Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 202304497/1/A2

Uitspraak 202304497/1/A2

ECLI
ECLI:NL:RVS:2024:4544
Datum uitspraak
28 oktober 2024
Inhoudsindicatie
[appellant] woont in een woning aan de [locatie 1] in Almere. Het college van burgemeester en wethouders van Almere heeft op 28 april 2022 een verkeersbesluit genomen, waarbij twee parkeerplaatsen ter hoogte van de [locatie 2] in Almere zijn aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen. Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 17 april 2023, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 24 september 2022, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat [appellant] geen belanghebbende is bij het genomen besluit. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen zicht heeft op de laadpaal, dat de afstand tussen zijn woonadres en de laadpaal meer dan 200 meter is, en dat er geen gevolgen van enige betekenis in termen van parkeerdruk, toename van autoverkeer langs zijn woonadres, of anderszins zijn.
  • Hoger beroep
  • Mondelinge uitspraak
  • Wegenverkeerswet

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

202304497/1/A2.
Datum uitspraak: 28 oktober 2024

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb)) op het hoger beroep van:

[appellant], wonend in Almere,

appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Midden­-Nederland van 24 mei 2023 in zaak nr. 22/5479 in het geding tussen:

[appellant]

en

het college van burgemeester en wethouders van Almere (hierna: het college)

Openbare zitting gehouden op 28 oktober 2024 om 14:30 uur.

Tegenwoordig:

Staatsraad mr. J.Th. Drop, lid van de enkelvoudige kamer
Griffier: mr. M. Rijsdijk
Jurist: mr. F.F. Schuhmacher

Verschenen:

[appellant], vergezeld van [gemachtigde];
het college, vertegenwoordigd door J.C. Haan, S. Wezenberg en J.J. van Sluis.

[appellant] woont in een woning aan de [locatie 1] in Almere. Het college heeft op 28 april 2022 een verkeersbesluit genomen, waarbij twee parkeerplaatsen ter hoogte van de [locatie 2] in Almere zijn aangewezen voor het opladen van elektrische voertuigen.

Het daartegen gemaakte bezwaar heeft het college bij besluit van 17 april 2023, onder verwijzing naar het advies van de bezwaarschriftencommissie van 24 september 2022, niet-ontvankelijk verklaard op de grond dat [appellant] geen belanghebbende is bij het genomen besluit. Daarbij heeft het college zich op het standpunt gesteld dat [appellant] geen zicht heeft op de laadpaal, dat de afstand tussen zijn woonadres en de laadpaal meer dan 200 meter is, en dat er geen gevolgen van enige betekenis in termen van parkeerdruk, toename van autoverkeer langs zijn woonadres, of anderszins zijn.

De rechtbank heeft het beroep bij uitspraak van 24 mei 2023 ongegrond verklaard.

Het hoger beroep richt zich tegen deze uitspraak.

Beslissing

De Afdeling bevestigt de aangevallen uitspraak.

Gronden

In artikel 1:2, eerste lid, van de Awb wordt onder belanghebbende degene verstaan wiens belang rechtstreeks bij een besluit is betrokken.

Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (zie bijvoorbeeld de uitspraken van 25 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX2597, van 14 februari 2018, ECLI:NL:RVS:2018:506, en van 1 juli 2020, ECLI:NL:RVS:2020:1541), is met het stellen van het vereiste van het zijn van belanghebbende een zekere begrenzing beoogd ten aanzien van de mogelijkheid tegen een besluit bezwaar te maken en beroep in te stellen. Het is niet de bedoeling van de wetgever geweest om tegen een verkeersbesluit beroep open te stellen voor een ieder. Bij verkeersbesluiten moet dan ook van geval tot geval worden onderzocht wiens belangen rechtstreeks bij een dergelijk besluit zijn betrokken. In de hiervoor genoemde uitspraken heeft de Afdeling verder overwogen dat een persoon slechts belanghebbende bij een verkeersbesluit is indien hij of zij een bijzonder, individueel belang heeft bij dat besluit, welk belang zich in voldoende mate onderscheidt van dat van andere weggebruikers.

De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat het college [appellant] terecht niet heeft aangemerkt als belanghebbende. Het bijzonder individueel belang dat [appellant] stelt te hebben bij het verkeersbesluit onderscheidt zich in onvoldoende mate van dat van andere weggebruikers om hem aan te merken als belanghebbende. Daarbij neemt de Afdeling in aanmerking dat de laadplaatsen niet in de onmiddellijke nabijheid van de woning van [appellant] zijn gelegen en hij vanuit de woning daarop ook geen zicht heeft, hetgeen hij overigens ook niet heeft betwist. Verder heeft hij niet aannemelijk gemaakt dat de parkeerdruk in de Jamaicastraat als gevolg van het besluit is toegenomen. Daarbij heeft het college er terecht en onweersproken op gewezen dat hij in ieder geval één auto op eigen terrein kan parkeren. Dat [appellant], naar hij stelt, altijd door de Puerto Ricostraat moet uitrijden en de laadplaatsen een onveilige verkeerssituatie veroorzaken, maakt hem nog geen belanghebbende. De verkeerssituatie wordt, anders dan hij stelt, door het verkeersbesluit niet ingrijpend veranderd. Dat [appellant] binnen de door het college gehanteerde afstand van 250 meter (loopafstand) vanaf de laadplaatsen woont, is ook onvoldoende om hem als belanghebbende aan te merken. Het college heeft toegelicht dat deze afstand alleen wordt gehanteerd bij het aanvragen van laadplaatsen. Naar het oordeel van de Afdeling is de afstand tussen de woning en de laadplaatsen zo groot dat [appellant] ook daarom geen belanghebbende is.

De conclusie is dus dat zijn belang zich onvoldoende onderscheidt van andere weggebruikers, zodat hij geen belanghebbende is.

Het hoger beroep is ongegrond.

Het college hoeft geen proceskosten te vergoeden.

w.g. Drop
lid van de enkelvoudige kamer

w.g. Rijsdijk
griffier

705-1132


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon