Uitspraak 200604193/1

Datum van uitspraak: woensdag 28 februari 2007
Tegen: het college van burgemeester en wethouders van Vught
Proceduresoort: Hoger beroep
Rechtsgebied: Bouwen
ECLI:

ECLI:NL:RVS:2007:AZ9541

200604193/1.
Datum uitspraak: 28 februari 2007

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellanten], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/2957 van de rechtbank 's-Hertogenbosch van 21 april 2006 in het geding tussen:

appellanten

en

het college van burgemeester en wethouders van Vught.

1. Procesverloop

Bij besluit van 19 oktober 2004 heeft het college van burgemeester en wethouders van Vught (hierna: het college) aan [vergunninghouder] een bouwvergunning verleend voor het uitbreiden van de woning op de eerste verdieping, het vernieuwen van de bestaande dakkapel en het plaatsen van een dakkapel op het achterdakvlak van de woning op het perceel [locatie] te [plaats] (hierna: het perceel).

Bij besluit van 10 mei 2005 heeft het college het door appellanten daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 21 april 2006, verzonden op 26 april 2006, heeft de rechtbank 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellanten ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak hebben appellanten bij brief van 6 juni 2006, bij de Raad van State ingekomen op 7 juni 2006, hoger beroep ingesteld. De gronden zijn aangevuld bij brief van 5 juli 2006. Deze brieven zijn aangehecht.

Bij brief van 7 augustus 2006 heeft het college van antwoord gediend.

[vergunninghouder] is in de gelegenheid gesteld als partij aan het geding deel te nemen.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellanten. Deze zijn aan de andere partijen toegezonden.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 23 januari 2007, waar het college, vertegenwoordigd door D.N. Bastin, ambtenaar van de gemeente, is verschenen. Appellanten zijn met bericht van verhindering niet verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Het verweer van het college dat de rechtbank het beroep van appellanten niet-ontvankelijk had moeten verklaren wegens het ontbreken van procesbelang, nu zij het perceel op 19 juli 2005 hebben verkocht, kan niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Procesbelang kan bestaan indien appellanten stellen schade te hebben geleden ten gevolge van bestuurlijke besluitvorming. Daartoe is vereist dat tot op zekere hoogte aannemelijk wordt gemaakt dat deze schade daadwerkelijk is geleden als gevolg van de verleende vergunning. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat appellanten met het overleggen van het schade-advies van Van den Berk & Kerkhof van 20 januari 2006 tot op zekere hoogte aannemelijk hebben gemaakt dat zij schade hebben geleden ten gevolge van de verleende vergunning. Voor een verdergaande beoordeling van de gestelde schade is, anders dan het college van mening is, geen ruimte bij de beoordeling van de ontvankelijkheid.

2.2. Ingevolge het bestemmingsplan "Loonsebaan-West-herziening 1985" (hierna: het bestemmingsplan) rust op het perceel de bestemming "Woondoeleinden Wc (vrijstaande eengezinshuizen)".

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder G1, van de bij dit plan behorende voorschriften wordt onder hoofdgebouw verstaan een vrijstaand of een aan (een) ander(e) hoofdgebouw(en) aangebouwd gebouw waarin de hoofdruimten van een woning zijn ondergebracht en dat zich vanwege een grotere en in het algemeen hogere bouwmassa van bijgebouwen onderscheidt.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder G2, van de planvoorschriften wordt onder een bijgebouw verstaan een vrijstaand of aangebouwd gebouw, dat een gebruikseenheid vormt met en dienstbaar is aan het hoofdgebouw.

Ingevolge artikel 5, lid A, van de planvoorschriften, voor zover thans van belang, mogen op gronden met de bestemming "Woondoeleinden Wc" uitsluitend worden gebouwd:

1. vrijstaande eengezinshuizen;

2. aangebouwde en vrijstaande bijgebouwen ten dienste van woondoeleinden, zoals woon-, werk- en hobbyruimten, bergingen, garages, huisdierenverblijven, serres en kassen;

3. andere bouwwerken ten dienste van woondoeleinden, zoals pergola's, hekwerken, muren e.d..

2.3. Het bouwplan voorziet in een vergroting van de kap boven een garage en bijkeuken, alsmede plaatsing van een dakkapel op deze kap.

2.4. Appellanten betogen dat de rechtbank het bouwplan ten onrechte niet heeft aangemerkt als bijgebouw maar als uitbreiding van het hoofdgebouw.

2.4.1. Uitgangspunt is, zoals appellanten terecht betogen, dat, nu in de planvoorschriften een definitie is opgenomen van de begrippen bijgebouw en hoofdgebouw, het bouwplan dient te worden getoetst aan die definities.

Ingevolge artikel 1, aanhef en onder G2, van de planvoorschriften moet een bijgebouw dienstbaar zijn aan het hoofdgebouw. Dit impliceert dat een bijgebouw bouwkundig ondergeschikt moet zijn aan het hoofdgebouw. Blijkens de bouwtekeningen vormen de garage en bijkeuken met kap en de bestaande woning een bouwkundige eenheid. Het bouwplan maakt dan ook onderdeel uit van die woning. Gelet hierop, heeft de rechtbank terecht geoordeeld dat het bouwplan in bouwkundig opzicht niet ondergeschikt is aan de woning en derhalve niet kan worden aangemerkt als een bijgebouw. De stelling van appellanten dat de garage met bijkeuken een lagere nokhoogte heeft dan de woning en de vloer op de zolderverdieping van de garage lager ligt dan de vloer op de tweede bouwlaag van de woning doet aan de bouwkundige verbondenheid niet af en leidt derhalve niet tot een ander oordeel. Nu het bouwplan, als onderdeel van de woning, voldoet aan de in artikel 1, aanhef en onder G1, van de planvoorschriften neergelegde definitie van het begrip hoofdgebouw, heeft de rechtbank het bouwplan terecht als een uitbreiding van het hoofdgebouw aangemerkt.

Het betoog faalt.

2.5. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd. Het op artikel 8:73 van de Algemene wet bestuursrecht gebaseerde verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. D.A.C. Slump, Voorzitter, en mr. W.D.M. van Diepenbeek en mr. S.J.E. Horstink-von Meyenfeldt, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A.A. van Roessel, ambtenaar van Staat.

w.g. Slump w.g. Van Roessel
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 28 februari 2007

328-457.