Uitspraak BRS.26.003477
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4514
- Datum uitspraak
- 5 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 7 maart 2024, vervangen door het besluit van 7 augustus 2025, heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten. Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.003477 en BRS.26.003478
ECLI:NL:RVS:2026:4514
Datum uitspraak: 5 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[appellant],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 24 maart 2026 in zaak nr. NL24.11593 in het geding tussen:
[appellant]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 7 maart 2024, vervangen door het besluit van 7 augustus 2025, heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten.
Bij uitspraak van 24 maart 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De termijn voor het instellen van het hoger beroep eindigde op 21 april 2026. Uw hogerberoepschrift is ruim twee maanden daarna bij de Raad van State binnengekomen. U heeft het hogerberoepschrift daarom niet op tijd ingediend. Wat u als reden voor de late indiening heeft aangevoerd, is mede vanwege de aanzienlijke termijnoverschrijding geen reden om het hoger beroep alsnog in behandeling te nemen.
2. Het hoger beroep is niet-ontvankelijk. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. verklaart het hoger beroep niet-ontvankelijk;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Sevenster, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. N.A. de Jong, griffier.
w.g. Sevenster
voorzieningenrechter
w.g. De Jong
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 5 augustus 2026
981