gesproken. Aprisco heeft betoogd dat zij in aanwezigheid van de andere partij haar standpunten naar voren had willen brengen bij de deskundige, mede om hen ervan te kunnen overtuigen dat toepassing moet worden gegeven aan de ontwerpprincipes van Duurzaam Veilig. Naar het oordeel van de Afdeling is het gesprek met de deskundige en het bezoeken van het plangebied door de deskundige niet bedoeld om de deskundige of een andere partij te overtuigen van een bepaald standpunt, maar om feiten te vergaren. Daarnaast geldt dat het gesprek met de deskundige weliswaar in gezamenlijkheid kan plaatsvinden, maar dat de Afdeling dat, mede gelet op het belang van tijdige advisering en daarmee de voortgang van de procedure in het algemeen niet wenselijk acht en voor de beslissing van de Afdeling in dit geval, mede bezien in het licht van artikel 6 van het EVRM, niet nodig.

    Ingevolge artikel 8:47, vijfde lid, van de Awb hebben partijen na het uitbrengen van het deskundigenverslag de gelegenheid hun zienswijzen daarop naar voren te brengen. In dit geval heeft Aprisco ook gebruik gemaakt van deze gelegenheid en haar zienswijzen naar voren gebracht. Over de klacht van Aprisco dat ten onrechte geen gelegenheid wordt geboden een zienswijze over het concept-deskundigenbericht naar voren te brengen, overweegt de Afdeling het volgende. Vanwege proceseconomische redenen, mede ingegeven door de wettelijke termijnen waarbinnen het deskundigenadvies moet worden uitgebracht en waarbinnen de Afdeling uitspraak moet doen, zoals opgenomen in artikel 1.6 van de Crisis- en herstelwet, wordt in zaken over bestemmingsplannen en andere ruimtelijke plannen hiervan in beginsel afgezien. Ook wordt daarmee voorkomen dat dubbele zienswijzen naar voren worden gebracht.     

    Indien de zienswijzen daartoe aanleiding geven, kan de Afdeling deze zienswijzen alsnog voorleggen aan de deskundige met het verzoek daarop te reageren of een aanvullend deskundigenrapport uit te brengen en/of ter zitting inlichtingen te verstrekken. In dit geval heeft de Afdeling de zaak na de zitting van 25 januari 2018 heropend en aan de deskundige de vraag voorgelegd of de door Aprisco ingediende stukken, die na het deskundigenbericht van 12 juni 2017 zijn binnengekomen, aanleiding geven tot aanpassing van het uitgebrachte deskundigenbericht, en zo ja tot welke. De deskundige heeft daarop een aanvullend deskundigenbericht uitgebracht, waarna aan partijen gelegenheid is gegeven daarop te reageren. Aprisco heeft daarvan gebruik gemaakt. Ook ter zitting hebben partijen de mogelijkheid gehad te reageren. Hierin verschilt de voorliggende zaak met het geval dat aan de orde was in het Mantovanelli-arrest, waarin de nationale rechter weigerde opnieuw een deskundigenrapport te laten opstellen.

2.10.    Gezien het vorenstaande is de Afdeling van oordeel dat Aprisco in de onderhavige procedure in de gelegenheid is geweest effectief haar inbreng te leveren in het kader van het onderzoek door de deskundige en dat zij op de resultaten van dat onderzoek adequaat tegenspraak heeft kunnen leveren.

2.11.    Voor zover Aprisco betoogt dat rechtseenheid noopt tot toepassing van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken die ook door andere bestuursrechters wordt toegepast, overweegt de Afdeling dat de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken geen wettelijke regeling betreft. Anders dan de rechtbanken, gerechtshoven en de Centrale Raad van Beroep heeft de Afdeling zich niet aan die gedragscode gecommitteerd. De Afdeling is daartoe ook rechtens niet gehouden. De redenering van Aprisco dat de handelwijze van de Afdeling voor zover die afwijkt van de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken niet past binnen de 'margin of appreciation' die er is om binnen de waarborgen van artikel 6 van het EVRM verschillen toe te laten in procedures die van dezelfde aard zijn maar bij verschillende bestuursrechtelijke colleges dienen, gaat naar het oordeel van de Afdeling niet op. Deskundigenberichten van de StAB in opdracht van de Afdeling hebben weliswaar ook betrekking op procedures in bestuursrechtelijke geschillen, maar het gaat om procedures van een andere aard waarbij het in zaken in het omgevingsrecht veelal gaat om meerpartijengeschillen met wettelijke termijnen voor advisering en uitspraak, termijnen die in bijvoorbeeld sociale zekerheidszaken en belastingzaken niet gelden.

2.12.    Ter zitting heeft Aprisco in dit verband nog gewezen op overweging 6.1 in de uitspraak van de Afdeling van 27 juni 2018, ECLI:NL:RVS:2018:2124, waaruit volgens Aprisco volgt dat deskundigen moeten werken op basis van een door de beroepsgroep opgestelde richtlijn. Aprisco betoogt dat de Afdeling dit zelf niet doet door geen toepassing te geven aan de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken, die hoort bij de beroepsgroep van gerechtelijke deskundigen. Zij heeft daarbij gewezen op het Landelijk Register van Gerechtelijke Deskundigen, waar ook deskundigen van de StAB staan ingeschreven. De door Aprisco genoemde overweging gaat over de wijze waarop de rechtbank de onafhankelijkheid en onpartijdigheid van een psychiater in die betreffende zaak heeft beoordeeld. Het verrichten van werkzaamheden op basis van een door de beroepsgroep opgestelde richtlijn is als een van de factoren daarbij betrokken. Op basis daarvan kan, mede gelet op het hiervoor overwogene, niet worden geoordeeld dat de Afdeling gehouden is toepassing te geven aan de Gedragscode voor gerechtelijk deskundigen in civielrechtelijke en bestuursrechtelijke zaken.

2.13.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling geen grond voor het oordeel dat de totstandkoming van de deskundigenberichten van de StAB in deze zaak in strijd is met het in artikel 6 van het EVRM gewaarborgde recht op een eerlijk proces.

2.14.    Voor zover Aprisco ter zitting heeft gevraagd om een conclusie te vragen aan de advocaat-generaal over de vraag welke vereisten in het kader van artikel 6 van het EVRM dienen te worden gesteld aan de procedure van de totstandkoming van een deskundigenbericht op verzoek van de Afdeling overweegt de Afdeling het volgende. In artikel 8:12a, eerste lid, van de Awb staat dat de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, de president van de Centrale Raad van Beroep en de president van het College van Beroep voor het bedrijfsleven in zaken die in hun college in behandeling zijn bij een meervoudige of grote kamer, een lid van het desbetreffende college kunnen verzoeken een conclusie te nemen. Op grond van deze bepaling moet niet de Afdeling maar de voorzitter van de Afdeling beslissen of een conclusie wordt gevraagd. Aprisco heeft het betreffende verzoek tevens gedaan aan de voorzitter van de Afdeling en die heeft het verzoek bij brief van 8 februari 2018 afgewezen.

2.15.    Gelet op het voorgaande ziet de Afdeling in het betoog van Aprisco geen aanleiding om het deskundigenbericht van de StAB en de aanvulling daarop niet bij haar beoordeling te betrekken.

Toetsingskader

3.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

Verkeerseffecten tweede ontsluiting Hoekbree

4.    Zoals hiervoor is overwogen, voorziet het plan in een weg die aansluit op het parkeerterrein bij de panden van Aprisco. Het parkeerterrein maakt geen onderdeel uit van het plangebied. Ook de panden van Aprisco staan buiten het plangebied. In het bestemmingsplan "Wegvak Peelo-Zuid" en de nadien vastgestelde Beheersverordening "Assen Noord 2014" is aan het betreffende parkeerterrein een verkeersbestemming toegekend. Gelet op het voorliggende plan en genoemde Beheersverordening is het mogelijk om een weg aan te leggen die het plangebied ontsluit en via het parkeerterrein aansluit op de bestaande Martin Luther Kingweg. In het bestemmingsplan "Marsdijk", dat voorheen gold voor de gronden in het plangebied, was het nog niet bij recht mogelijk om het plangebied te ontsluiten via het betreffende parkeerterrein bij de panden van Aprisco. Ter zitting is gebleken dat partijen het erover eens zijn dat de gevolgen van de ontsluiting van het plangebied via het parkeerterrein bij de panden van Aprisco in het voorliggende plan moeten worden bezien. Volgens Aprisco is onvoldoende onderzoek gedaan naar de verkeerseffecten, verkeersintensiteit en verkeersveiligheid van het plan en de noodzaak van het realiseren van een tweede ontsluiting. Deze beroepsgronden zullen hierna worden behandeld.

Noodzaak tweede ontsluiting van Hoekbree

5.    Aprisco betoogt dat het niet nodig is een tweede ontsluitingsweg aan te leggen. Ter onderbouwing verwijst zij naar een in haar opdracht door Roelofs opgestelde verkeerskundige analyse van 7 december 2016 (hierna: analyse Roelofs 2016). Uit de in deze analyse opgenomen berekening van de verkeersgeneratie met behulp van de CROW-rekentool parkeren en verkeersgeneratie volgt volgens haar dat het gehele plan Hoekbree 531 motorvoertuigen per etmaal genereert. Daarnaast zullen volgens Aprisco ook bewoners van de bestaande wijk Marsdijk gebruik maken van de tweede ontsluitingsweg, omdat deze weg korter is dan de route via de Langbree. In totaal verwacht Aprisco een verkeersgeneratie van 1.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal. Dit verkeer kan volgens Aprisco, gelet op de grenscapaciteit van 3.000 motorvoertuigbewegingen per etmaal van de Langbree, ook alleen via deze weg worden afgewikkeld. Volgens Aprisco had een zogenoemde mobiliteitstoets moeten worden verricht waarin de hoeveelheid verkeersbewegingen en parkeerbewegingen van omliggende functies worden geschat en geanalyseerd en worden afgezet tegen een schouw van de situatie op een representatief moment. Op grond van een dergelijke mobiliteitstoets had de raad volgens Aprisco een vergelijking kunnen maken tussen de effecten van de afwikkeling van het verkeer via de voorziene tweede ontsluitingsweg en die via de bestaande weg de Langbree. Volgens Aprisco zou de raad op basis daarvan een andere keuze hebben gemaakt ten aanzien van de tweede ontsluitingsweg. Ook de StAB heeft volgens Aprisco ten onrechte geen mobiliteitstoets verricht en is niet ingegaan op de noodzaak van de tweede ontsluitingsweg.

5.1.    Over de te verwachten verkeersintensiteit is in paragraaf 3.2 van het deskundigenbericht van de StAB en paragraaf 2.4.2 van het aanvullend deskundigenbericht van de StAB geconcludeerd dat zowel de raad als Aprisco hebben berekend dat het plan ongeveer 531 motorvoertuigen per etmaal zal genereren. Volgens de deskundigenberichten van de StAB is er geen reden om dit aantal te verdubbelen, zoals Aprisco heeft gedaan. Echter, Aprisco heeft het aantal niet verdubbeld, maar betoogt dat ook een deel van de bestaande bewoners van de wijk Marsdijk gebruik zal gaan maken van de tweede ontsluitingsweg in het plan. Enerzijds door geplande functies van een gezondheidscentrum en restaurant bij het woon-zorgcomplex en het Achilles stadion. Anderzijds door de kortere verbinding met de Martin Luther Kingweg naar de rest van Assen. Ze verwijst daartoe naar een door Roelofs opgestelde memo van 25 juli 2017, waarin is gereageerd op het deskundigenbericht van de StAB en onder meer is toegelicht dat is berekend dat 300 tot 600 verkeersbewegingen per etmaal zullen worden gegenereerd door de bestaande bewoners van de wijk Marsdijk.

5.2.    Over de verkeersgeneratie vanwege de voorzieningen bij het woon-zorgcomplex, die in de eerste fase van Hoekbree zijn mogelijk gemaakt, is ter zitting besproken dat deze voorzieningen op grond van artikel 5, lid 5.1. van de planregels van het bestemmingsplan "Hoekbree" alleen kunnen worden gerealiseerd als zijnde een verzorgende voorziening bij het woon-zorgcomplex en niet als zelfstandige voorzieningen. Niet in geschil is dat hiermee geen rekening hoeft te worden gehouden in de berekening van de verkeersgeneratie met uitzondering van de daar gevestigde huisartsenpost. Voor zover in paragraaf 2.4.2 van het aanvullend deskundigenbericht van de StAB is opgemerkt dat volgens de website van het woon-zorgcomplex de voorzieningen in het complex wel degelijk zijn opengesteld voor niet-bewoners van het complex, overweegt de Afdeling dat dit een kwestie van handhaving van het plan "Hoekbree" betreft die in deze procedure niet aan de orde is.

5.3.    Verder heeft de raad desgevraagd toegelicht dat de bestaande route via de Langbree sneller is dan de tweede ontsluiting via het parkeerterrein, omdat de Langbree breder is en meer als straat is ingericht. De voorziene weg over het parkeerterrein is bochtiger en smaller en is voor een deel van de bewoners een omweg, aldus de raad. De raad heeft daarbij naar voren gebracht te verwachten dat ook een deel van het verkeer vanuit Hoekbree gebruik zal maken van de bestaande ontsluiting via de Langbree. Dit komt de Afdeling niet onaannemelijk voor. Volgens het aanvullend deskundigenbericht van de StAB is het standpunt van de raad dat het verkeer vanuit Hoekbree zich min of meer gelijkelijk zal verdelen over de nieuwe ontsluitingsweg en de Langbree realistisch te achten.

5.4.    Ter zitting is besproken dat de raad bij zijn keuze om een tweede ontsluitingsweg mogelijk te maken niet alleen heeft gekeken naar de te verwachten verkeersgeneratie, maar ook heeft betrokken de belangen van de bewoners van de Langbree, de ligging van een gasleiding middenin het plangebied ter hoogte van het Herepad en de wensen van hulpdiensten om het plangebied aan twee zijden te kunnen ontsluiten. Dit laatste is volgens de raad ter sprake gekomen in een vooroverleg met de Veiligheidsregio Drenthe vanwege de vestiging van een niet zelfredzame groep in het woon-zorgcomplex. Uit de door de raad gegeven toelichting volgt dat - ongeacht de vraag of rekening gehouden had moeten worden met een verkeersgeneratie van 1.000 motorvoertuigen per etmaal of minder - de raad niet zozeer om verkeerskundige redenen heeft gekozen voor een tweede ontsluiting van Hoekbree, maar dat daarbij mede andere belangen zijn betrokken. Gelet op de door de raad gegeven toelichting en de aan de hem toekomende beleidsruimte heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in zoverre in redelijkheid kunnen kiezen voor het realiseren van een tweede ontsluitingsweg van het plangebied.

    Het betoog faalt.

5.5.    Voor zover Aprisco betoogt dat geen goede belangenafweging heeft plaatsgevonden, omdat niet met behulp van een mobiliteitstoets inzichtelijk is gemaakt welke incidenten zich kunnen voordoen op de tweede ontsluitingsweg vat de Afdeling dit op als een beroepsgrond over de verkeersveiligheid van de tweede ontsluitingsweg die hierna zal worden behandeld.

Verkeersveiligheid

6.    Aprisco voert onder verwijzing naar analyse Roelofs 2016 aan dat de voorziene ontsluiting via het parkeerterrein bij haar panden verkeersonveilig is, omdat een groot aantal parkeerplaatsen dwars op de doorgaande weg is gelegen. Daarnaast is aan de noordzijde van de voorziene weg gekozen voor een breedte van 4,5 m. Dit is volgens Aprisco te smal en zal problemen opleveren bij het gelijktijdig passeren van twee voertuigen. Ook is het toevoegen van een extra verkeersstroom door de ontsluitingsweg over het busplein te laten lopen vanuit verkeersveiligheidsoogpunt niet wenselijk, aldus Aprisco.

6.1.    De raad stelt dat een verkeersveilige tweede ontsluitingsweg via het parkeerterrein bij de panden van Aprisco mogelijk is. Volgens de raad wordt de verkeersveiligheid geborgd met de maatregelen die zijn voorzien bij de herinrichting van het openbaar vervoer knooppunt Marsdijk waarvoor een afzonderlijk verkeersbesluit is vastgesteld.

6.2.    In de deskundigenberichten van de StAB is ingegaan op de bezwaren van Aprisco over het ontwerp van de voorziene tweede ontsluitingsweg voor zover dit het deel van de weg betreft over het parkeerterrein naar de Martin Luther Kingweg. Dit ontwerp is opgenomen in het verkeersbesluit van het college van burgemeester en wethouders van 20 januari 2017. Volgens de deskundigenberichten van de StAB kleven er nadelen aan het in het ontwerp voorziene haaks parkeren, maar is ter plaatse van de haakse parkeerplaatsen langs de ontsluitingsweg aan de zijde van het kantoorgebouw van Aprisco wel sprake van een overzichtelijke situatie, mede omdat is gekozen voor een breder wegprofiel en een lage toegestane snelheid. Door de gekozen breedte van 6,84 m kunnen parkeermanoeuvres in een keer worden uitgevoerd. Over de combinatie van de ontsluitingsweg met het busstation vermelden de deskundigenberichten van de StAB dat het wegvak ter hoogte van het busstation tussen de bocht naar de aansluiting op de Martin Luther Kingweg en de slinger in de weg slechts een lengte van 45 m heeft waardoor geen grote snelheden kunnen worden ontwikkeld. Door een apart fietspad aan te leggen naar de ingang van het sportcomplex is aannemelijk dat het aantal fietsers op de hoofdrijbaan afneemt, aldus de deskundigenberichten van de StAB. In het aanvullend deskundigenbericht van de StAB wordt aanbevolen om ook voetgangers ter hoogte van het busstation een duidelijke plaats te geven, bijvoorbeeld door middel van oversteekplaatsen. Verder is daarin ter verduidelijking opgenomen dat de strook haaks parkeren nabij het pand van Aprisco is en niet ter plaatse van de toegang tot het sportterrein, het busstation of de fietsenstallingen. Over de ontwerpbreedte van de rijbaan van 4,5 m van de verbinding tussen het parkeerterrein en het plangebied is in de deskundigenberichten van de StAB geconstateerd dat deze breedte niet voldoet aan het minimale profiel uit de ASVV 2012 van 4,8 m. Bij een breedte van 4,5 m kunnen twee elkaar tegemoetkomende auto’s en een personenauto en een vrachtauto elkaar nog passeren, maar twee elkaar tegemoetkomende vrachtauto’s niet. Tevens is het inhalen van fietsers niet mogelijk bij tegemoetkomend verkeer, aldus het deskundigenbericht van de StAB.

6.3.    Ter zitting heeft de raad over de gekozen rijbaanbreedte van 4,5 m toegelicht dat het vanwege eigendomsgrenzen en de aanwezigheid van een tunnelbak niet mogelijk is om een rijbaanbreedte van 4,8 m te realiseren. Dit is niet bestreden. Uit de deskundigenberichten van de StAB maakt de Afdeling op dat met behulp van maatregelen een verkeersveilige inrichting van de beoogde tweede ontsluitingsweg via het parkeerterrein bij de panden van Aprisco mogelijk is. Daarbij heeft de deskundige van de StAB de analyse van Roelofs 2016 en het door Roelofs opgestelde memo van 25 juli 2017 betrokken. Voor zover Aprisco betoogt dat niet van de bevindingen in de deskundigenberichten van de StAB mag worden uitgegaan, omdat de deskundige het gebied in de meivakantie heeft bezocht en dit geen representatieve periode is, overweegt de Afdeling dat de deskundigenberichten van de StAB niet enkel en alleen zijn gebaseerd op feitelijke waarnemingen ter plaatse. De Afdeling ziet in hetgeen Aprisco heeft aangevoerd geen aanleiding te twijfelen aan de bevindingen in de deskundigenberichten van de StAB.

6.4.    Hetgeen Aprisco verder heeft aangevoerd heeft betrekking op de inrichting van het parkeerterrein bij haar panden en de daar te treffen verkeersmaatregelen. Dit betreffen aspecten die voortvloeien uit het plan maar die niet in het plan worden geregeld en evenmin in deze procedure aan de orde kunnen komen. Voor de inrichting van de voorziene tweede ontsluitingsweg over het betreffende parkeerterrein heeft het college van burgemeester en wethouders van Assen op 20 januari 2017 een verkeersbesluit genomen. Daartegen heeft Aprisco geen rechtsmiddelen aangewend.

6.5.    Gelet op het voorgaande heeft de raad zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat een tweede ontsluitingsweg kan worden gerealiseerd via het parkeerterrein bij de panden van Aprisco die acceptabel is vanuit een oogpunt van verkeersveiligheid en het plan in zoverre uitvoerbaar is. De raad behoefde dan ook in het kader van de vaststelling van het plan geen mobiliteitstoets te verrichten. Dit behoorde evenmin tot de opdracht aan de deskundige van de StAB.

    Het betoog faalt.

Gemeentelijk beleid

7.    Aprisco betoogt dat het plan in strijd is met de principes van Duurzaam Veilig, welke principes worden onderschreven en voorgeschreven door het gemeentelijk beleid in het Gemeentelijk Verkeers- en Vervoersplan. Volgens Aprisco kan niet gesproken worden van homogeniteit en herkenbaarheid doordat de tweede ontsluitingsweg is voorzien over een busplein en parkeerterrein. Verder past volgens Aprisco de gekozen wegbreedte van 6,8 m op het parkeerterrein niet bij de kenmerken van een erftoegangsweg. Daarnaast is de aan de noordzijde gekozen wegbreedte van 4,5 m volgens Aprisco te smal voor voertuigen om elkaar gelijktijdig te kunnen passeren. Verder voert Aprisco aan dat ook het voorziene vrijliggende fietspad en de haakse parkeervakken niet passen bij de ontwerpeisen van een erftoegangsweg. Volgens Aprisco categoriseert de raad de tweede ontsluitingsweg als erftoegangsweg, maar door het niet langszij parkeren, de te brede weg en het afzonderlijke fietspad ontstaat volgens haar een combinatie van een erftoegangsweg met een doorgaande gebiedsontsluitingsweg. Dit is in strijd met de samenhangende ontwerpprincipes van Duurzaam Veilig, aldus Aprisco.

7.1.    De Afdeling stelt vast dat het deel van de verkeersbestemming in het plan, dat aansluit op het parkeerterrein bij de panden van Aprisco en waar de tweede ontsluitingsweg is voorzien, op de verbeelding een minimale breedte heeft van 8 m. Hetgeen Aprisco heeft aangevoerd over de rijbaanbreedtes en het haaks parkeren heeft dan ook alleen betrekking op de inrichting van de voorziene tweede ontsluitingsweg ter plaatse van het parkeerterrein bij haar panden en de aansluiting van deze weg op de Martin Luther Kingweg. Dit is buiten het plangebied. Van vaststelling van het plan in strijd met het gemeentelijk beleid kan in zoverre dan ook geen sprake zijn.

    Het betoog faalt.

Alternatieven voor de tweede ontsluitingsweg

8.    Aprisco voert aan dat de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat er niet een alternatieve ontsluiting kon worden gerealiseerd, bijvoorbeeld recht over het parkeerterrein of rechtstreeks naar de rondweg Peelo in plaats van kruip-door-sluip-door over een parkeerterrein met fietsende kinderen van de sportverenigingen en werknemers van Aprisco.

8.1.    De raad dient bij de keuze van een bestemming een afweging te maken van alle belangen die betrokken zijn bij de vaststelling van het plan. Daarbij heeft de raad beleidsruimte. De voor- en nadelen van alternatieven dienen in die afweging te worden meegenomen.

8.2.    De raad heeft toegelicht dat een aantal alternatieve ontsluitingen is onderzocht, zoals een ontsluiting op het wegvak Peelo, via het fietspad Herepad of alternatieven nabij het parkeerterrein. Ook is het voorstel van Aprisco bezien om de ontsluitingsweg recht over het parkeerterrein aan te leggen. Deze alternatieven zijn volgens de raad niet wenselijk vanwege hogere investeringskosten, meer overlast voor derden of zijn verkeersonveilig. Een rechtstreekse aansluiting op wegvak Peelo is volgens de raad niet wenselijk, omdat de doorstroming op deze stedelijke invalsweg dan wordt gehinderd, de kosten voor een aansluiting op een 2x2 strooksweg hoog zijn en het bovendien ook niet gebruikelijk is om een woonbuurt van deze omvang rechtstreeks aan te sluiten op de verkeershoofdstructuur.

8.3.    Gelet op de toelichting van de raad geeft het aangevoerde geen aanleiding voor het oordeel dat de raad de door Aprisco bedoelde alternatieven onvoldoende in zijn afweging heeft betrokken. De raad heeft er in redelijkheid voor kunnen kiezen in het plan een tweede ontsluitingsweg mogelijk te maken die aansluit op het parkeerterrein bij de panden van Aprisco.

    Het betoog faalt.

Conclusie en proceskosten

9.    Het beroep is ongegrond.

10.    Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

verklaart het beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, en mr. H. Bolt en mr. E.J. Daalder, leden, in tegenwoordigheid van mr. M.G. Alderlieste, griffier.

w.g. Van Ettekoven    w.g. Alderlieste
voorzitter    griffier

Uitgesproken in het openbaar op 17 oktober 2018

590.