Uitspraak 202301062/1/R2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4873
- Datum uitspraak
- 19 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- De Afdeling bestuursrechtspraak heeft de bezwaren tegen het bestemmingsplan ‘Commandoterrein’ van de gemeente Roosendaal ongegrond verklaard. Daarmee is het bestemmingsplan definitief geworden. Door de groei van het Korps Commando Troepen en in het kader van de veiligheid van de kazerne, wil de gemeente het kazerneterrein uitbreiden. Ook worden bestaande gebouwen verduurzaamd en het terrein opnieuw ingericht. Enkele bewoners van de Kortendijksestraat zijn het hier niet mee eens en zijn tegen het bestemmingsplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat er te dicht bij hun woningen gebouwd gaat worden en dat torens en installaties te hoog worden. Ze zijn bang dat dit ten koste gaat van het ongestoorde gebruik van hun achtertuinen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft deze rechtszaak al in september 2024 op een zitting behandeld. Op verzoek van de gemeenteraad is de zaak toen aangehouden en nog geen uitspraak gedaan. De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan daarna nog aangepast door de hoogten van de gebouwen te verlagen. De eerdere bezwaarmakers zijn hier tevreden mee en hebben hun bezwaren tegen het bestemmingsplan ingetrokken, maar enkele andere omwonenden hadden juist moeite met de aanpassingen in het bestemmingsplan en kwamen daartegen in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat hun achtertuinen nu juist te dicht bij de nieuwbouw op het commandoterrein komen te liggen. Hoewel de Afdeling bestuursrechtspraak begrip heeft voor het standpunt van de ‘nieuwe bezwaarmakers’ over het gewenste ongestoorde gebruik van hun achtertuinen, is haar oordeel dat de gemeenteraad zich op het standpunt mocht stellen dat er voldoende afstand is tussen de achterste perceelsgrenzen tot aan de plek waar de nieuwbouw op het commandoterrein mag komen. De inbreuk op het ongestoorde gebruik van de achtertuinen is niet zodanig dat dit in strijd is met een goede ruimtelijke ordening. De afstand tot alle achtertuinen van de Kortendijksestraat hoeft niet dezelfde te zijn. De gemeenteraad mocht in aanmerking mogen nemen dat de situaties niet gelijk zijn. Het gaat bij de 'nieuwe bezwaarmakers' namelijk om grotere achtertuinen en daardoor om een veel grotere afstand tot de woningen, aldus de Afdeling bestuursrechtspraak.
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- RO - Noord-Brabant
Toon inhoud
202301062/1/R2.
Datum uitspraak: 19 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak in het geding tussen:
1. [appellant sub 1A] en [appellant sub 1B], beiden wonend in Roosendaal,
2. [appellant sub 2A] en [appellant sub 2B], beiden wonend in Roosendaal,
appellanten,
en
de raad van de gemeente Roosendaal,
verweerder.
Procesverloop
Bij besluit van 1 december 2022 heeft de raad het bestemmingsplan "Commandoterrein" (het bestemmingsplan) vastgesteld.
Tegen dit besluit hebben [persoon A] en [persoon B] en [persoon C] en [persoon D] beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De minister van Defensie heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
De Afdeling heeft de zaak op een zitting behandeld op 26 september 2024, waar [persoon A] en [persoon B] en [persoon C] en [persoon D], vertegenwoordigd door mr. R.J. Grasmeijer, rechtsbijstandverlener in Amsterdam, en de raad, vertegenwoordigd door M. Mutsaers, zijn verschenen. Verder is daar de minister van Defensie, vertegenwoordigd door mr. L.M. Vodegel en M. Huijbregts, als partij gehoord.
De Afdeling heeft het onderzoek ter zitting geschorst om de raad de gelegenheid te geven het bestemmingsplan op onderdelen te wijzigen.
Bij besluit van 6 februari 2025 heeft de raad het bestemmingsplan "Commandoterrein" opnieuw en gewijzigd vastgesteld.
[persoon A] en [persoon B] en [persoon C] en [persoon D] hebben daarop hun beroepen ingetrokken.
Tegen het besluit van 6 februari 2025 hebben [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2 beroep ingesteld.
De raad heeft een verweerschrift ingediend.
De minister van Defensie heeft een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[persoon A] en [persoon B] en [persoon C] en [persoon D] hebben een schriftelijke uiteenzetting gegeven.
[appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] hebben nadere stukken ingediend.
De Afdeling heeft de zaak op een tweede zitting behandeld op 2 juni 2026, waar [appellanten sub 1], bijgestaan door mr. M. Busse, rechtsbijstandverlener in Goes, [appellanten sub 2], en de raad, vertegenwoordigd door ing. M. Volbeda, zijn verschenen. Verder is daar de minister van Defensie, vertegenwoordigd door mr. A.M.J. van der Harten en drs. J.P. Ragetlie, als partij gehoord.
Overwegingen
Overgangsrecht inwerkingtreding Omgevingswet
1. Op 1 januari 2024 zijn de Omgevingswet en de Invoeringswet Omgevingswet in werking getreden. Op grond van artikel 4.6, derde lid, van de Invoeringswet Omgevingswet blijft op een beroep tegen een besluit tot vaststelling van een bestemmingsplan waarvan het ontwerp vóór het tijdstip van inwerkingtreding van de Omgevingswet ter inzage is gelegd het recht zoals dat gold onmiddellijk vóór dat tijdstip van toepassing tot het bestemmingsplan onherroepelijk is.
Het ontwerpplan is op 10 januari 2022 ter inzage gelegd. Dat betekent dat op deze beroepsprocedure het recht, waaronder de Wet ruimtelijke ordening, zoals dat gold vóór 1 januari 2024 van toepassing blijft.
Inleiding
2. Het bestemmingsplan is vastgesteld ten behoeve van de uitbreiding van het bestaande kazerneterrein Engelbrecht van Nassau in Roosendaal. Deze kazerne is de thuisbasis van het Korps Commando Troepen (KCT). Door de groei van het KCT en door de noodzaak om diverse maatregelen te treffen ter verhoging van de veiligheid van de kazerne, moet volgens de plantoelichting het kazerneterrein worden doorontwikkeld en uitgebreid. Daarvoor is onder meer een terrein met een agrarische bestemming aangekocht dat aan de westzijde ervan direct grenst aan het kazerneterrein. De zuidzijde van dit terrein grenst aan de achtererven van bestaande woningen aan de Kortendijksestraat.
3. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] wonen aan de Kortendijksestraat. Door het bestemmingsplan breidt het kazerneterrein uit tot achter hun percelen.
4. Zoals blijkt uit het procesverloop, hebben [persoon A] en [persoon B] en [persoon C] en [persoon D] hun beroepen ingetrokken. In deze uitspraak wordt dan ook alleen geoordeeld over de beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] tegen het besluit van 6 februari 2025 (het besluit).
Toetsingskader
5. Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling oordeelt niet zelf of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. Daarbij kan aan de orde komen of de nadelige gevolgen van het plan onevenredig zijn in verhouding tot de met het plan te dienen doelen.
De beroepen
6. [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] betogen dat in het besluit ten onrechte niet is gemotiveerd waarom voor de percelen Kortendijksestraat [nummer A] tot en met [nummer B], waaronder hun percelen, een kortere afstand tot de zone waarin tot maximaal 12 m hoog mag worden gebouwd is opgenomen, dan voor Kortendijksestraat [nummer C] en [nummer D], de percelen van de oorspronkelijke appellanten. Die afstand tot de achterste perceelsgrenzen is voor Kortendijksestraat [nummer C] en [nummer D] ongeveer 51 m en voor hen ongeveer 23 m. Deze afstand had volgens hen gelijk moeten zijn. Zij stellen daarom dat de zone op de verbeelding waarin de maximale bouwhoogte is verlaagd tot 12 m, had moeten verspringen. Op die wijze hadden zij op dezelfde wijze als de bewoners van de percelen Kortendijksestraat [nummer C] en [nummer D] kunnen profiteren van een grotere afstand tot de zone waar tot 12 m hoogte mag worden gebouwd. Dat dit niet op deze wijze in het plan is geregeld, is volgens hen in strijd met een goede ruimtelijke ordening.
6.1. De raad heeft in reactie op het betoog gewezen op de veel diepere achtertuinen die horen bij de percelen van [appellanten sub 1] (Kortendijksestraat [nummer E]) en [appellanten sub 2] (Kortendijksestraat [nummer F]), dan de achtertuinen die horen bij de percelen Kortendijksestraat [nummer C] en [nummer D]. De raad stelt dat hij mede daarom de afstand van ongeveer 23 m tussen de achterste perceelsgrenzen van Kortendijksestraat [nummer E] en [nummer F] tot aan het bouwvlak waar tot 12 m hoogte mag worden gebouwd, ruimtelijk aanvaardbaar vindt. De raad heeft daar verder bij in aanmerking genomen dat de afstand van het bouwvlak waar tot 12 m hoog mag worden gebouwd, tot de woningen (en dus niet de achterzijde van hun percelen) van [appellanten sub 1] en van [appellanten sub 2], minimaal 80 m bedraagt. Verder acht de raad van belang dat het gaat om verstedelijkt gebied.
6.2. Hoewel de Afdeling begrip heeft voor het standpunt van appellanten over het gewenste ongestoorde gebruik van hun achtertuinen, oordeelt zij, de situatie als geheel overziend, dat de raad zich op het standpunt mocht stellen dat de in acht genomen afstand tussen de achterste perceelsgrenzen van Kortendijksestraat [nummer E] en nummer F] tot aan het bouwvlak waar tot 12 m hoogte mag worden gebouwd, namelijk circa 23 m, voldoende is. De planregeling maakt op dit punt niet zo’n inbreuk op het ongestoorde gebruik van de achtertuinen van appellanten dat het strijd met een goede ruimtelijke ordening oplevert.
Dat de planregeling voorziet in een grotere afstand tussen het bouwvlak waar tot 12 m hoog mag worden gebouwd en de achtertuinen van Kortendijksestraat [nummer C] en [nummer D], maakt niet dat een gelijke afstand tot de achtertuinen van de Kortendijksestraat [nummer E] en [nummer F] had moeten worden opgenomen in het plan. De raad heeft in aanmerking mogen nemen dat het gaat om een andere situatie, namelijk grotere achtertuinen en daardoor een veel grotere afstand tot de woningen.
Het betoog slaagt niet.
Conclusie
7. De beroepen van [appellanten sub 1] en [appellanten sub 2] tegen het besluit van 6 februari 2025 zijn ongegrond. Dit betekent dat dat besluit in stand blijft.
8. De raad hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
verklaart de beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. D.A. Verburg, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. D.L. Bolleboom, griffier.
w.g. Verburg
lid van de enkelvoudige kamer
w.g. Bolleboom
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 19 augustus 2026
641
Bestemmingsplan om de kazerne van de commando’s in Roosendaal uit te breiden
Uitspraak over het bestemmingsplan ‘Commandoterrein’ dat de gemeenteraad van Roosendaal heeft vastgesteld. In Roosendaal staat de Engelbrecht van Nassaukazerne. De kazerne is de thuisbasis van het Korps Commando Troepen (KCT). Door de groei van het KCT, maar ook in het kader van de veiligheid van de kazerne, wil de gemeente het kazerneterrein uitbreiden. Naast het uitbreiden van de bestaande kazerne, worden bestaande gebouwen verduurzaamd en het terrein opnieuw ingericht. Enkele omwonenden zijn het hier niet mee eens en komen tegen het bestemmingsplan in beroep bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Zij vinden dat er te dicht bij hun woningen gebouwd gaat worden en dat torens en installaties te hoog worden. Ze zijn bang dat dit ten koste gaat van het ongestoorde gebruik van hun achtertuinen. De Afdeling bestuursrechtspraak heeft deze zaak al in september 2024 op een zitting behandeld. Op verzoek van de gemeenteraad is de zaak toen aangehouden en nog geen uitspraak gedaan. De gemeenteraad heeft het bestemmingsplan daarna nog aangepast door de hoogten van de gebouwen te verlagen. De eerdere bezwaarmakers hebben hun beroep vervolgens ingetrokken, maar enkele andere omwonenden zijn juist tegen het aangepaste bestemmingsplan in beroep gekomen bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Die heeft de zaak op 2 juni 2026 op zitting behandeld.