Uitspraak 201908317/1/R1


Volledige tekst

201908317/1/R1.
Datum uitspraak: 6 januari 2021

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak en tussenuitspraak met toepassing van artikel 8:51d van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) in het geding tussen:

1.    Speelpark Oud Valkeveen B.V. (hierna: Oud Valkeveen), gevestigd te Naarden,

2.    Stichting De Limiten en Valkeveen (hierna: De Limiten), gevestigd te Naarden, en anderen,

3.    Vereniging Vrienden van ’t Gooi (hierna: VVG), gevestigd te Huizen,

4.    Stichting Behoud Gooise Heide (hierna: SBGH), gevestigd te Bussum,

appellanten,

en

de raad van de gemeente Gooise Meren,

verweerder.

Procesverloop

Bij besluit van 9 oktober 2019 heeft de raad het bestemmingsplan "Oud Valkeveen e.o. 2019" vastgesteld.

Tegen dit besluit hebben Oud Valkeveen, De Limiten en anderen, VVG en SBGH beroep ingesteld.

De raad heeft een verweerschrift ingediend.

Oud Valkeveen, De Limiten en anderen, VVG en SBGH hebben nadere stukken ingediend.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2020, waar Oud Valkeveen, vertegenwoordigd door mr. J.S. Haakmeester, advocaat te Baarn, De Limiten en anderen, vertegenwoordigd door [gemachtigde A] en [gemachtigde B], bijgestaan door mr. H. Koolen, advocaat te Amsterdam en [gemachtigde C], VVG, vertegenwoordigd door [gemachtigde D] en [gemachtigde E], SBGH, vertegenwoordigd door mr. drs. P.B.Ph.M. Bogaers, rechtsbijstandverlener te Bussum, bijgestaan door [gemachtigde F] en de raad, vertegenwoordigd door mr. W. Verbeek, bijgestaan door P.J.H. van der Linden en drs. F.H. Bruens, zijn verschenen.

Overwegingen

Inleiding

Het huidige speelpark

1.    Het plan heeft betrekking op het speelpark Oud Valkeveen, dat aan de zuidzijde worden begrensd door de Oud Huizerweg/Meentweg en aan de noordzijde door het Gooimeer. Het speelpark ligt op korte afstand van het Natura 2000-gebied Eemmeer & Gooimeer Zuidoever en het gebied Gooise Noordflank, dat onderdeel is van het Natuurnetwerk Nederland (hierna: NNN). Voor het Natura 2000-gebied zijn geen stikstofgevoelige habitattypen of leefgebieden aangewezen.

Het speelpark richt zich op kinderen in de basisschoolleeftijd. Het heeft onder meer een grote buitenspeeltuin, een binnenspeeltuin, een strand, diverse horecavoorzieningen en een theater. De huidige eigenares heeft het speelpark sinds 2004 in eigendom en heeft het sindsdien opgeknapt en uitgebreid. Verspreid over het speelpark bevinden zich een aantal gebouwen en bijna 40 speel- en attractietoestellen. Aan de zuid- en zuidoostzijde van het speelpark bevindt zich een parkeerterrein met ongeveer 500 parkeerplaatsen. Het speelpark huurt aan de noordzijde, tot aan het Gooimeer, een stuk grond van Staatsbosbeheer. Dit is al vele jaren in gebruik bij het speelpark als strand. Gedurende het seizoen staat hier ook een luchtkussenpark. Aan de westzijde ligt een weiland, ook in eigendom bij Staatsbosbeheer. Dat mag gedurende een periode van maximaal 10 jaar en maximaal 20 dagen per jaar worden gebruikt als overloopparkeerterrein voor het speelpark op piekdagen. Voor dit gebruik is een omgevingsvergunning verleend.

Voor het grootste deel van het plangebied gold voor de inwerkingtreding van dit plan het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied". Bij uitspraak van 18 augustus 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BN4276, heeft de Afdeling het goedkeuringsbesluit voor het plandeel met de bestemming 'Horecadoeleinden' op het perceel Oud Huizerweg 2a (ook wel bekend als het gebouw "Gloeiende Gerrit") uit dat plan vernietigd. Daar geldt daarom nog het bestemmingsplan "Valkeveen e.o. 1976 1e herziening".

Het nieuwe plan

2.    Volgens de raad zijn de planregels en de plansystematiek van de geldende plannen verouderd en bieden ze niet meer voldoende basis om een goede ruimtelijke ordening te kunnen verzekeren. Ruimtelijk gezien ligt het speelpark op een gevoelige locatie in de nabijheid van woningen, een begraafplaats en belangrijke natuurwaarden. Zowel de participatie van omwonenden, de visie van de ondernemer als de onderzoeken geven volgens de raad aanleiding om de bestaande bouwmogelijkheden voor speel- en attractietoestellen in te perken. Er is gekozen voor een nieuwe planregeling waarbij een zonering is aangebracht van delen van het speelpark waar volgens de raad meer beperkingen gesteld moeten worden en delen waar minder beperkingen nodig zijn. Voor de buitenzone van het speelpark zijn in het plan meer beperkingen opgenomen dan voor de middenzone. Het plan heeft volgens de raad tot doel de voortzetting van het speelpark mogelijk te maken en daarbij te voorkomen dat dit leidt tot een significante intensivering van het huidige gebruik van het speelpark of een aantasting van natuurwaarden. De raad wil ook voorkomen dat het speelpark een attractiepark wordt en daardoor zijn oorspronkelijke karakter van "een grote kinderspeeltuin" verliest. Een van de grote oorzaken van overlast voor omwonenden is op dit moment het gebrek aan parkeerplaatsen voor de bezoekers van het speelpark. Er wordt daardoor veel in de berm geparkeerd. Er is vanwege deze problemen in 2018 een omgevingsvergunning verleend voor het gebruik van een weiland als overloopparkeerplaats op maximaal 20 dagen per jaar voor 10 jaar. Deze tijdelijke parkeerfunctie is ook in het plan opgenomen. Omdat dit geen permanente oplossing biedt, is in het plan ook een wijzigingsbevoegdheid opgenomen waarmee het onder voorwaarden mogelijk wordt om aan de oostzijde van het speelpark in het bos te parkeren. Deze gronden zijn in eigendom bij Staatsbosbeheer. Staatsbosbeheer wil de gronden volgens de plantoelichting verkopen onder meer onder de voorwaarde dat een perceel van het speelpark onderdeel wordt van het NNN.

Appellanten

3.    Oud Valkeveen, de eigenares van het speelpark, is het niet eens met het plan. Oud Valkeveen stelt te hebben geaccepteerd dat haar exploitatiemogelijkheden worden ingeperkt, maar vindt het plan zoals dat nu is vastgesteld, te beperkend voor haar bedrijfsvoering. Volgens Oud Valkeveen is geen enkele groei of verandering van het speelpark meer mogelijk en bestaat er vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening geen reden voor deze vergaande beperkingen.

Verder zijn SBGH, De Limiten en anderen en VVG tegen het plan in beroep gekomen. Zij zijn niet tegen de aanwezigheid van het speelpark, maar vinden het met name niet acceptabel dat in het plan ten behoeve van een nieuwe parkeerplaats voor het speelpark een stuk natuur verdwijnt waarin beschermde soorten leven. Volgens hen dienen de parkeerproblemen op het eigen terrein van het speelpark opgelost te worden. De raad heeft volgens hen onvoldoende onderzocht wat de gevolgen voor de natuur zijn van de wijzigingsbevoegdheid, waarmee parkeren in het bos mogelijk wordt gemaakt.

Toetsingskader

4.    Bij de vaststelling van een bestemmingsplan moet de raad bestemmingen aanwijzen en regels geven die de raad uit een oogpunt van een goede ruimtelijke ordening nodig acht. De raad heeft daarbij beleidsruimte en moet de betrokken belangen afwegen. De Afdeling beoordeelt aan de hand van de beroepsgronden of het besluit tot vaststelling van het bestemmingsplan in overeenstemming is met het recht. De Afdeling stelt niet zelf vast of het plan in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar beoordeelt aan de hand van die gronden of de raad zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het plan strekt ten behoeve van een goede ruimtelijke ordening.

5.    Ingevolge artikel 8:51d van de Awb kan de Afdeling het bestuursorgaan opdragen een gebrek in het bestreden besluit te herstellen of te laten herstellen.

6.    De relevante planregels die ten grondslag liggen aan de volgende rechtsoverwegingen, zijn opgenomen in de bijlage bij deze uitspraak.

Procedurele aspecten

Ontvankelijkheid SBGH

7.    De raad stelt zich op het standpunt dat SBGH geen belanghebbende is bij het besluit tot vaststelling van het plan, omdat de statutaire doelstelling van de stichting ziet op infrastructuur en een speelpark en parkeerterrein niet onder infrastructuur vallen. De natuur in en rondom het plan valt bovendien niet onder heide. De stichting komt voor de bescherming van de Gooise heide op. Het beroep dient volgens de raad daarom niet-ontvankelijk te worden verklaart.

7.1.    De statutaire doelstelling van SBGH luidt: "De stichting heeft ten doel te bevorderen dat bij alle maatregelen betreffende natuur, het landschap en het milieu van Het Gooi en zijn omgeving, die het karakter van Het Gooi mede bepalen, ongeacht of deze maatregelen worden genomen door openbare of particuliere instellingen of door rechterlijke instanties, bestuurlijke instanties of wetgevende lichamen de belangen van de bescherming van natuur, landschap en milieu, elk op zich en in onderling verband beschouwd de eerste overweging vormen. Daarnaast heeft de stichting ten doel te voorkomen dat de natuur, het landschap en het milieu van Het Gooi en zijn omgeving, al deze begrippen in de breedste zin van het woord (...) worden aangetast door infrastructurele werken en/of bebouwing. Hierbij gaat het er om de natuur (...) en het landschap, waarvan deze natuurgebieden deel uit maken, evenals het milieu dat voorwaarde scheppend is voor het behoud en versterking van natuur en landschap in Het Gooi ten eeuwigen dage ongeschonden te behouden en te versterken en te streven naar een milieubeheer en een ruimtelijke ordening, die aantasting van natuur- en cultuurwaarden tegengaan of voorkomen, waarbij de flora en fauna van de natuurgebieden in Het Gooi worden beschermd, evenals de daar aanwezige geologische, cultuurhistorische en landschappelijke waarden, evenals al datgene, dat het karakter van deze natuurgebieden bepaalt; en voorts al hetgeen met een en ander rechtstreeks of zijdelings verband houdt of daartoe bevorderlijk kan zijn, alles in de ruimste zin van het woord. (...)".

7.2.    Het plangebied ligt binnen het werkgebied van SBGH en de statutaire doelstelling van SBGH ziet onder meer op het voorkomen van de aantasting van natuur, het landschap en het milieu door infrastructurele werken en bebouwing. Naar het oordeel van de Afdeling is SBGH gelet daarop belanghebbende bij het besluit tot vaststelling van dit plan, dat namelijk gevolgen kan hebben voor de natuur en het landschap. Daarbij is van belang dat parkeerplaatsen als onderdeel van de verkeersinfrastructuur kunnen worden beschouwd. Het beroep van SBGH is ontvankelijk.

Ontvankelijkheid De Limiten en anderen

8.    Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb wordt het bezwaar- of beroepschrift ondertekend en bevat het ten minste onder meer de naam en het adres van de indiener.

Ingevolge artikel 6:6, onder a, kan het bezwaar of beroep niet-ontvankelijk worden verklaard, indien niet is voldaan aan artikel 6:5 of aan enig ander bij de wet gesteld vereiste voor het in behandeling nemen van het bezwaar of beroep, mits de indiener de gelegenheid heeft gehad het verzuim te herstellen binnen een hem daartoe gestelde termijn.

8.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (onder meer in haar uitspraak van 20 juli 2005, ECLI:NL:RVS:2005:AT9632), kan de omstandigheid dat beroep wordt ingesteld namens een persoon of personen van wie tijdens de beroepstermijn de identiteit niet kenbaar is, niet worden beschouwd als een vormverzuim dat op grond van artikel 6:6 van de Awb kan worden hersteld. In dat geval staat tijdens de beroepstermijn namelijk in het geheel nog niet vast wie beroep heeft willen instellen. De artikelen 6:5 en 6:6 van de Awb strekken er niet toe het mogelijk te maken beroep in te stellen namens nog onbekende personen. De in artikel 8:1, in samenhang met de artikelen 6:7 en 6:11 van de Awb, neergelegde regeling met betrekking tot de beroepstermijn brengt met zich dat de identiteit van degene(n) namens wie beroep wordt ingesteld, voor afloop van de beroepstermijn kenbaar moet zijn.

8.2.    Door De Limiten en anderen is beroep ingesteld mede namens bewoners van het Valkeveense gebied. Uit het beroepschrift blijkt niet de identiteit van deze bewoners. Pas na de beroepstermijn is een lijst met de namen en adressen van de bewoners overgelegd. Gelet hierop voldoet het beroep, voor zover dat is ingesteld door de bewoners van het Valkeveense gebied, niet aan de vereisten van artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder a, van de Awb. Het beroep van De Limiten en anderen, voor zover dit is ingediend door de bewoners van het Valkeveense gebied, is daarom niet-ontvankelijk.

8.3.    Stichting De Limiten en Stichting Vakantie Kinder Feest/Kindervakantiehuis Valkeveen zijn wel ontvankelijk. De beroepsgronden in het beroepschrift zullen dan ook door de Afdeling inhoudelijk worden beoordeeld.

Beroep Oud Valkeveen

Attracties, speeltoestellen en functieaanduiding "dagrecreatie"

9.    Oud Valkeveen voert aan dat de planregels die zien op de attracties en speeltoestellen in het speelpark, te beperkend zijn voor haar bedrijfsvoering. Oud Valkeveen vindt het te beperkend dat in het plan in de buitenzone van het speelpark de exacte locaties en in de middenzone de oppervlakten van de bestaande en vergunde attracties zijn vastgelegd. Hierdoor is het niet mogelijk om deze attracties te verplaatsen of te vernieuwen. De aanduidingsgrenzen zijn strak om bepaalde attracties getrokken, waardoor een andere attractie op de betrokken plek niet meer mogelijk is.

Ook vindt Oud Valkeveen het te beperkend dat in de buitenzone van het speelpark de exacte aantallen speeltoestellen zijn vastgelegd. Volgens haar hoeft dit niet vanuit het oogpunt van een goede ruimtelijke ordening. Oud Valkeveen bestrijdt dat dat zou blijken uit de onderzoeken die aan het plan ten grondslag liggen. Verder zijn volgens Oud Valkeveen ook niet alle bestaande speeltoestellen en attracties in het plan als zodanig bestemd. Zo is er geen rekening gehouden met kleine schommels. Onduidelijk is ook of een groep van verschillende kleine toestellen die bij elkaar staan, zoals bijvoorbeeld "miniland", moeten worden gezien als één speeltoestel of dat die allemaal als afzonderlijke speeltoestellen moeten worden gezien.

Verder geldt binnen de aanduidingen "specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 1" (de buitenzone van het speelpark) en binnen een deel van "specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 4" (een deel van de middenzone) een bouwhoogte van maximaal 10 m. Voor de attracties binnen de aanduiding "speelvoorziening 1" geldt echter een aparte hoogteregeling. Hiervoor is per attractie de feitelijke hoogte als maximum vastgelegd. Hierdoor geldt er voor deze gronden voor een attractie soms een lagere hoogte dan voor speeltoestellen. Volgens Oud Valkeveen bestaat hiervoor geen ruimtelijk motief.

9.1.    De raad heeft in het plan in de buitenzone van het park de bestaande en vergunde attracties bestemd en daarbij de maximale hoogte en de exacte locatie per attractie vastgelegd. Er zijn in de buitenzone geen andere attracties toegestaan dan de al bestaande en/of vergunde. Voor speeltoestellen in de buitenzone is een maximum aantal vastgelegd. In de buitenzone en een deel van de middenzone is er een maximum bouwhoogte van 10 m voor speeltoestellen opgenomen. In de middenzone van het park is een maximum aantal attracties toegestaan, maar is de locatie en het oppervlakte van de individuele attracties vrij. Met toepassing van een binnenplanse afwijkingsbevoegdheid mogen bestaande attracties daar worden vervangen door een nieuwe grotere en hogere attractie. Ook kan een bestaande attractie onder voorwaarden worden verplaatst. Voor speeltoestellen in de middenzone schrijft het plan geen maximumaantal voor en is ook de locatie daarvan vrij. Wel is voor het binnenste deel van de middenzone een maximumhoogte van 15 m voor speeltoestellen opgenomen. De raad heeft in het plan op het parkeerterrein de vergunde speeltoestellen en een vergund attractietoestel bestemd en daarbij de maximale hoogte en de exacte locatie vastgelegd.

9.2.    De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid de beperkingen in het plan heeft kunnen opnemen. Daartoe acht de Afdeling van belang dat de raad heeft toegelicht dat het huidige park, inclusief de vergunde maar nog niet gebouwde attracties, volgens hem in overeenstemming is met een goede ruimtelijke ordening, maar dat het zich wel bevindt aan de grens van wat nog aanvaardbaar kan worden geacht. De bestaande legale activiteiten heeft de raad als zodanig in het plan willen bestemmen. In zoverre wordt de huidige bedrijfsvoering niet beperkt. Uit het geluidsonderzoek (bijlage 6 bij de plantoelichting) volgt dat er aanleiding is om de bestaande bouwmogelijkheden voor speeltoestellen en attracties in te perken, vooral aan de randen van het speelpark. Het voorheen geldende plan maakte aan de randen van het park grote attracties van 25 m hoog mogelijk. In het geluidsonderzoek is uitgegaan van de bestaande en/of vergunde speeltoestellen en attracties met een bepaalde hoogte die in het plan zijn toegestaan. Uit het onderzoek volgt dat de aard van de attracties in combinatie met de bouwhoogten ervan van invloed is op het geluid. Ook het gebruik van speeltoestellen heeft een geluidseffect (gillende kinderen). Uit het geluidsonderzoek volgt verder dat als meer dan de nu vergunde attracties worden gerealiseerd, dan niet meer aan de richtwaarden voor een aanvaardbaar woon- en leefklimaat voor de omwonenden kan worden voldaan. Uit het ecologisch onderzoek (bijlage 5 bij de plantoelichting) volgt verder dat dit geluid ook negatieve invloed kan hebben op het leefgebied van geluidgevoelige vogels. Als er sprake is van een toename van geluid als gevolg van uitbreidingen of verplaatsingen, dan kan een effect op beschermde diersoorten niet op voorhand worden uitgesloten. Gelet op de uitkomsten van het akoestisch onderzoek en het ecologisch onderzoek heeft de raad naar het oordeel van de Afdeling in het plan ook in redelijkheid een onderscheid kunnen maken tussen speeltoestellen en attracties en voor speeltoestellen een hogere maximale hoogte in het plan kunnen opnemen dan die voor sommige attracties geldt. Verder acht de Afdeling van belang dat het plan nog wel enige flexibiliteit biedt, met name in de middenzone, zodat aanpassingen van het park in de toekomst mogelijk blijven.

Het betoog slaagt niet.

9.3.    Wat betreft het betoog van Oud Valkeveen dat niet alle bestaande speeltoestellen in het plan als zodanig zijn bestemd, heeft de raad op de zitting toegelicht dat dat dit wel de bedoeling is geweest. Volgens hem zijn ook alle door het speelpark opgegeven speeltoestellen als zodanig bestemd. Verder heeft de raad gewezen op artikel 1.46 van de planregels. Daarin wordt een speeltoestel omschreven als een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning, waarbij uitsluitend van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt. Volgens de raad is een aantal speeltoestellen die bij elkaar staan, zoals bijvoorbeeld "miniland" één inrichting en moeten deze gelet op deze definitie samen als één speeltoestel worden gezien.

9.4.    De Afdeling is van oordeel dat gelet op wat door partijen tijdens de zitting naar voren is gebracht, niet inzichtelijk is geworden of alle bestaande speeltoestellen als zodanig in het plan zijn bestemd. Onduidelijk is of de raad alle kleine speeltoestellen, zoals losse schommels en wipkippen, daarbij ook in beeld heeft gehad. Verder volgt naar het oordeel van de Afdeling uit de begripsomschrijving in artikel 1.46 van de planregels niet eenduidig dat speeltoestellen die op een plek bij elkaar staan, zoals in "miniland", als één inrichting en dus als één speeltoestel moeten worden beschouwd en niet als afzonderlijke speeltoestellen. Het plan is op dit punt naar het oordeel van de Afdeling rechtsonzeker en onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

9.5.    Tijdens de zitting heeft de raad voorts zelf erkend dat de vergunde attractie "Zierer force" per ongeluk in het plan niet als zodanig is bestemd. "Zierer force" ligt binnen de bestemming "Bos" waar in beginsel geen attracties zijn toegestaan. In artikel 3.2.2 onder b van de planregels is alleen voor gronden met de aanduiding "specifieke vorm van bos - speelvoorziening 1" hierop een uitzondering gemaakt. Deze uitzondering geldt echter niet voor "specifieke vorm van bos - speelvoorziening 2", welke aanduiding de gronden van de "Zierer force" hebben. De raad heeft toegelicht dat die aanduiding nog aan artikel 3.2.2 had moeten worden toegevoegd. Ook op dit punt is het plan dus onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

10.    Oud Valkeveen voert verder aan dat de gronden waar de "Zierer force" is vergund, ten onrechte niet de functieaanduiding "dagrecreatie" hebben gekregen. Dit is volgens haar in strijd met de bestaande legale situatie en het huidige gebruik van het park. Volgens Oud Valkeveen gebruikt zij de gronden al jaren voor het speelpark en zijn deze haar eigendom geworden door verjaring. Het betreffen de percelen met de kadastrale nummers 1495 en 1482.

10.1.    De raad heeft toegelicht dat deze gronden zijn begroeid met bos. Zij hebben in het plan de bestemming "Bos" gekregen. De gronden zijn in eigendom bij Staatsbosbeheer. Er is geen huur- of erfpachtovereenkomst tussen Oud Valkeveen en Staatsbosbeheer. Gebruik van de gronden voor dagrecreatie is vanwege de aanwezige natuurwaarden volgens de raad onwenselijk en bovendien in strijd met de Provinciale Ruimtelijke Verordening Noord-Holland (hierna: PRV). Omdat het vorige plan op deze plek attracties toe stond, moest de omgevingsvergunning voor de "Zierer force" worden verleend.

10.2.    Voor de Afdeling is onduidelijk gebleven wie de kadastrale percelen 1495 en 1482 in eigendom toebehoren en hoe die gronden in het verleden werden gebruikt. De raad heeft niet in zijn afwegingen betrokken dat deze gronden mogelijk al jaren door het speelpark worden gebruikt. De Afdeling is van oordeel dat de raad onvoldoende onderzoek heeft verricht naar de vraag of aan deze gronden de functieaanduiding "dagrecreatie" had moeten worden toegekend. Ook heeft de raad dit niet gemotiveerd. Het plan is in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

Dit betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus attracties, speeltoestellen en functieaanduiding "dagrecreatie"

11.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen de hiervoor onder 9.4, 9.5 en 10.2 geconstateerde gebreken in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad na te gaan welke speeltoestellen ten tijde van de planvaststelling in het park legaal aanwezig waren en de legaal aanwezige speeltoestellen als zodanig ook te bestemmen, de "Zierer force" als zodanig te bestemmen en te onderzoeken of het planologisch aanvaardbaar is dat aan de kadastrale percelen 1495 en 1482 de functieaanduiding "dagrecreatie" wordt toegekend en bij een naar zijn oordeel positieve uitkomst van dat onderzoek die functieaanduiding ook aan die percelen toe te kennen, en met betrekking tot de in deze volzin aangegeven aspecten indien nodig een gewijzigd plan vast te stellen.

Overloopparkeerterrein

12.    Oud Valkeveen is het niet eens met de voorwaarden die in artikel 4.3.2 onder d en onder j van de planregels zijn gesteld aan het overloopparkeerterrein. Het parkeerterrein moet volgens Oud Valkeveen tijdig kunnen worden opengezet en niet alleen als de andere parkeerterreinen vol zijn. Volgens Oud Valkeveen is de voorwaarde dat het gras maximaal 10 cm hoog mag zijn rechtsonzeker.

12.1.    De raad heeft op de zitting naar voren gebracht dat het parkeerterrein is gelegen binnen een Natura 2000-gebied. Dat gebied moet zo min mogelijk worden verstoord. Daarom is in de planregels opgenomen dat het overloopparkeerterrein niet in gebruik mag worden genomen als er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is op de overige parkeerterreinen van het speelpark. Ook is in de planregels opgenomen dat gedurende de gebruiksperiode vergunninghouder ervoor dient zorg te dragen dat de vegetatie binnen de zones die worden gebruikt voor incidenteel parkeren kort gehouden worden (maximaal 10 cm) door deze, wanneer noodzakelijk, te maaien. Het maaisel moet daarbij afgevoerd worden.

12.2.    De Afdeling acht de voorwaarde dat het overloopparkeerterrein pas open mag als de andere parkeerterreinen van het speelpark vol zijn, gelet op de toelichting van de raad niet onredelijk. Verder is de voorwaarde dat het gras maximaal 10 cm hoog mag zijn voldoende duidelijk.

Het betoog slaagt niet.

Aardkundig monument

13.    Oud Valkeveen voert aan dat er geen aardkundig monument meer aanwezig is op de gronden van het speelpark. Artikel 8 van de planregels waarin dit wordt beschermd, had daarom niet moeten worden opgenomen. In het ecologisch onderzoek staat hierover dat twijfelachtig is of de aanwijzing als aardkundig monument wel stand kan houden. Het artikel in de planregels leidt ertoe dat voor iedere activiteit een vergunning moet worden aangevraagd en een onderzoek moet worden uitgevoerd, hoewel daarvoor volgens Oud Valkeveen geen dringende reden bestaat. Ook heeft bijna het gehele plangebied de dubbelbestemming "Waarde-Landschap-Aardkundig monument" gekregen, terwijl een groot deel daarvan al door de Provinciale Milieuverordening Noord-Holland (hierna: PMV) wordt beschermd als aardkundig monument.

13.1.    Het grootste deel van de gronden in het speelpark is in de PRV aangewezen als aardkundig monument. Dit monument wordt beschermd door de PMV dat ter zake een verbod- en ontheffingsstelsel bevat. Alleen het noordelijke deel van het plangebied is in de PRV aangewezen als aardkundig waardevol gebied. Ingevolge artikel 8 van de PRV moet de raad in de plantoelichting toelichten hoe met de voorkomende bijzondere aardkundige waarden van het aardkundig monument en het aardkundig waardevol gebied rekening is gehouden. In paragraaf 2.1.2.1 van de plantoelichting is aan de hand van de Leidraad Landschap en Cultuurhistorie 2018 ingegaan op de aardkundige waarden van het gebied.

13.2.    Wat betreft de aanwezigheid van aardkundige waarden heeft de raad toegelicht dat gezien de aanwezigheid van het speelpark de oorspronkelijke aardkundige waarden binnen het grootste deel van het plangebied vermoedelijk al zijn verstoord, maar dat dit niet betekent dat er geen beschermingswaardig monument meer is. De hoogtekaart die is opgenomen in paragraaf 2.1.2.1 van de plantoelichting laat zien dat het speelpark nog steeds reliëf als gevolg van de stuwwal (het aardkundig monument) en de klifkust kent. De raad heeft zich gelet hierop in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat er nog te beschermen aardkundige waarden aanwezig zijn.

Echter, het grootste deel van de gronden is aangewezen in de PRV als aardkundig monument en wordt beschermd door het in de PMV opgenomen verbod- en ontheffingsstelsel. In dit geval is niet gebleken waarom naast deze bescherming ook een vergunningstelsel in het plan moet worden opgenomen om te voorzien in de bescherming van het aardkundig monument. De raad heeft onvoldoende gemotiveerd dat het opnemen van de dubbelbestemming in het bestemmingsplan nodig is ter bescherming van andere belangen dan die al door de PMV worden beschermd. Het plan in zoverre in strijd met artikel 3:46 van de Awb.

Opdracht bestuurlijke lus aardkundig monument

14.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het hiervoor onder 13.2 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad alsnog te motiveren dat het opnemen van de dubbelbestemming in het bestemmingsplan nodig is ter bescherming van andere belangen dan belangen die al door de PMV worden beschermd, dan wel door middel van een gewijzigde vaststelling van het plan die dubbelbestemming uit het plan te verwijderen.

Uitsterfregeling

15.    Op de gronden in het plangebied die behoren tot het NNN, is de bouw van speeltoestellen uitgesloten. Voor bestaande speeltoestellen is in artikelen 3.2.2 onder b en 4.2.2 onder b van de planregels een uitsterfregeling opgenomen. Volgens Oud Valkeveen bestaat er geen ruimtelijk motief voor deze uitsterfregeling. Bovendien staat niet vast dat de attracties over 10 jaar weg zijn, zodat deze regeling daarom ook niet mogelijk is.

15.1.    De raad stelt dat deze gronden in eigendom zijn bij Staatsbosbeheer. De bestaande speeltoestellen worden gerespecteerd, maar omdat die gelegen zijn in het NNN zijn de speeltoestellen volgens de raad op deze plek onwenselijk. Het kunnen vervangen ervan is volgens de raad in strijd met de instandhoudingsdoelstellingen van het NNN. Het plan voorziet in de mogelijkheid om de speeltoestellen te verplaatsen naar eigen terrein.

15.2.    De Afdeling is van oordeel dat de raad gelet op de omstandigheid dat de gronden zijn gelegen in het NNN, zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat nieuwe speeltoestellen op die plek niet wenselijk zijn. De raad heeft daarom in redelijkheid kunnen besluiten tot het opnemen van een uitsterfregeling in het plan voor de bestaande speeltoestellen. Voor het kunnen opnemen van een dergelijke uitsterfregeling hoeft het niet aannemelijk te zijn dat het gebruik binnen 10 jaar zal worden beëindigd.

Het betoog slaagt niet.

Beperking gebruiksperiode

16.    De beperking van de gebruiksperiode van de gronden die behoren tot het NNN van 1 april t/m 31 oktober in de artikelen 3.3.1 en 4.3.1 van de planregels is volgens Oud Valkeveen in strijd met het huidige gebruik. Ook in de winter is het park namelijk open en worden de gronden gebruikt.

16.1.    Aan enkele gronden aan de noordzijde van het speelpark met de bestemming "Bos" of de bestemming "Natuur" is de functieaanduiding "dagrecreatie" toegekend. Daar is ingevolge artikel 3.1 onder f en artikel 4.1 onder c van de planregels dagrecreatie ten behoeve van het speelpark toegestaan. Ingevolge de artikel 3.3.1 en 4.3.1 is dit gebruik uitsluitend toegestaan gedurende het seizoen dat start op 1 april en eindigt op 31 oktober.

16.2.    De Afdeling is van oordeel dat de raad in redelijkheid een beperking van de gebruiksperiode voor deze gronden in het plan heeft kunnen opnemen. Daarbij is van belang dat het speelpark ook alleen van 1 april tot en met eind oktober open is. Op de zitting is gebleken dat deze gronden eenmalig buiten het seizoen zijn gebruikt rond Halloween. De beperking van de gebruiksperiode geldt ook alleen voor gebruik als dagrecreatie ten behoeve van het speelpark. Op deze gronden is ingevolge de artikelen 3.1 onder g en 4.1 onder g van de planregels jaarrond ondergeschikt extensief recreatief medegebruik en educatief medegebruik toegestaan. Zo is wandelen daar toegestaan.

Het betoog slaagt niet.

Omgevingsvergunning uitvoeren van werk

17.    Oud Valkeveen voert aan dat er op grond van de artikelen 3.4, 7.3 en 8.4.1. van de planregels drie vergunningen nodig zijn voor de aanleg van het parkeerterrein. Dit is volgens haar te beperkend.

17.1.    Wat betreft de vergunning die ingevolge artikel 8.4.1 nodig is vanwege het aardkundig monument heeft de Afdeling hiervoor al overwogen dat de raad onvoldoende heeft gemotiveerd waarom die bescherming bovenop de bescherming die de PMV biedt, nodig is. Verder acht de Afdeling de vergunningplichten op grond van de artikelen 3.4 en 7.3 niet onredelijk. Zoals de raad heeft toegelicht, is de realisatie van parkeren in het bos een uitzonderlijke maatregel voor een dringend probleem. De mogelijkheid om daar te parkeren is geen gegeven, maar vergt volgens de raad nader onderzoek en een zorgvuldige afweging. De gronden herbergen natuurwaarden in de vorm van bos en archeologische waarden. Deze moeten een volwaardige plaats hebben in de te maken afweging. Daarvoor heeft de raad de vergunningplichten uit artikel 3.4 en 7.3 in redelijkheid noodzakelijk kunnen achten.

Het betoog slaagt niet.

IJsbaan

18.    Oud Valkeveen voert aan dat het vergunde tijdelijke gebouw ter overkapping van de ijsbaan in de winterperiode ten onrechte in het plan niet als zodanig is bestemd.

18.1.    De raad heeft toegelicht dat het gebouw voor de ijsbaan een overkapping met drie open zijden betrof en tijdelijk was. Het bouwwerk is in eerste instantie zonder omgevingsvergunning, dus illegaal geplaatst. Nadien is een omgevingsvergunning aangevraagd. Op 25 januari 2019 heeft het college besloten een tijdelijke omgevingsvergunning te verlenen. Op 17 maart 2019 moest de ijsbaan met overkapping verwijderd zijn. Het betreft dan ook geen bestaand gebruik dat in dit bestemmingsplan wordt wegbestemd.

18.2.    De Afdeling is van oordeel dat gelet op het bovenstaande de raad in het plan niet in een ijsbaan heeft hoeven te voorzien.

Het betoog slaagt niet.

Beroepsgronden De Limiten en anderen, de VVG en de SBGH

PRV

19.    De Limiten en anderen en de VVG voeren aan dat het wijzigen van de bestemming "Bos" om parkeren toe te staan binnen het NNN in strijd is met artikel 19 van de PRV. De realisatie van een nieuw parkeerterrein voor het speelpark dat er zelf voor gekozen heeft meer bezoekers aan te trekken, is volgens hen geen groot openbaar belang zoals bedoeld in het vierde lid, maar een economisch bedrijfsbelang. Bovendien zijn er alternatieven. Het nieuwe parkeerterrein zal volgens appellanten leiden tot een aantasting van de wezenlijke kenmerken van het NNN. Een al beschermd weiland uit het Natura 2000-gebied wordt op papier onderdeel van het NNN als compensatie, terwijl het bos, dat geen onderdeel uitmaakt van het Natura 2000-gebied geheel uit het NNN wordt gehaald. Dit kan volgens hen niet als compensatie bedoeld in het vierde lid gelden. Verder is volgens appellanten onduidelijk of gedeputeerde staten ook bereid zijn om de begrenzing van het NNN te wijzigen zoals bedoeld in het achtste lid.

19.1.    In het plan wordt via een wijzigingsbevoegdheid in artikel 14.3 van de planregels voor het college van burgemeester en wethouders onder voorwaarden mogelijk gemaakt binnen de bestemming "Bos" parkeren toe te staan. De Afdeling stelt voorop dat opname van zo’n wijzigingsbevoegdheid in een bestemmingsplan inhoudt dat het eventuele gebruik daarvan in beginsel in overeenstemming met een goede ruimtelijke ordening moet worden geacht.

Artikel 14.3 van de planregels luidt:

"Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen teneinde binnen de bestemming "Bos" parkeren toe te laten en daar regels aan te verbinden, een aanduidingsvlak "parkeerterrein" binnen de bestemming "Bos" toe te voegen en de dubbelbestemming "Waarde - Natuur" te verwijderen onder voorwaarden dat:

a het gebruik van desbetreffende gronden binnen de bestemming "Bos" ten behoeve van parkeren slechts een aanvang kan nemen indien het gebruik van de gronden voor parkeren binnen de bestemming "Natuur" permanent is beëindigd en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in bepaalde in 14.1 opdat het gebruik voor parkeren binnen de bestemming "Natuur" blijvend verboden is;

b het gebruik van desbetreffende gronden binnen de bestemming "Bos" ten behoeve van parkeren slechts een aanvang kan nemen indien de verleende omgevingsvergunningen voor speeltoestellen en attractietoestellen binnen het aanduidingsvlak "parkeerterrein" in de bestemming "Recreatie - Speelpark" zijn ingetrokken en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in 14.2 opdat het gebruik voor speeltoestellen en attractietoestellen binnen het aanduidingsvlak "parkeerterrein" in de bestemming "Recreatie - Speelpark" blijvend verboden is;

c het wijzigingsplan in overeenstemming is met de Provinciale Verordening;

d het weiland kadastraal bekend gemeente Naarden, sectie A, nummer 1484 wordt toegevoegd aan het Natuurnetwerk Nederland;

e het wijzigingsplan in overeenstemming is met de Wet natuurbescherming dan wel een op grond daarvan verleende ontheffing of vergunning;

f het wijzigingsplan in overeenstemming is met titel 5.2 van de Wet milieubeheer;

g het oppervlak van het nieuw toegevoegde aanduidingsvlak "parkeerterrein" binnen de bestemming 'Bos' niet groter mag zijn dan 1,1262 hectare;

h maatregelen worden getroffen teneinde het parkeerterrein op aanvaardbare wijze in de landschappelijke en ecologische waarden in te passen, waarbij rekening wordt gehouden met:

1 het instandhouden en versterken van de oude bosstrook langs de Oud Huizerweg;

2 het respecteren van voldoende afstand tot de burcht van de das;

3 het reliëf in het bos.

i onverminderd het bepaalde onder c mag het oppervlak van het nieuw toegevoegde aanduidingsvlak "parkeerterrein" binnen de bestemming "Bos" 0,1738 hectare groter zijn dan vermeld onder g, indien daarmee op een betere wijze tegemoet kan worden gekomen aan het bepaalde onder h;

j maatregelen worden getroffen teneinde geluidhinder, lichthinder en zwerfvuil als gevolg van het gebruik als parkeerterrein tegen te gaan;

k privaatrechtelijk dan wel publiekrechtelijk of in combinatie van beide verzekerd is dat maatregelen worden getroffen ter voorkoming van een grotere verkeersaantrekkende werking en parkeerbehoefte door het speelpark dan de parkeercapaciteit die op eigen terrein en binnen het wijzigingsplan gerealiseerd is na gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheid."

Artikel 19 van de PRV, voor zover hier van belang, luidt:

"1 Een bestemmingsplan voor gebieden aangeduid op kaart 4 en op de digitale verbeelding ervan als natuurnetwerk Nederland of als natuurverbinding strekt tot de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden.

2 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid stelt regels in het belang van de bescherming, instandhouding en ontwikkeling van de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden. Bij het vaststellen van deze regels moeten de wezenlijke kenmerken en waarden van de gebieden in acht worden genomen.

3 Een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid maakt geen nieuwe activiteiten mogelijk die per saldo leiden tot een significante aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden, of tot een vermindering van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland of de natuurverbindingen, of van de samenhang tussen die gebieden.

4 In afwijking van het derde lid kan een bestemmingsplan als bedoeld in het eerste lid nieuwe activiteiten mogelijk maken, indien:

a er sprake is van een groot openbaar belang;

b er geen reële alternatieven zijn, en;

c de negatieve effecten op de wezenlijke kenmerken en waarden, oppervlakte en samenhang worden beperkt en de overblijvende effecten gelijkwaardig worden gecompenseerd.

(...)

8 Gedeputeerde staten kunnen, gehoord de desbetreffende commissie van provinciale staten, de begrenzing van het natuurnetwerk Nederland en de natuurverbindingen, als aangegeven op kaart 4 en de digitale verbeelding ervan, wijzigen:

a ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het natuurnetwerk Nederland, voor zover:

1° de wezenlijke kenmerken en waarden van het natuurnetwerk Nederland worden behouden; en

2° de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of

b ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, voor zover:

1° de aantasting van de wezenlijke kenmerken en waarden en de samenhang van het natuurnetwerk Nederland beperkt is;

2° de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het Natuurnetwerk Nederland, of een vergroting van de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland; en

3° de oppervlakte van het natuurnetwerk Nederland ten minste gelijk blijft; of

c ten behoeve van de toepassing van het vierde lid."

19.2.    Volgens de wijzigingsvoorwaarde in artikel 14.3, onder c, moet het wijzigingsplan in overeenstemming zijn met de PRV. Bij het gebruik van de bevoegdheid dient pas vast te komen te staan dat er geen strijd is met de PRV, maar de raad moet in het kader van de vaststelling van dit plan wel in redelijkheid hebben kunnen oordelen dat artikel 19 van de PRV niet op voorhand aan de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid in de weg staat.

19.3.    De raad heeft toegelicht dat in dit geval toepassing kan worden gegeven aan artikel 19, achtste lid, van de PRV en dan aan de onderdelen a of b ervan. De provincie heeft volgens de raad tijdens het bestuurlijk vooroverleg aangegeven onder voorwaarden bereid te zijn medewerking te verlenen aan het wijzigen van de begrenzing van het NNN om het parkeren mogelijk te maken. De uitruil met het weiland geeft volgens de raad invulling aan de criteria voor toepassing van artikel 19, achtste lid, en is dan ook mede voorwaarde voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid. Er is volgens de raad dan ook geen strijd met artikel 19, derde lid, van de PRV. Staatsbosbeheer heeft volgens de raad aangegeven dat hij bereid is om een deel van het bos te ruilen/verkopen om gronden van voorheen Klein (bij de gemeente "de zonneweide" genoemd) te kunnen verwerven. Het gaat om het weiland kadastraal bekend gemeente Naarden, sectie A, nummer 1484.

Staatsbosbeheer wil dit, omdat vanuit het Programma Deltanatuur de gronden aan de randmeren van belang zijn. Daarnaast is de grond van de zonneweide onderdeel van een Natura 2000-gebied en dat wordt in de gebiedsladder van Staatsbosbeheer als belangrijker beoordeeld dan enkel NNN-gebied, zoals bij het bos het geval is. De grond van het weiland zal zeker niet beplant worden, maar zal open grasland blijven overeenkomstig de gewenste Natura 2000-gebiedsinvulling.

19.4.    De Afdeling is van oordeel dat de raad op grond van deze motivering niet in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat artikel 19 van de PRV niet aan de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid in de weg staat. Als voorwaarde voor de wijziging van de begrenzing van het NNN is in het achtste lid onder a en b van dit artikel opgenomen dat de oppervlakte van het NNN ten minste gelijk moet blijven. Vaststaat dat het nieuwe parkeerterrein volgens artikel 14.3 onder g en i van de planregels 1,3 hectare groot kan worden. Niet staat vast hoe groot het stuk grond is dat onderdeel zal worden van het NNN. Het gaat om het weiland kadastraal bekend gemeente Naarden, sectie A, nummer 1484.

De Limiten heeft gemeten dat dit 1,11650 hectare bedraagt, terwijl het volgens de raad 1,1262 hectare groot is. Hoe dan ook maakt het plan het mogelijk dat voor het NNN-gebied dat kan worden gebruikt voor parkeren, geen even groot NNN-gebied terugkomt. Dit is in strijd met de voorwaarden uit de PRV. Ook is het niet duidelijk of het weiland daadwerkelijk beschikbaar komt voor het NNN. Op de zitting hebben partijen verwezen naar e-mails van Staatsbosbeheer waaruit blijkt dat hij niet zonder meer toestemming wil geven voor de uitruil van de betrokken gronden. Er is daarmee gerede twijfel gerezen of het verloren NNN-gebied met het opnemen van het weiland in het NNN gecompenseerd kan worden. Deze twijfel heeft de raad op de zitting niet weggenomen. Voor de toepassing van artikel 19, achtste lid, onder a van de PRV zijn als andere voorwaarden opgenomen dat (a) de herbegrenzing plaatsvindt ten behoeve van een verbetering van de samenhang of een betere planologische inpassing van het NNN en (b) de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN worden behouden. Voor de toepassing van artikel 19, achtste lid, onder b van de PRV zijn als overige voorwaarden opgenomen dat (a) de herbegrenzing plaatsvindt ten behoeve van een kleinschalige ontwikkeling, (b) de ontwikkeling per saldo gepaard gaat met een versterking van de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN of vergroting van de oppervlakte van het NNN. Om in redelijkheid te kunnen oordelen dat artikel 19, achtste lid, onder a en b van de PRV niet op voorhand aan de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid in de weg staat moet inzicht verkregen zijn in de vraag of de in die artikelonderdelen opgenomen voorwaarden daaraan in de weg zouden kunnen staan. Aan een dergelijk inzicht heeft het ontbroken. Zo is niet gebleken dat de raad inzicht heeft in de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN. In het ecologisch rapport ontbreekt hierover een duidelijke omschrijving. Ook is in dat rapport of anderszins ook niet, dan wel onvoldoende ingegaan op de vraag of de in artikel 19, achtste lid, onder a en b opgenomen voorwaarden zich op voorhand tegen toepassing van de wijzigingsbevoegdheid zouden kunnen verzetten. Het plan is derhalve waar het betreft de beoordeling van de vraag of de raad in redelijkheid heeft kunnen oordelen dat artikel 19 van de PRV zich niet op voorhand tegen het gebruik van de gronden voor parkeren verzet, in zoverre onzorgvuldig voorbereid en ondeugdelijk gemotiveerd.

Het betoog slaagt

Opdracht bestuurlijke lus PRV

20.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen de hiervoor onder 19.4 geconstateerde gebreken in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad alsnog inzicht te krijgen in de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en in de vraag of de in artikel 19, achtste lid, onder a en b van de PRV opgenomen voorwaarden aan de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 14.3 van de planregels in de weg staan., Op basis van het hierover verkregen inzicht dient de raad te beoordelen of in redelijkheid kan worden aangenomen dat artikel 19 van de PRV niet op voorhand aan de gebruikmaking van de wijzigingsbevoegdheid in de weg staat en in het licht van de uitkomst van die beoordeling zo nodig een gewijzigd plan vast te stellen.

Openingstijden

21.    De Limiten en anderen voeren aan dat in het plan openingstijden voor het park hadden moeten worden opgenomen. Volgens hen is dit noodzakelijk om een goed woon- en leefklimaat voor de omwonenden te kunnen garanderen en voor de bescherming van de in het gebied aanwezige soorten. Zij verwijzen daartoe naar het rapport van Wageningen Environmental Research van juli 2020.

Volgens de deskundige kan een avondopenstelling van het park vanwege het daarmee gepaard gaande licht en geluid invloed hebben op onder meer de das, vleermuizen en broedvogels.

21.1.    Wat betreft omwonenden heeft de raad toegelicht dat het speelpark in de praktijk voor publiek niet eerder open is dan 10.00 uur en niet later dan 18.00 uur dichtgaat. Uit het geluidonderzoek is gebleken dat, indien de vergunde attracties/speeltoestellen op het huidige parkeerterrein daadwerkelijk worden gerealiseerd en niet wordt geparkeerd in het bos, het langtijdgemiddeld beoordelingsniveau maximaal 45 dB(A) bedraagt zonder schoolreisjes en 46 dB(A) met schoolreisjes. Omdat in de avond geen schoolreisjes worden gehouden, doet zich ’s avonds geen overschrijding van de waarde van 45 dB(A) voor. Indien wel wordt geparkeerd in het bos en de vergunde attracties niet zijn gerealiseerd (dat is een voorwaarde voor toepassing van de wijzigingsbevoegdheid), is een langtijdgemiddeld beoordelingsniveau berekend van maximaal 45 dB(A). Geconstateerd wordt dat ook dan zowel in de dag- als de avondperiode wordt voldaan aan de geluidgrenswaarden uit het Activiteitenbesluit milieubeheer. Dit geeft volgens de raad daarom geen aanleiding voor het opnemen van de openingstijden. Mocht er in de praktijk toch sprake zijn van meer geluid, dan kan het college van burgemeester en wethouders alsnog een maatwerkvoorschrift met afwijkende geluidsnormen (artikel 2.20, eerste lid, Activiteitenbesluit milieubeheer) vaststellen. Ook kan het college met een maatwerkvoorschrift gedragsregels voorschrijven om aan de geldende geluidsnormen te voldoen. Beoordeling aan de hand van de VNG-brochure "Bedrijven en milieuzonering" zou volgens de raad wel aanleiding hebben kunnen geven tot het opnemen van openingstijden of het stellen van geluideisen in de avondperiode. De raad acht dit in dit geval niet nodig, omdat een gelijke exploitatie als overdag niet realistisch is. Het speelpark is namelijk gelet ook op de bestemmingsomschrijving van artikel 5.1, onder a van de planregels gericht op kinderen in de basisschoolleeftijd. Het is niet aannemelijk dat kinderen van deze leeftijdsgroep in de avond in dezelfde mate het speelpark zullen bezoeken als overdag. Ook heeft de raad de ligging in het buitengebied van belang geacht. Dat heeft een zekere reistijd tot gevolg en verhoogt de drempel voor avondbezoek. De situatie dat het speelpark 's avonds opengesteld wordt en dat dat leidt tot geluidemissies die strijdig zijn met de goede ruimtelijke ordening, heeft zich in de jaren dat het voorheen geldende bestemmingsplan van kracht was en het Activiteitenbesluit milieubeheer van toepassing was volgens de raad niet voorgedaan.

De Afdeling is van oordeel dat de raad het gelet op het voorgaande in redelijkheid niet noodzakelijk heeft kunnen achten om voor de omwonenden openingstijden in het plan op te nemen.

21.2.    Voor wat betreft de diersoorten in het plangebied en in de omgeving daarvan is naar het oordeel van de Afdeling onvoldoende onderzocht of een eventuele avondopenstelling van het park gevolgen heeft voor deze soorten. Als gevolg daarvan bestaat onvoldoende inzicht in de vraag of in redelijkheid kan worden geoordeeld dat de Wet natuurbescherming (hierna: Wnb) niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat, ook waar het betreft de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid van artikel 14.3 van de planregels, mede gelet ook op de daarin opgenomen wijzigingsvoorwaarde van artikel 14.3, onder e. In het ecologisch rapport dat aan het plan ten grondslag is gelegd, staat dat een toename van geluid effect kan hebben op geluidgevoelige vogels. Uit dit onderzoek valt niet goed op te maken waar deze vogels zich ten opzichte van het park en gronden, waarover de wijzigingsbevoegdheid van artikel 14.3 van de planregels zich uitstrekt, bevinden en of een verruiming van de openingstijden daarop een negatief effect tot gevolg zou kunnen hebben. Ook maakt het rapport niet inzichtelijk welke andere diersoorten op en in de omgeving van het park en bedoelde gronden leven en welke invloed ruimere openingstijden op die soorten hebben. Het plan is in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus openingstijden

22.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen de hiervoor onder 21.2 geconstateerde gebreken in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad alsnog inzicht te krijgen in de vraag welke diersoorten zich in en in de omgeving van het park bevinden en welke mogelijke effecten ruimere openingstijden van het park op deze soorten hebben. De raad dient op basis van het hierover verkregen inzicht te beoordelen of in redelijkheid kan worden aangenomen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg en in het licht van de uitkomst van die beoordeling zo nodig een gewijzigd plan vast te stellen.

Verlichting

23.    Volgens De Limiten en anderen blijkt uit het ecologisch rapport dat aan het plan ten grondslag is gelegd, dat de maximale bouwhoogte van 1 m voor verlichting die in de planregels is vastgelegd niet voldoende is om negatieve effecten op soorten te voorkomen. Daarom had volgens hen in de planregels ook moeten worden opgenomen dat maximaal een verlichting van 0,1 lux is toegestaan.

23.1.    De raad heeft zich op het standpunt gesteld dat de hoogtebeperking voor verlichting zoals opgenomen in artikel 5.2.4, onder a van de planregels, ertoe leidt dat er geen negatieve effecten zullen zijn. Volgens de raad is het niet aannemelijk dat de verlichting meer dan 0,1 lux zal worden.

23.2.    In het ecologisch rapport staat op p. 10 dat een norm van 0,1 lux voor de verlichting van de natuurlijke omgeving met zekerheid leidt tot het afwezig zijn van effect. Om de norm bruikbaar te maken kan er volgens het rapport gekozen worden om alleen verlichting toe te staan op lage paaltjes, omdat er dan weinig tot geen strooilicht is.

23.3.    In de planregels is opgenomen dat bouwwerken, geen gebouwen zijnde, voor verlichting maximaal 1 m hoog mogen zijn. Er is geen beperking voor het aantal lux opgenomen. De Afdeling is van oordeel dat met het opnemen van alleen deze hoogte niet zonder meer vaststaat dat de verlichting onder de norm van 0,1 lux zal blijven en geen effect zal hebben op aanwezige soorten. Het besluit is op dit punt dan ook onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus verlichting

24.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen de hiervoor onder 23.3 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad te onderzoeken welke maatregelen met betrekking tot de verlichting van het voorziene park dienen te worden getroffen om daarvan uitgaande negatieve effecten voor soorten te voorkomen en de uit een dergelijk onderzoek blijkende noodzakelijke maatregelen  door middel van de vaststelling van een gewijzigd plan het plan te verankeren, dan wel het plan zo nodig anderszins gewijzigd vast te stellen.

Ontbrekende vergunningvoorschriften

25.    De Limiten en anderen voeren aan dat niet alle voorschriften uit de tijdelijke omgevingsvergunning van 11 december 2018 voor het overloopparkeerterrein in artikel 4.3.2 van de planregels zijn opgenomen. De drie voorschriften die naar aanleiding van het bezwaar zijn toegevoegd, te weten dat geen verlichting mag worden aangebracht, dat de ontsluiting plaats moet vinden via de entree aan de Meentweg en dat in samenspraak met Staatsbosbeheer en de provincie Noord-Holland het speelpark heeft besloten bij te dragen aan maatregelen die de kwaliteit van de huidige natuurwaarden in het weiland versterken, ongeacht of er sprake is van negatieve effecten op de bestaande natuur door ingebruikname van de overloopparkeerplaats, zijn niet in het plan verwerkt. Verder mogen de gronden aangeduid met "parkeerterrein" op grond van artikel 4.3.2 sub a van de planregels uiterlijk tot 31 oktober 2028 worden gebruikt als overloopparkeerterrein. Aangezien deze termijn langer is dan de vijfjarentermijn genoemd in artikel 3.2 Wro, is volgens De Limiten sprake van strijd met artikel 3.2 Wro.

25.1.    De drie door De Limiten en anderen genoemde voorschriften uit de omgevingsvergunning zijn inderdaad niet opgenomen in de planregels. De Afdeling ziet hierin geen reden het besluit te vernietigen, nu de omgevingsvergunning voor het parkeerterrein niet is vervallen of ingetrokken met de inwerkingtreding van het plan en de daarin opgenomen voorschriften dus nog gelden. Deze hoefden dan ook niet in het plan te worden opgenomen. Anders dan appellanten menen, is verder geen sprake van een "voorlopige bestemming" zoals bedoeld in artikel 3.2 Wro. De bestemming van de gronden is "Natuur" en daaraan is geen termijn verbonden. Met het oog op in het bijzonder de natuurwaarden van de gronden is er aanleiding om specifieke gebruiksregels voor het toegelaten parkeren op te nemen. Het parkeren binnen deze bestemming is uitsluitend incidenteel van aard. Het is uitsluitend gedurende beperkte perioden in het jaar en gedurende beperkte tijden van de dag, toegestaan. De planregel is dan ook niet in strijd met artikel 3.2 van de Wro.

Het betoog slaagt niet.

Zelfstandige horeca

26.    De Limiten en anderen voeren aan dat onder het vorige plan alleen horeca was toegestaan voor zover dit ten dienste stond van het speelpark. Dit plan maakt het mogelijk om het pannenkoekenrestaurant ’t Vossenhol zelfstandig te exploiteren en ook in de avonduren open te zijn. De effecten van het gebruik als zelfstandige horeca zijn volgens hen nooit door de raad beoordeeld. Zo gaat hiervan onder meer een verkeersaantrekkende werking uit.

26.1.    Volgens de raad is van zelfstandige horeca-exploitatie van de locatie ’t Vossenhol al lange tijd sprake. Het stond al die jaren buiten de hekken van het speelpark. Het was zelfstandig toegankelijk en er mochten bezoekers komen die niet voor het speelpark kwamen. Tijdens de zitting heeft de raad toegelicht dat het bestaande gebruik inhoudt dat ’t Vossenhol tot 19.30 uur ’s avonds geopend is en dat het restaurant ook in het verleden nooit langer dan tot 19.30 uur open is geweest. De raad meent dat deze zelfstandige horeca-exploitatie was toegestaan op basis van het bestemmingsplan "Valkeveen e.o. 1976 1e herziening" en op basis van het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied" kon worden voortgezet.

26.2.    In het bestemmingsplan "Valkeveen e.o. 1976 1e herziening" was aan het gehele speelpark, inclusief de gronden van ’t Vossenhol, de bestemming "Recreatieve Doeleinden II" toegekend. Op grond van artikel 24 in samenhang met artikel 34, eerste lid, van de planregels van dat plan mochten de gronden worden gebruikt voor dagrecreatie met daarbij behorende bouwwerken, zoals café- en restaurantbedrijven en theehuizen en open terreinen, waaronder parkeerplaatsen. In artikel I-1, onder x, van de planregels is "dagrekreatie" omschreven als "rekreatief buitenverblijf tussen 6 en 22 uur al dan niet doorgebracht in onderkomens, die na afloop van het verblijf tezamen met andere meegebrachte voorwerpen worden verwijderd". Het plan maakt onder meer café- en restaurantbedrijven behorende bij dagrecreatie mogelijk. Naar het oordeel van de Afdeling maakte dit plan aldus geen zelfstandige horeca mogelijk. Het daaropvolgende bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied" maakte ter plaatse van ’t Vossenhol ook geen zelfstandige horeca mogelijk. Op grond van artikel 42, lid C, van de planvoorschriften van het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied" mocht het gebruik van gronden en bouwwerken dat bestond ten tijde van het van kracht worden van dit plan worden voortgezet of gewijzigd, zolang en voor zover de strijdigheid van dat gebruik ten opzichte van het gebruik overeenkomstig de bestemmingen in dit plan, naar de aard en omvang niet wordt vergroot. Op grond van artikel 42, lid E, was het bepaalde in lid C niet van toepassing op het gebruik dat al in strijd was met het voorheen geldende bestemmingsplan. Nu op basis van het bestemmingsplan "Valkeveen e.o. 1976 1e herziening" zelfstandige horeca niet was toegestaan, kon dit gebruik ook niet op basis van het gebruiksovergangsrecht van het bestemmingsplan "1e herziening bestemmingsplan Buitengebied" worden voortgezet. Het gebruik als zelfstandige horeca inclusief de openstelling daarvan in de avonduren is dan ook een nieuwe ontwikkeling. De raad had de ruimtelijke gevolgen van dit gebruik moeten onderzoeken. Nu dit onderzoek niet heeft plaatsgevonden, is het plan in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus zelfstandige horeca

27.     De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het hiervoor onder 26.2 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad alsnog de ruimtelijke gevolgen van zelfstandige horeca, inclusief de openstelling daarvan in de avonduren, te onderzoeken en te beoordelen, en in het licht van de uitkomst van dat onderzoek en beoordeling zo nodig het plan gewijzigd vast te stellen.

Gevolgen parkeerterrein

28.    Het parkeerterrein dat met de wijzigingsbevoegdheid van artikel 14.3 van de planregels mogelijk wordt gemaakt in het bos ten oosten van het park kan volgens De Limiten en anderen jaarrond gebruikt worden. Dit zal volgens hen leiden tot een grotere verkeersaantrekkende werking van het speelpark. Er kunnen namelijk meer auto's nabij het speelpark parkeren. Er is ten onrechte geen onderzoek verricht naar de gevolgen hiervan.

28.1.    De Afdeling is van oordeel dat de raad niet aannemelijk heeft gemaakt dat het met de wijzigingsbevoegdheid van artikel 14.3 voorziene parkeerterrein niet leidt tot een intensivering van het gebruik van het voorziene park met alle ruimtelijke gevolgen van dien. Daarvoor is van belang dat het overloopterrein waarvoor het nieuwe parkeerterrein in de plaats komt, kleiner is en het nieuwe parkeerterrein niet slechts 20 dagen per jaar gedurende een bepaalde periode, maar onbeperkt en jaarrond gebruikt mag worden. Gelet hierop had de raad de ruimtelijke gevolgen hiervan moeten onderzoeken en beoordelen.

Het betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus parkeerterrein

29.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het hiervoor onder 28.1 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad inzicht te verkrijgen in de vraag welke ruimtelijke gevolgen, waaronder de verkeersaantrekkende werking, het parkeerterrein, als voorzien in artikel 14.3 van de planregels, heeft. De raad dient op basis van het hierover verkregen inzicht te beoordelen of hij die ruimtelijke gevolgen aanvaardbaar acht, en in het licht van de uitkomst van die beoordeling zo nodig het plan gewijzigd vast te stellen.

Bebouwing

30.    De Limiten en anderen voeren aan dat uit paragraaf 4.5.2.1 van de toelichting op het plan blijkt dat de aanwezige en vergunde gebouwen binnen de bestemming "Recreatie - Speelpark" een totale oppervlakte hebben van 3.281 m2.

Het plan voorziet in artikel 5.2.1. van de planregels evenwel in maximaal 3.520 m2 aan gebouwen. Er is dus sprake van een uitbreiding en de raad had de ruimtelijke gevolgen hiervan moeten beoordelen.

30.1.    In paragraaf 4.5.2.1 en 4.5.3.1 van de plantoelichting is inzicht verschaft in de omvang van de legaal aanwezige bebouwing, het oppervlak dat op grond van de voorheen geldende bestemmingsplannen was toegestaan en welk oppervlak het nieuwe bestemmingsplan toelaat. De raad heeft toegelicht dat het vorige plan een oppervlak ten behoeve van bebouwing van 2.500 m² toeliet, welk oppervlak nog kan worden vermeerderd met het oppervlak ad 607 m2 van de bebouwing op het kadastrale perceel bekend gemeente Naarden, sectie B, nummers 1508 ten behoeve van Gloeiende Gerrit. In totaal gaat het dus om 3.107 m2.

Verder is er een oppervlak van 420 m2 ten behoeve van sanitaire bebouwing feitelijk aanwezig en als zodanig ook vergund. In totaal gaat het om bebouwing met een oppervlak van 3.507 m2.

Dit plan staat in de planregels een oppervlak voor bebouwing van 13 m2 meer toe. De Afdeling is van oordeel dat de raad de ruimtelijke effecten van deze extra mogelijk gemaakte bebouwing vanwege de beperkte omvang ervan niet apart heeft hoeven te beoordelen.

Het betoog slaagt niet.

Gebiedsbescherming

31.    De Limiten en anderen voeren aan dat de raad voor de beoordeling of het plan nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die mogelijke significante gevolgen kunnen hebben op de nabij gelegen Natura 2000-gebieden, de verkeerde referentiesituatie als uitgangspunt heeft genomen. De raad heeft zich volgens hen dan ook ten onrechte op het standpunt gesteld dat het plan geen nieuwe ontwikkelingen mogelijk maakt die hier van invloed kunnen zijn. Ten tijde van de vaststelling van het plan waren slechts twee van de negen nieuw vergunde attracties/speeltoestellen gerealiseerd. Dit betekent de zeven attracties/speeltoestellen die er feitelijk nog niet waren niet in de referentiesituatie kunnen worden meegenomen en de effecten daarvan moeten worden beoordeeld. Ook ‘t Vossenhol moet volgens hen in die beoordeling worden meegenomen, omdat het met dit plan voor het eerst als zelfstandige horeca kan worden gebruikt. Verder moet volgens hen ook in de beoordeling worden betrokken, dat het speelpark ook na 18.00 uur geopend mag zijn. Datzelfde geldt voor ’t Vossenhol dat met dit plan ook na de nu feitelijke sluitingstijd van 19.30 uur geopend mag zijn. Verder is na het toepassen van de wijzigingsbevoegdheid sprake van een uitbreiding van de bestaande parkeercapaciteit, waarvan significante negatieve effecten op het Natura 2000-gebied niet zijn uit te sluiten. De Limiten en anderen hebben ter nadere onderbouwding een notitie van Wageningen Environmental Research ('WER') van juli 2020 overgelegd. Daarin wordt geconcludeerd dat in de ecologische rapporten die aan het plan ten grondslag zijn gelegd niet afdoende is getoetst op de effecten van het bestemmingsplan op de Natura 2000-doelen (vogelrichtlijnsoorten), de beschermde soorten (vleermuizen, ringslag, das et cetera) en het Natuurnetwerk Nederland. Op basis van de ecologische rapporten is het niet mogelijk om te concluderen dat in Natura 2000-gebied rondom het speelpark geparkeerd kan worden zonder de natuur te schaden.

31.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 22 januari 2020, ECLI:NL:RVS:2020:212, volgt uit artikel 2.8 van de Wnb, in samenhang gelezen met artikel 2.7 van de Wnb dat een passende beoordeling moet worden gemaakt als het plan significante gevolgen kan hebben voor een Natura 2000-gebied. Dat is het geval als een plan voorziet in ruimtelijke ontwikkelingen die ten opzichte van de referentiesituatie significante gevolgen kunnen hebben. Onder referentiesituatie wordt de feitelijk bestaande, planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan verstaan. De maximale mogelijkheden van het plan, inclusief de wijzigingsbevoegdheden, moeten worden vergeleken met de referentiesituatie om vast te stellen of sprake is van nieuwe ruimtelijke ontwikkelingen.

31.2.    De raad heeft ter onderbouwing van zijn standpunt dat er geen sprake is van significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied verwezen naar het ecologisch rapport. Uit dit rapport valt naar het oordeel van de Afdeling niet op te maken van welke referentiesituatie is uitgegaan. Tijdens de zitting heeft de deskundige toegelicht dat is gekeken naar de feitelijke situatie in het veld. Volgens hem zijn er verder geen uitbreidingsmogelijkheden in het plan die gevolgen kunnen hebben voor het Natura 2000-gebied.

31.3.    De Afdeling stelt vast dat het plan meer mogelijk maakt dan de feitelijk bestaande planologisch legale situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan. Zeven attracties/speeltoestellen die wel al zijn vergund en in het plan ook als zodanig zijn bestemd, zijn feitelijk nog niet gerealiseerd. Het gaat om 4 dukdalftorens, 2 ferris wheels en de Zierer force. De gevolgen van deze attracties/speeltoestellen voor het Natura 2000-gebied moeten daarom nog worden beoordeeld. Verder maakt het plan het mogelijk dat het park ook na 18.00 uur open blijft, terwijl het park voor de vaststelling van het plan feitelijk om 18.00 uur dicht ging. Ook maakt het plan de zelfstandige horecagelegenheid ’t Vossenhol mogelijk. Deze gelegenheid mag met dit plan ook na 19.30 uur geopend zijn. Zoals hiervoor al is overwogen, kan ook het parkeerterrein dat via de wijzigingsbevoegdheid, als opgenomen in artikel 14.3 van de planregels mogelijk wordt gemaakt, worden beschouwd als een nieuwe ontwikkeling. Ook hiervan moeten de gevolgen op het Natura 2000-gebied worden beoordeeld.

31.4.    Uit het onderzoek blijkt niet dat de gevolgen van de hiervoor genoemde nieuwe ontwikkelingen voor het Natura 2000-gebied zijn onderzocht. Op de zitting is ook bevestigd dat dit niet is beoordeeld. De raad heeft zich dan ook niet op het standpunt kunnen stellen dat significante gevolgen van het plan zijn uit te sluiten en het plan is in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus gebiedsbescherming

32.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het hiervoor onder 31.4 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad alsnog te (doen) onderzoeken wat de gevolgen van de nieuwe ontwikkelingen, die het plan mogelijk maakt, ten opzichte van de legale feitelijk(e) (bestaande) situatie voorafgaand aan de vaststelling van het plan voor het Natura 2000-gebied zijn en op basis van de uitkomsten van dat onderzoek te beoordelen of aldus op grond van objectieve gegevens kan worden uitgesloten dat het plan op zichzelf of in combinatie met andere plannen en projecten significante gevolgen voor het Natura 2000-gebied heeft en in het licht van de uitkomst van die beoordeling zo nodig een gewijzigd plan vast te stellen.

Soortenbescherming

33.    De Limiten en anderen, VVG en SBGH voeren aan dat de raad onvoldoende heeft onderzocht in hoeverre het plan voor wat betreft de soortenbescherming in overeenstemming is met de Wnb Volgens hen blijkt uit het ecologisch onderzoek onvoldoende wat er is onderzocht. Niet duidelijk is welke soorten zich in het gebied bevinden en welke gevolgen het plan hiervoor heeft. Uit het geluidsonderzoek blijkt volgens hen dat er evident sprake is van een geluidverstoring in het bos, die de daar aanwezige vogels zou kunnen verstoren. Volgens hen is dan ook ten onrechte geen onderzoek verricht naar de effecten van het nieuwe parkeerterrein op de aanwezige beschermingswaardige vogels. Datzelfde geldt ook voor andere diersoorten. Zij verwijzen ter onderbouwing naar rapporten van ir. A. Meijer van de Stichting Dassenwerkgroep Utrecht & 't Gooi van 24 september en 6 oktober 2019.

Hieruit blijkt dat het oostelijke bos een onmisbare infrastructuur vormt voor de das en daar haar hoofdburcht heeft. Het is volgens hen onmogelijk om hier een parkeerplaats te realiseren zonder afbreuk te doen aan het functioneren van die burcht. De Limiten en VVG hebben ter nadere onderbouwing een notitie van Wageningen Environmental Research ("WER") van juli 2020 overgelegd. Daarin wordt geconcludeerd dat in het ecologisch rapporten dat aan het plan ten grondslag is gelegd, niet afdoende is getoetst op de effecten van het bestemmingsplan op de beschermde soorten (vleermuizen, ringslag, das et cetera). Op basis van de ecologische rapporten is het niet mogelijk te concluderen dat rondom het speelpark geparkeerd kan worden zonder de natuur te schaden. Uit het door WER uitgevoerde veldonderzoek blijkt dat sprake is van een hoofdburcht/kraamburcht nabij het speelpark (ten oosten), waarin een dassenfamilie van ten minste zes dieren - inclusief drie jonge dassen - aanwezig is. Door de aanleg van het parkeerterrein zal een belangrijke voedselbron voor de das verdwijnen, waardoor deze dieren niet kunnen overleven. Er zal een integraal (jaarrond) onderzoek moeten worden uitgevoerd naar de beschermde soorten. Dat moet worden uitgevoerd conform de methodes die worden gehanteerd bij de Particuliere Gegevens beherende Organisaties (PGO's), zoals SOVON (Vogelonderzoek Nederland), FLORON (vegetatie) en de Zoogdiervereniging. Een ontheffing op grond van de Wnb zal volgens hen niet worden verleend.

33.1.    De vragen of voor de uitvoering van het plan een vrijstelling dan wel een ontheffing op grond van het soortenbeschermingsregime in de Wnb nodig is en zo ja, of deze ontheffing kan worden verleend, komen in beginsel pas aan de orde in een procedure op grond van de Wnb. Dat doet er niet aan af dat de raad het plan niet heeft kunnen vaststellen indien en voor zover hij  in redelijkheid heeft moeten inzien dat het soortenbeschermingsregime in de Wnb op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

De Afdeling is van oordeel dat gelet op wat door partijen is aangevoerd en wat in de door hen overgelegde rapporten staat over de aanwezigheid van soorten in het gebied en de mogelijke gevolgen daarvan aanknopingspunten zijn aangedragen om te twijfelen aan de conclusies in het ecologisch rapport. De conclusie in dit rapport dat het plan geen gevolgen zal hebben voor de aanwezige soorten is niet inzichtelijk. Niet duidelijk is welke beschermde soorten in en rondom het plangebied aanwezig zijn. Ook is niet inzichtelijk gemaakt waarom het plan dienaangaande geen gevolgen zal hebben.

Gelet op het voorgaande heeft de raad zich niet in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de Wnb op voorhand niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

Het betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus soortenbescherming

34.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het hiervoor onder 33.1 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad alsnog inzicht te verkrijgen in de vraag welke beschermde soorten in en om het plangebied aanwezig zijn en welke mogelijke gevolgen het plan op deze soorten zal hebben. De raad dient op basis van het hierover verkregen inzicht te beoordelen of in redelijkheid kan worden aangenomen dat de Wnb niet op voorhand aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat en in het licht van de uitkomst van die beoordeling zo nodig een gewijzigd plan vast te stellen

Kapvergunning

35.    De Limiten en anderen voeren aan dat de bomen die voor het parkeerterrein gekapt zullen moeten worden volgens de Groene Kaart Gooise Meren als waardevolle bomen in beschermd gebied aangemerkt worden. Op grond van artikel 4:11 van de Algemene Plaatselijke Verordening Gooise Meren 2016 (hierna: APV) is het verboden deze bomen zonder vergunning te vellen of te doen vellen. Deze omgevingsvergunning moet worden geweigerd, indien het belang van verlening niet opweegt tegen de natuurwaarde, de landschappelijke waarde, de beeldbepalende waarde of de cultuurhistorische waarde van de houtopstand en de waarden van de houtopstand voor het stads- en dorpsschoon of voor de leefbaarheid van de houtopstand. De aanvraag om de kapvergunning moet volgens hen worden geweigerd, omdat het belang van verlening niet opweegt tegen de natuurwaarde, de landschappelijke waarde, de beeldbepalende waarde of de cultuurhistorische waarde van de houtopstand en de waarden van de houtopstand voor het stads- en dorpsschoon of voor de leefbaarheid van de houtopstand. Het plan is derhalve niet uitvoerbaar.

35.1.    De Afdeling overweegt dat de raad zijn standpunt dat geen reden bestaat om aan te nemen dat een kapvergunning zou worden geweigerd, niet voldoende heeft gemotiveerd. Niet duidelijk is geworden welk wettelijk kader de raad daarbij heeft toegepast. Binnen de bij besluit van de raad vastgestelde grenzen van de bebouwde kom is dat de APV en daarbuiten hoofdstuk 4 van de Wnb. Nu de raad niet inzichtelijk heeft gemaakt waar deze grenzen lopen, kan door de Afdeling niet worden vastgesteld welk wettelijk kader hier geldt en evenmin of het plan op de onderdeel de zogenoemde uitvoerbaarheidstoets kan doorstaan. Het plan is op dit punt onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus kapvergunning

36.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen het hiervoor onder 35.1 geconstateerde gebrek in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad alsnog te inzicht te verkrijgen in de vraag of het kapvergunningstelsel, als opgenomen in artikel 4:11 APV, dan wel hoofdstuk 4 van de Wnb van toepassing is. De raad dient op basis daarvan te beoordelen of in redelijkheid kan worden aangenomen dat bedoelde kapvergunningstelsel, dan wel de regeling, als opgenomen in hoofdstuk 4 van de Wnb, niet op voorhand aan uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat en in het licht van de uitkomst van die beoordeling zo nodig een gewijzigd plan vast te stellen.

Stedelijke ontwikkeling

37.    VVG voert aan dat de raad ten onrechte niet heeft beoordeeld of het plan voldoet aan artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro en artikel 5a van de PRV. Het nieuw te realiseren parkeerterrein is volgens haar groter dan 500 m², zodat sprake is van nieuwe stedelijke ontwikkeling als bedoeld in deze artikelen.

37.1.    Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen in de uitspraak van 28 juni 2017, ECLI:NL:RVS:2017:1724 (ov. 6.3), dient wanneer een bestemmingsplan voorziet in een terrein met een ruimtebeslag van meer dan 500 m2 of in een gebouw met een bruto-vloeroppervlakte groter dan 500 m2, deze ontwikkeling in beginsel als een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro te worden aangemerkt.

Verder is in die uitspraak overwogen (ov. 7) dat bij de beantwoording van de vraag of een stedelijke ontwikkeling die een bestemmingsplan mogelijk maakt een nieuwe stedelijke ontwikkeling in de zin van artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro behelst, in onderlinge samenhang worden beoordeeld in hoeverre het plan, in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan, voorziet in een functiewijziging en welk planologische beslag op de ruimte het nieuwe plan mogelijk maakt in vergelijking met het voorgaande bestemmingsplan (uitspraken van 6 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:915 (Oldenzaal), en van 20 april 2016, ECLI:NL:RVS:2016:1064 (Waalre)).

37.2.    Voor het parkeerterrein is in artikel 14.3 van de planregels mogelijk gemaakt dat het college de "bestemming" bos wijzigt ten behoeve van parkeren. Het parkeerterrein mag maximaal 1,1262 hectare (plus 0,1738 hectare indien die nodig is voor een betere landschappelijke en ecologische inpassing) groot worden. Dit betekent dat er gelet op wat hiervoor is overwogen, sprake is van een nieuwe stedelijke ontwikkeling. Dat, zoals de raad stelt, het parkeerterrein er komt ten behoeve van het al bestaande speelpark maakt dit niet anders. Daargelaten of het nieuwe parkeerterrein alleen zal worden gebruikt door bezoekers van het speelpark, is er sprake van een nieuwe ontwikkeling, omdat er sprake is van een nieuw ruimtebeslag dat aanzienlijk groter is dan 500 m2.

De raad had daarom in de plantoelichting moeten beschrijven of deze ontwikkeling voorziet in een behoefte. Voor zover de raad zich op het standpunt heeft gesteld dat in het derde lid van artikel 3.1.6 van het Bro is bepaald dat hij de beschrijving van de behoefte aan een nieuwe stedelijke ontwikkeling kan ‘doorschuiven’ van het bestemmingsplan naar een uitwerkings- of wijzigingsplan, wordt overwogen dat het derde lid de mogelijkheid biedt om in het plan te bepalen dat dit wordt doorgeschoven. Nu dit in het plan niet is gedaan, had de raad deze beoordeling nu al moeten maken.

Voor de uitleg van het begrip stedelijke ontwikkeling wordt in de PRV aangesloten bij het Bro. Er is dus ook sprake van een stedelijke ontwikkeling als bedoeld in de PRV. De raad had dus ook artikel 5 van de PRV moeten toepassen. Het besluit is in zoverre onzorgvuldig voorbereid.

Het betoog slaagt.

Opdracht bestuurlijke lus nieuwe stedelijke ontwikkeling

38.    De Afdeling ziet in het belang bij een spoedige beëindiging van het geschil aanleiding met toepassing van artikel 8:51d van de Awb de raad op te dragen de hiervoor onder 37.2 geconstateerde gebreken in het bestreden besluit binnen de in de beslissing van deze uitspraak genoemde termijn te herstellen. Hiervoor dient de raad alsnog te beoordelen of het plan voldoet aan artikel 5a van de PRV, alsmede aan artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro en het plan in het licht van uitkomst van die beoordeling zo nodig gewijzigd vast te stellen. In plaats van een beoordeling van het plan aan artikel 3.1.6, tweede lid, van het Bro kan de raad bij een vast te stellen wijziging van het plan de toets aan artikel 3.1.6, tweede lid van het Bro ook doorschuiven naar de toepassing van de wijzigingsbevoegdheid.

NNN in relatie tot het parkeerterrein

39.    De Limiten en anderen, VVG en SBGH voeren aan dat het opgeven van beschermd NNN-gebied ten behoeve van een parkeerplaats voor het speelpark volstrekt onaanvaardbaar is. De raad heeft volgens hen de waarde van het NNN-gebied onvoldoende in zijn belangenafweging betrokken. Er bestaat geen noodzaak voor het parkeerterrein. De recent gegenereerde toename van de parkeerbehoefte van het speelpark is volgens hen buitenproportioneel en verdraagt zich niet met een goede ruimtelijke ordening. Het speelpark moet de parkeerplaatsen volgens hen op eigen terrein realiseren. De in 1995 verleende, inmiddels vervallen, milieuvergunning toont aan dat het ook de intentie was van het speelpark om de bezoekers van het speelpark op eigen terrein te laten parkeren. Er zijn volgens hen voldoende alternatieven op eigen terrein. Het is onbegrijpelijk dat de raad niet bereid is om enkele bomen te laten kappen ter hoogte van een al bestaand parkeerterrein dat geen onderdeel uitmaakt van NNN-gebied, maar wel een stuk NNN-gebied wil opofferen voor een nieuwe parkeerplaats. Verder zijn er volgens appellanten ook andere alternatieven. Zo zouden shuttlebussen ingezet kunnen worden, waardoor nieuwe parkeerplekken niet nodig zijn. Bezoekers kunnen dan ergens aan de rand van Gooise Meren parkeren. Volgens de raad zou met name het noordelijke deel van de Valkeveenselaan te smal zijn om bussen elkaar te kunnen laten passeren. Deze stelling is volgens hen niet te volgen: aan de ene kant stelt de raad dat de Valkeveenselaan in de huidige situatie geschikt is om er bussen over te laten rijden (voor onder andere schoolreisjes), maar aan de andere kant zou het niet mogelijk zijn om de shuttlebussen op zodanige wijze in te zetten dat deze elkaar niet hoeven te passeren (op het noordelijke deel van de Valkeveenselaan). Verder kan het gebruik van e-tickets volgens appellanten nu al een bijdrage leveren aan het oplossen van het parkeerprobleem. Met een e-ticketsysteem met parkeerkaart en tijdslot kan wellicht worden voorkomen dat een groot deel van de beschermenswaardige natuur onnodig wordt opgeofferd voor een parkeerterrein dat wellicht achteraf gezien helemaal niet nodig is, althans niet in de huidig beoogde omvang. Dit klemt volgens hen temeer, nu uit het verkeersrapport van Goudappel Coffeng volgt dat een e-ticketsysteem technisch gezien mogelijk is. Verder is nog steeds niet duidelijk waarom het verplaatsen van een deel van de attracties/speeltoestellen vanuit het zuidelijkste deel van het speelpark richting het noorden (binnen de bestemming "Recreatie - Speelpark") geen reële optie zou zijn om ruimte te maken voor parkeerplaatsen.

39.1.    De raad heeft toegelicht dat rond de zomer van 2018 en kort na de opening van het seizoen van 2019 onderzoek is uitgevoerd naar de verkeer- en parkeersituatie door Goudappel Coffeng. De door omwonenden geconstateerde overlast wordt bevestigd door dit onderzoek, met dien verstande dat geconstateerd wordt dat deze problematiek zich alleen voordoet zodra er onvoldoende parkeercapaciteit beschikbaar is. Op het terrein van het speelpark zijn nu 500 parkeerplaatsen. Op piekdagen is dit te weinig. De in het parkeerbeleid van de gemeente opgenomen norm voor attractieparken is niet toereikend voor het speelpark. De parkeerbehoefte is (veel) groter. De in het parkeerbeleid opgenomen norm is daarom bij vaststelling van het plan ook niet van toepassing verklaard op dit plangebied. Behoud van de bestaande op het speelpark aanwezige parkeercapaciteit is volgens de raad essentieel. Daarom zijn de betreffende gronden aangewezen als "parkeerterrein" en is uitsluitend het gebruik ten behoeve van parkeren toegestaan. Het toelaten van een nieuwe parkeervoorziening bij het speelpark lijkt, verkeerskundig gezien, een goede oplossing. Vanwege de ligging in een natuurgebied is het toelaten van een nieuwe parkeervoorziening volgens de raad niet zonder meer mogelijk, maar ook niet principieel onaanvaardbaar. Op 11 december 2018 is een omgevingsvergunning voor 10 jaar verleend voor een overloopparkeerterrein voor incidenteel parkeren op een weiland van Staatsbosbeheer. Er mag daar maximaal 20 dagen geparkeerd worden. Die vergunning is in het plan opgenomen. Volgens de raad is dit echter geen geschikte permanente oplossing. Oud Valkeveen wil gronden aan de oostzijde van het speelpark kopen, zodat daar kan worden geparkeerd in het bos. Oud Valkeveen is daarover in overleg met Staatsbosbeheer die onder voorwaarden wil meewerken. Een van de voorwaarden is dat een perceel van Oud Valkeveen NNN wordt. De raad heeft toegelicht dat parkeren in het bos wordt gerealiseerd, waarbij de aanwezige bomen zoveel mogelijk zullen worden gespaard. Verder heeft de raad toegelicht dat in tegenstelling tot wat appellanten stellen er nooit sprake geweest van een parkeercapaciteit van 700 parkeerplaatsen op eigen terrein. Er heeft zich dan ook geen vermindering van de parkeercapaciteit op eigen terrein voorgedaan. De vermelding van dit aantal in de milieuvergunningaanvraag betrof geen bestaande situatie op eigen terrein, maar een voornemen om dat aantal te realiseren. De exploitant probeert gronden in eigendom te verkrijgen om op eigen terrein haar parkeercapaciteit te kunnen vergroten. De status van het NNN en de natuurwaarden zijn nadrukkelijk meegewogen. Dit komt tot uiting in de voorwaarden die gesteld worden aan de toepassing van de wijzigingsmogelijkheid. Uitruil van gronden ter compensatie van verlies aan oppervlakte NNN maakt daarvan deel uit. Dat geldt ook voor het niet realiseren van de vergunde toestellen op het bestaande parkeerterrein. Verder is uit het overleg als bedoeld in artikel 3.1.1 Bro gebleken dat de provincie (die de begrenzing van het NNN bepaalt) en Staatsbosbeheer (beheerder van het NNN) de beoogde parkeeroplossing in het bos ondersteunen. Deze standpunten maken eveneens deel uit van de afweging.

Ten aanzien van de alternatieven die genoemd zijn stelt de raad zich op het standpunt dat dit geen reële alternatieven zijn. Op het parkeerterrein bevinden zich bomen en bosschages. De meest efficiënte indeling vergt het verwijderen van dit groen, wat ongewenst is. Met de exploitant is niettemin afgesproken dat wordt onderzocht op welke wijze de parkeercapaciteit op eigen terrein kan worden vergroot zonder verlies van de natuurlijke uitstraling van het terrein. Daarbij heeft de exploitant toegezegd in overweging te nemen de begrenzing tussen parkeerterrein en speelpark enigszins te wijzigen ten gunste van de parkeercapaciteit (met behoud van bestaande toestellen). Het is te verwachten dat enige toename van de parkeercapaciteit op deze wijze kan worden bereikt, maar de omvang van de volledige parkeerbehoefte is veel groter dan wat met een efficiëntere indeling kan worden opgelost. Wat betreft de voorgestelde inzet van shuttlebussen (vanaf P&R terrein) stelt de raad dat name het noordelijke deel van de Valkeveenselaan te smal is om bussen elkaar te kunnen laten passeren. Over de verkoop van e-tickets met parkeerkaart en tijdslot stelt de raad dat deze maatregelen onderdeel kunnen zijn van de maatregelen als bedoeld in artikel 14.3 onder j van de planregels, maar pas nadat een oplossing voor de bestaande problematiek wordt geboden. Voor wat betreft in het noorden een stuk 'speelpark' toevoegen (zodat het speelpark naar het noorden kan 'verschuiven') het volgende. Een verschuiving in noordelijke richting zou volgens de raad betekenen dat toestellen moeten worden geplaatst op gronden die niet in bezit zijn van de exploitant, maar van Staatsbosbeheer. Daarvoor verleent Staatsbosbeheer geen toestemming. Deze gronden maken  deel uit van het NNN. Het intensiever/permanent inrichten van deze gronden ten behoeve van het speelpark is strijdig met de regelgeving in het kader van het NNN. Het strandje maakt deel uit van de sterke samenhang in de onafgebroken keten van moeras en vochtige graslanden langs de Gooimeer-kust. Het zou bovendien leiden tot een intensivering/permanent gebruik van gronden die dichter bij het Natura 2000-gebied zijn gelegen, wat ongewenst is.

De Afdeling is van oordeel dat, behoudens de gebreken die hiervoor onder de overwegingen 19.4 en 20, 21.2 en 22, 28.1 en 29, 31.4 en 32, 33.1 en 34, 35.1 en 36, 37.2 en 38 zijn vastgesteld, de raad zich met deze motivering in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat het mogelijk maken van het parkeren in het bos in beginsel ruimtelijk aanvaardbaar zou kunnen zijn en daarvoor geen reële alternatieven zijn.

Het betoog slaagt niet.

Overige gronden SBGH

40.    SBGH voert aan dat de totstandkoming van het ontwerpbestemmingsplan en de behandeling daarvan in de raad op 9 oktober 2019 volledig buiten het college en de raad om werden begeleid, maar werd verzorgd en beïnvloed door het commerciële bureau Van Riezen Consult B.V. en zijn directeur W. van Riezen. Deze directeur heeft op zijn beurt en zonder enige controle door het college en/of de raad het bureau Els & Linde B.V. te Hilversum en zijn enige werknemer en directeur P.J.H. van der Linden ingeschakeld.

40.1.    Het plan is conform de openbare voorbereidingsprocedure van afdeling 3.4 van de Awb voorbereid. Bij de vaststelling van het ontwerpbestemmingsplan wordt de raad geïnformeerd door een raadsmededeling. De wijze waarop de besluitvorming wordt voorbereid is aan het college. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat de omstandigheid dat de planprocedure door een extern bureau is begeleid, het maakt dat het plan in strijd met de Awb tot stand is gekomen. De Awb verbiedt dit niet. Het college heeft het voorstel bij de raad neergelegd en de raad heeft het besluit genomen. De bevoegdheid tot vaststelling is bij de raad gebleven.

Het betoog slaagt niet.

41.    SBGH voert aan dat in de Nota zienswijzen ten onrechte niet is ingegaan op een aantal bezwaren. Verder wijst zij erop dat de namen van de rechtspersonen zijn geanonimiseerd.

41.1.    Artikel 3:46 van de Awb verzet zich er niet tegen dat de raad de zienswijze samengevat weergeeft. Dat niet op ieder argument ter ondersteuning van een zienswijze afzonderlijk is ingegaan, is op zichzelf geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit niet voldoende is gemotiveerd. Niet is gebleken dat bepaalde bezwaren of argumenten niet in de overwegingen zijn betrokken. Geen wettelijke regeling verzet zich er verder tegen dat bij de beantwoording van de zienswijzen de zienswijzen niet letterlijk worden weergegeven en de indieners worden geanonimiseerd.

Het betoog slaagt niet.

42.   SBGH voert aan dat de raad het ecologisch onderzoek van P.J.H. van der Linden niet aan het plan ten grondslag heeft mogen leggen, omdat hij niet over de juiste deskundigheid beschikt.

42.1.     De raad heeft toegelicht dat P.J.H. van der Linden deskundig is op het gebied van ecologie. Hij heeft een opleiding tot ecoloog gevolgd (HBO) en met succes afgerond. Verder werkt hij bij een ecologisch adviesbureau. In het recente verleden is hij bestuurslid en actief lid geweest van de Zoogdiervereniging en de NOZOS (de Noord-Hollandse afdeling van de zoogdiervereniging).Hij is aantoonbaar al 20 jaar werkzaam als ecoloog. De raad wijst erop dat de Afdeling en andere overheidsinstanties zijn deskundigheid accepteren. Ter zitting heeft Van der Linden wat door de raad naar voren is gebracht, bevestigd.

42.2.    De Afdeling ziet geen reden waarom de raad  aan de deskundigheid van P.H.J. van der Linden had moeten twijfelen. De raad heeft hem kunnen inschakelen voor deskundig advies ter voorbereiding van het bestemmingsplan.

Het betoog slaagt niet.

Conclusie

43.    Het beroep van De Limiten en anderen, voor zover ingesteld door de bewoners van het Valkeveense gebied, is niet-ontvankelijk. Verder krijgt de raad de mogelijk de geconstateerde gebreken in het besluit te herstellen. Hiervoor dient de raad aan de opdrachten zoals verwoord in overwegingen 11, 14, 20, 22, 24, 27, 29, 32, 34, 36 en 38 te voldoen.

44.    In de einduitspraak zal worden beslist over de proceskosten en vergoeding van het betaalde griffierecht.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I.verklaart het beroep van Stichting De Limiten en Valkeveen en anderen, voor zover dat is ingesteld door de bewoners van het Valkeveense gebied, niet-ontvankelijk;

II.draagt de raad van de gemeente Gooise Meren op om binnen 26 weken na de verzending van deze uitspraak:

- de onder 43 genoemde opdrachten uit te voeren en

- de Afdeling en de andere partijen de uitkomst mede te delen en het eventuele nieuwe besluit op de wettelijk voorgeschreven wijze bekend te maken en mede te delen.

Aldus vastgesteld door mr. H.C.P. Venema, voorzitter, en mr. J. Hoekstra en mr. J. Gundelach, leden, in tegenwoordigheid van mr. S.J.R.R. Vreugdenhil-Brock, griffier.

De voorzitter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

De griffier is verhinderd de uitspraak te ondertekenen.

603.

Bijlage

Planregels

1.    6 attractietoestel

een al dan niet permanent geïnstalleerde inrichting ter voortbeweging van personen, die bestemd is voor vermaak of ontspanning en die aangedreven wordt door een niet-menselijke energiebron, de daarbijbehorende technische ruimtes en bedieningsruimten inbegrepen;

1.    33 horeca

een bedrijf waarvan de activiteiten in hoofdzaak gericht zijn op het verstrekken van nachtverblijf, op het verstrekken en/of ter plaatse te laten nuttigen van voedsel en/of dranken en/of het exploiteren van zaalaccommodatie waarbij de volgende specifieke vormen onder horeca worden begrepen:

1.    categorie 1 daghoreca: een bedrijf dat ondersteunend is aan en qua openingstijden in het algemeen vergelijkbaar is met detailhandelsvestigingen en waarvan de activiteiten in hoofdzaak bestaan uit het verstrekken c.q. snel serveren van kleinere maaltijden, broodjes, hapjes, ijs, gebak en dranken, met uitzondering van alcoholische dranken;

2.    categorie 2 restaurant/cafetaria: een bedrijf, waarvan de activiteiten in hoofdzaak bestaan uit het verstrekken van maaltijden voor gebruik ter plaatse en waarbij het verstrekken van dranken (daaraan) ondergeschikt is;

3.    categorie 3 café/bar: een zelfstandige, niet geheel of gedeeltelijk deel uitmakende van een hotel, restaurant of zaalaccommodatie voorkomend bedrijf, waarvan de activiteiten in hoofdzaak bestaan uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse en waar het verstrekken van maaltijden daaraan ondergeschikt is;

4.    categorie 4 bar-dancing of dancing (discotheek): een zelfstandige, niet geheel of gedeeltelijk deel uitmakend van een hotel, restaurant of zaalaccommodatie voorkomend bedrijf waarvan de activiteiten in hoofdzaak bestaan uit het verstrekken van dranken voor gebruik ter plaatse waarbij gelegenheid wordt geboden tot dansen, met een in het algemeen hoge bezoekersfrequentie gedurende de avond en de nacht, waarbij de bedrijvigheid zich binnen de grenzen van de lokaliteit voltrekt;

5.    categorie 5 zaalaccommodatie: een bedrijf, waarvan de activiteiten in hoofdzaak bestaan uit het bieden van gelegenheid tot het houden van bruiloften en partijen, alsmede tot het houden van congressen, conferenties en andere vergaderingen en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is;

6.    categorie 6 hotel: een bedrijf, waarvan de activiteiten in hoofdzaak bestaan uit het verstrekken van nachtverblijf en eventueel het exploiteren van zaalaccommodatie en waarbij het verstrekken van voedsel en dranken (daaraan) ondergeschikt is.

1.46 speeltoestel

een inrichting bestemd voor vermaak of ontspanning, waarbij uitsluitend van de zwaartekracht of de fysieke kracht van de mens gebruik wordt gemaakt;

Artikel 3 Bos

3.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Bos' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. bos, bebossing en productie van hout;

b. groenvoorzieningen;

c. voet- en fietspaden;

d. waterhuishoudkundige voorzieningen;

e. sloten, beken en daarmee gelijk te stellen waterlopen;

f. dagrecreatie ten behoeve van het speelpark ter plaatse van de aanduiding 'dagrecreatie';

met daaraan ondergeschikt:

g. extensief recreatief medegebruik en educatief medegebruik;

met de daarbijbehorende:

h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

3.2 Bouwregels

Op en onder de in lid 3.1 genoemde gronden mag uitsluitend worden gebouwd ten dienste van de bestemming.

3.2.1 Gebouwen

a. Het bouwen van gebouwen is niet toegestaan;

3.2.2 Speeltoestellen en attractietoestellen

a. Het bouwen van attractietoestellen en speeltoestellen is niet toegestaan;

b. In afwijking van het bepaalde onder a is het uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van bos - speelvoorziening 1' met een maximum bouwhoogte zoals aangeduid op de verbeelding toegestaan bestaande speeltoestellen in stand te houden; Vervanging of volledige vernieuwing is niet toegestaan.

3.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. Bouwwerken ten behoeve van verlichting zijn niet toegestaan;

b. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 1,5 meter.

3.3 Specifieke gebruiksregels

3.3.1 Seizoen dagrecreatie

Het gebruik van gronden voor dagrecreatie ten behoeve van het speelpark als bedoeld in 3.1 onder f is uitsluitend toegestaan gedurende het seizoen dat start op 1 april en eindigt op 31 oktober.

3.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

1.     het af- en/of vergraven van gronden;

2.     het verwijderen van bomen en/of houtgewas, alsmede de verwijdering van bodem- en oevervegetaties;

3.     het graven van sloten en/of andere watergangen en/of -partijen;

4.     het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;

5.     het aanleggen van wegen en paden;

6.     het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik;

7.     het ontgronden, afgraven, ophogen en/of egaliseren van de gronden;

8.     het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse energie-, transport- en/of communicatieleidingen.

b. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden welke:

1.     normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen;

2.     reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

c. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in artikel 3.4 onder a genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een onevenredige aantasting van de bestemming.

Artikel 4 Natuur

4.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Natuur' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. het behoud, het herstel en de ontwikkeling van de cultuurhistorische, natuur- en landschappelijke waarden;

b. een parkeerterrein, ter plaatse van de aanduiding 'parkeerterrein', met in achtneming van het bepaalde in 4.3;

c. dagrecreatie ten behoeve van het speelpark ter plaatse van de aanduiding 'dagrecreatie';

met de bijbehorende functies:

d. groenvoorzieningen;

e. water;

met daaraan ondergeschikt:

f. het extensief op natuurbeheer gericht agrarisch medegebruik;

g. extensief recreatief medegebruik en educatief medegebruik;

met de daarbijbehorende:

h. bouwwerken, geen gebouwen zijnde.

4.2.2 Speeltoestellen en attractietoestellen

a. Het bouwen van attractietoestellen en speeltoestellen is niet toegestaan;

b. In afwijking van het bepaalde onder a is het uitsluitend ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - speelvoorziening 1' met een maximum bouwhoogte zoals aangeduid op de verbeelding toegestaan bestaande speeltoestellen in stand te houden; Vervanging of volledige vernieuwing is niet toegestaan;

c. In afwijking van het bepaalde onder a en b zijn gedurende de periode van 1 april tot en met 31 oktober buiten de aanduiding 'specifieke vorm van natuur - speelvoorziening 1' tevens maximaal 10 opblaasbare speeltoestellen toegestaan met een maximum bouwhoogte van 7 meter .

4.2.3 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. Bouwwerken ten behoeve van verlichting zijn niet toegestaan;

b. De bouwhoogte van overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde mag niet meer bedragen dan 1,5 meter.

4.3 Specifieke gebruiksregels

4.3.1 Seizoen dagrecreatie

Het gebruik van gronden voor dagrecreatie ten behoeve van het speelpark als bedoeld in 4.    1 onder c is uitsluitend toegestaan gedurende het seizoen dat start op 1 april en eindigt op 31 oktober.

4.3.2 Parkeerterrein

De gronden aangeduid met 'parkeerterrein' mogen slechts onder de volgende voorwaarden worden gebruikt als parkeerterrein (overloopparkeerterrein):

a. de gronden mogen tot uiterlijk 31 oktober 2028 worden gebruikt als overloopparkeerterrein;

b. het gebruik van de gronden als overloopparkeerterrein mag alleen plaatsvinden in de periode gelegen tussen 1 april en 1 november van een kalenderjaar (Gebruiksperiode);

c. tijdens de Gebruiksperiode zal het overloopparkeerterrein slechts gedurende 20 dagen in gebruik worden genomen. Een dagdeel wordt daarbij als één dag aangemerkt. Het gebruik is daarbij beperkt tot de uren 09:00 tot 19:00 uur. Buiten deze uren zal het terrein geheel ontruimd zijn;

d. het overloopparkeerterrein mag niet in gebruik worden genomen wanneer er voldoende parkeergelegenheid beschikbaar is op de overige parkeerterreinen van het Speelpark (Park zijde witte gebouw en Park zijde Vossehol);

e. vergunninghouder houdt een administratie bij van de dagen waarop het overloopparkeerterrein in gebruik wordt genomen en geeft een zodanig gebruik ook voorafgaande aan de ingebruikname, maar uiterlijk om 12:00 uur van de desbetreffende dag, door aan de gemeente door het zenden van een email aan vergunningen@gooisemeren.nl;

f. vergunninghouder dient de zones waarop bezoekers van het Speelpark hun auto's mogen parkeren duidelijk aan te geven door middel van markeringen in het terrein. Tevens zal de vergunninghouder er op toezien, door verkeersregelaars, dat niet buiten deze zones wordt geparkeerd

g. in totaal mogen op de gronden maximaal 500 auto's worden geparkeerd tijdens de piekdagen;

h. het gebruik van de gronden als overloopparkeerterrein is uitsluitend ten dienste van het parkeren van auto's van bezoekers van het Speelpark Oud Valkeveen;

i. het gebruik van het overloopparkeerterrein is beperkt tot personenwagens en personenbusjes met maximaal 9 zitplaatsen. Het overloopparkeerterrein zal niet worden gebruikt voor het parkeren van bussen, touringcars, vrachtwagens en ander vergelijkbaar zwaar materieel;

j. gedurende de Gebruiksperiode dient vergunninghouder ervoor zorg te dragen dat de vegetatie binnen de zones die worden gebruikt voor incidenteel parkeren kort gehouden worden (maximaal 10 cm) door deze, wanneer noodzakelijk, te maaien. Het maaisel moet daarbij afgevoerd worden;

k. na het verstrijken van de onder a genoemde datum dient het terrein nog steeds in de toestand te verkeren zoals deze was vóór de afgifte van de omgevingsvergunning met het kenmerk HZ_WABO-18-0983 op 11 december 2018.

De vergunninghouder dient hier zelf zorg voor te dragen.

4.    4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

a. Het is verboden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van Burgemeester en Wethouders de volgende werken, geen bouwwerken zijnde, en werkzaamheden uit te voeren:

1.     het af- en/of vergraven van gronden;

2.     het verwijderen van bomen en/of houtgewas, alsmede de verwijdering van bodem- en oevervegetaties;

3.     het graven van sloten en/of andere watergangen en/of -partijen;

4.     het aanbrengen van oppervlakteverhardingen;

5.     het aanleggen van wegen en paden;

6.     het aanleggen van voorzieningen ten behoeve van het extensief recreatief medegebruik en/of het educatief medegebruik;

7.     het ontgronden, afgraven, ophogen en/of egaliseren van de gronden;

8.     het aanleggen van ondergrondse of bovengrondse transport-, energie- en/of communicatieleidingen.

b. Het onder a vervatte verbod is niet van toepassing op werken en werkzaamheden die:

normale onderhouds- of exploitatiewerkzaamheden betreffen;

reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van het van kracht worden van dit plan.

c. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in artikel 4.    4 onder a genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een onevenredige aantasting van de bestemming.

Artikel 5 Recreatie - Speelpark

5.1 Bestemmingsomschrijving

De voor 'Recreatie - Speelpark' aangewezen gronden zijn bestemd voor:

a. een speelpark, zijnde een terrein waar speeltoestellen en attractietoestellen staan opgesteld die naar hun aard en uitstraling zijn gericht op kinderen in de basisschoolleeftijd;

b. horeca zijnde een restaurant, ter plaatse van de aanduiding 'horeca van categorie 2', met in achtneming van het bepaalde in 5.3.1;

en ten dienste daarvan:

c. ondergeschikte horeca ten dienste van het speelpark, ter plaatse van de aanduiding 'horeca', met in achtneming van het bepaalde in 5.3.2;

d. ondergeschikte detailhandel ten dienste van het speelpark, met in achtneming van het bepaalde in 5.3.3;

e. kassahuisjes, ter plaatse van de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie kassa', met in achtneming van het bepaalde in 5.3.4;

f. bedrijfswoningen, ter plaatse van de aanduiding 'bedrijfswoning', met in achtneming van het bepaalde in 5.3.5;

g. gebouwen ten behoeve van beheer en opslag, met in achtneming van het bepaalde in 5.3.6;

h. parkeervoorzieningen, met in achtneming van het bepaalde in 5.3.7;

met daarbij behorende:

i. ondersteunende voorzieningen zoals sanitair, berging, tuinmeubilair en dergelijke;

j. nutsvoorzieningen;

k. water en waterhuishoudkundige voorzieningen;

l. wegen en paden;

m. groenvoorzieningen;

n. tuinen, terreinen en erven.

5.2 Bouwregels

5.2.1 Gebouwen

Voor gebouwen gelden de volgende regels:

a. gebouwen mogen uitsluitend binnen het bouwvlak worden gebouwd;

b. maximum bebouwingspercentage binnen het bouwvlak: 100%;

c. maximum goot- en bouwhoogte: zoals met de aanduiding 'maximum goot- en bouwhoogte (m)' staat aangegeven;

d. maximum bebouwd oppervlak:

1.     gebouwen ten behoeve van sanitair, beheer en opslag, fietsenstallingen: maximaal 420 m2;

2.     gebouwen ten behoeve voor in- en uitgangen en kassahuisjes van het speelpark: 100 m2;

3.     overige gebouwen ten dienste van het speelpark en restaurant: 3.000 m2.

5.2.2 Speeltoestellen en attractietoestellen

Voor bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van speeltoestellen en attractietoestellen gelden de volgende regels:

a Aanduidingsvlak 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 1'

de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 1' mogen worden bebouwd ten behoeve van speeltoestellen met een maximum aantal zoals aangeduid op de verbeelding met 'aantal speeltoestellen buiten zone', uitgezonderd het bepaalde onder f;

de maximum bouwhoogte van speeltoestellen mag niet groter zijn dan zoals aangeduid op de verbeelding met 'maximum bouwhoogte speel- en attractietoestellen (m)'.

b Aanduidingsvlak 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 2'

de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 2' mogen tevens worden bebouwd ten behoeve van attractietoestellen, met een maximum aantal van één attractietoestel per aanduidingsvlak;

de maximum bouwhoogte van attractietoestellen mag niet groter zijn dan zoals aangeduid op de verbeelding met 'maximum bouwhoogte (m)';

c Aanduidingsvlak 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 3'

de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 3' mogen tevens worden bebouwd ten behoeve van attractietoestellen, uitsluitend in de vorm van een spoorbaan voor gemechaniseerde voertuigen;

voorwaarde is dat de beweegsnelheid van de voertuigen beperkt is tot 10 km/uur en de spoorbaan geen groter hoogteverschil dan 3 meter overbrugt;

ten behoeve van deze attractietoestellen mogen buiten de bouwvlakken en de aanduidingsvlakken 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 3' maximaal 5 bouwwerken worden gebouwd voor het in- en uitstappen bij de attractie

met een maximum oppervlak van 55 m2 per bouwwerk;

met een maximum totaaloppervlak van 150 m2;

met een maximum bouwhoogte van 4,5 meter voor 4 bouwwerken en 5,5 meter voor één bouwwerk.

d Aanduidingsvlak 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 4'

de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 4' mogen worden bebouwd ten behoeve van speeltoestellen;

de gronden aangeduid met 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 4' mogen tevens worden bebouwd ten behoeve van attractietoestellen met een maximum aantal zoals aangeduid op de verbeelding met 'aantal attracties binnen zone'; de binnen dit aanduidingsvlak gelegen attractietoestellen aangeduid met 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 3' tellen daarin niet mee;

de maximum bouwhoogte van speeltoestellen en attractietoestellen mag niet groter zijn dan zoals aangeduid op de verbeelding met 'maximum bouwhoogte speel- en attractietoestellen (m)';

het maximum bebouwd oppervlak van attractietoestellen mag niet groter zijn dan zoals aangeduid op de verbeelding met 'maximum bebouwd oppervlak attracties (m2)'; de binnen dit aanduidingsvlak gelegen attractietoestellen aangeduid met 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 3' tellen daarin niet mee.

e Aanduidingsvlak 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 5'

binnen de aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 5' zijn tevens speeltoestellen toegestaan, met een maximum aantal van één speeltoestel per aanduidingsvlak;

de maximum bouwhoogte van speeltoestellen mag niet groter zijn dan zoals aangeduid op de verbeelding met 'maximum bouwhoogte (m)'.

f Vervanging attractietoestellen door speeltoestellen

een attractietoestel aangeduid met 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 2' mag worden vervangen door een speeltoestel, op zodanige wijze dat het aantal attractietoestellen afneemt en het aantal speeltoestellen in ten hoogste hetzelfde aantal mag toenemen.

g Bedieningsruimten

in afwijking van het bepaalde in 5.2.1 mogen ten behoeve van speeltoestellen en attractietoestellen gebouwen worden gebouwd ten behoeve van de bediening van de toestellen;

de maximum bouwhoogte van bedieningsruimten mag niet groter zijn dan 5 meter;

het maximum bebouwd oppervlak van bedieningsruimten mag niet groter zijn dan 5 m2 per bouwwerk met een maximum van 30 m2 binnen het bestemmingsvlak.

h Versieringen

in afwijking van het bepaalde in a onder 2, b onder 2 en d onder 3 mag de maximum bouwhoogte worden overschreden met ten hoogste 3 meter ten behoeve van niet voor het publiek toegankelijke versieringen van attractietoestellen en speeltoestellen.

5.2.3 Tenten

In aanvulling op het bepaalde in 5.2.1 en 5.2.2 is het toegestaan binnen de aanduidingsvlakken

a. 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 1' en 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 4':

twee tenten met elk een maximum oppervlak van 70 m2 te realiseren.

één tent met een maximum oppervlak van 424 m2 te realiseren.

b. 'specifieke vorm van recreatie - beheer':

één tent met een maximum oppervlak van 300 m2 te realiseren.

5.2.4 Overige bouwwerken, geen gebouwen zijnde

a. Bouwwerken, geen gebouwen zijnde ten behoeve van verlichting zijn toegestaan met dien verstande dat de bouwhoogte van niet meer mag bedragen dan 1 meter.

b. Overige bouwwerken, geen gebouwen zijn toegestaan met dien verstande dat de bouwhoogte van niet meer mag bedragen dan 5 meter.

5.3 Specifieke gebruiksregels

5.3.1 Aanduidingsvlak 'horeca van categorie 2'

De gronden aangeduid met 'horeca van categorie 2' mogen worden gebruikt voor horeca, met inachtneming van de volgende regels:

a. horeca is slechts toegestaan in de vorm van horeca van categorie 1 en 2;

b. het maximum bruto vloeroppervlak horeca bedraagt niet meer dan 800 m2;

c. ten aanzien van terrassen:

1.     de exploitatie van een terras aan de zuid- en oostzijde van het aanduidingsvlak 'horeca van categorie 2' is uitsluitend toegestaan ter plaatse van de aanduiding 'terras';

2.     de exploitatie van een terras aan de noord- en westzijde van het aanduidingsvlak 'horeca van categorie 2' is direct aangrenzend aan het aanduidingsvlak toegestaan.

d. onder strijdig gebruik wordt in elk geval verstaan: horeca van categorie 3 tot en met 6.

5.3.2 Ondergeschikte horeca

Binnen deze bestemming is ter plaatse van de aanduiding 'horeca' aan het speelpark ondergeschikte horeca toegestaan, met inachtneming van de volgende regels:

a. ondergeschikte horeca is slechts toegestaan in de vorm van horeca van categorie 1 en 2;

b. de ondergeschikte horeca-activiteit mag niet zodanig prominent aanwezig zijn ter hoogte van de gevel waar de ingang van het speelpark is gevestigd dat de inrichting de uitstraling van een regulier horecabedrijf krijgt;

c. de toegang tot de ondergeschikte horeca-activiteit is uitsluitend te bereiken via de toegang tot het speelpark;

d. de openingstijden van de ondergeschikte horeca-activiteit zijn niet ruimer dan de openingstijden van het speelpark. Het speelpark dient tevens altijd geopend te zijn als de ondersteunende horeca geopend is;

e. voor de ondergeschikte horeca-activiteit mag geen reclame worden gemaakt;

f. de exploitatie van een terras direct aangrenzend aan het aanduidingsvlak is toegestaan;

g. onder strijdig gebruik wordt in elk geval verstaan: horeca van categorie 3 tot en met 6.

5.4 Afwijken van de bouwregels

5.4.1 Vernieuwing (vergroting) van attractietoestellen

a. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om in afwijking van de het bepaalde in 5.2.2 onder b een omgevingsvergunning te verlenen met dien verstande dat ter vervanging van een bestaand attractietoestel een nieuw speeltoestel of attractietoestel mag worden gerealiseerd met een grotere bouwhoogte dan met de aanduiding 'maximum bouwhoogte (m)' staat aangegeven of met een groter grondoppervlak dan met de van toepassing zijnde aanduiding 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 2' of 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 3' of 'maximum bebouwd oppervlak attracties (m2)' staat aangegeven, onder voorwaarde dat:

1.     de omgevingsvergunning niet leidt tot een grotere bouwhoogte dan zoals aangeduid op de verbeelding met 'maximum bouwhoogte speel- en attractietoestellen (m)';

2.     het oppervlak van het desbetreffende speeltoestel of attractietoestel met niet meer dan 15% toeneemt.

b. Toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid is uitgesloten voor bouwwerken waarvoor reeds toepassing is gegeven aan een afwijkingsbevoegdheid zoals is opgenomen in artikel 13;

c. Toepassing van deze afwijkingsbevoegdheid is uitgesloten voor bouwwerken binnen het aanduidingsvlak 'parkeerterrein'.

5.4.2 Verplaatsing van bestaande attractietoestellen

a. Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd om in afwijking van de het bepaalde in 5.2.2 onder b een omgevingsvergunning te verlenen met dien verstande dat bestaande attractietoestellen verplaatst kunnen worden naar gronden die niet zijn aangeduid als 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 2' of 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 3' onder de voorwaarden dat:

1.     ter plaatse van het aanduidingsvlak waar het toestel stond geen nieuw toestel wordt geplaatst;

2.     de locatie waarnaar het attractietoestel wordt verplaatst zich bevindt

op gelijke of grotere afstand van bestaande woningen buiten het speelpark en

op gelijke of kleinere afstand van het aanduidingsvlak 'specifieke vorm van recreatie - speelpark - speelvoorziening 4'.

5.4.3 Gelijktijdige vervanging en verplaatsing van attractietoestellen

Het bepaalde onder 5.4.1 en 5.4.2 kan gecombineerd worden toegepast.

Artikel 7 Waarde - Archeologie

7.1 Bestemmingsomschrijving

a. De voor 'Waarde - Archeologie' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden.

b. Daar waar dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen gelden:

1.     in de eerste plaats de bepalingen van artikel 9;

2.     in de tweede plaats de bepalingen van artikel 8;

3.     in de eerste plaats de bepalingen van artikel 7.

7.2 Bouwregels

7.2.1 Rapport archeologische monumentenzorg

De aanvrager van een Omgevingsvergunning - activiteit bouwen legt een KNA-conform archeologisch onderzoeksrapport voor waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord in voldoende mate is vastgesteld.

7.2.2 Verlenen vergunning

Het college van burgemeester en wethouders verleent de vergunning indien naar hun oordeel uit het KNA-conforme archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in 7.2.1 genoegzaam blijkt dat:

a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;

b. schade aan archeologische waarden door de bouwactiviteiten kan worden voorkomen door het in acht nemen van aan de Omgevingsvergunning -activiteit bouwen verbonden planregels.

7.2.3 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan omgevingsvergunning voor het bouwen

In de situatie als bedoeld in 7.2.2, onderdeel b, kan het college van burgemeester en wethouders de volgende planregels aan de Omgevingsvergunning - activiteit bouwen verbinden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor monumenten in de bodem kunnen worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen; of

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg die voldoet aan door het college van burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

7.2.4 Uitgezonderde werkzaamheden

7.2.1, 7.2.2 en 7.2.3 zijn niet van toepassing indien de aanvraag betrekking heeft op:

a. vervanging, vernieuwing of verandering van bestaande bebouwing, waarbij de oppervlakte niet wordt uitgebreid en waarbij gebruik wordt gemaakt van de bestaande fundering;

b. een bouwwerk met een oppervlakte kleiner dan 1.000 m²;

c. een bouwwerk dat zonder graafwerkzaamheden dieper dan 40 centimeter en zonder heiwerkzaamheden kan worden geplaatst.

7.2.5 Vondsten tijdens de uitvoering

Indien 7.2.3, onderdeel c van toepassing is, wordt in de voorschriften bij de omgevingsvergunning geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de bouwwerkzaamheden.

7.3 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

7.3.1 Verbod

Het is verboden om op of in de in 7.1 genoemde gronden zonder of in afwijking van een vergunning van het college van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden) de volgende werkzaamheden of werken, niet zijnde bouwwerken uit te voeren:

a. afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen, ophogen en aanleggen van drainage op een grotere diepte dan 30 centimeter;

b. heiwerkzaamheden en het op een of andere wijze indrijven van voorwerpen;

c. verlagen of verhogen van het waterpeil;

d. aanleggen of rooien van bos of boomgaard waarbij stobben worden verwijderd;

e. aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur;

f. het aanbrengen of verwijderen van diepwortelende beplantingen;

g. landbouwactiviteiten die jaarlijks een deel van de grond afplaggen.

7.3 2 Uitgezonderde werkzaamheden

Het verbod als bedoeld in 7.3.1 is niet van toepassing, indien de werkzaamheden of werken:

a. worden uitgevoerd voor het realiseren van een bouwwerk waarop 7.2 van toepassing is;

b. een oppervlakte beslaan van ten hoogste 1.000 m²;

c. reeds in uitvoering zijn op het tijdstip van inwerkingtreding van dit bestemmingsplan;

d. mogen worden uitgevoerd krachtens een reeds verleende omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden of een ontgrondingvergunning; of

e. ten dienste van archeologisch onderzoek worden uitgevoerd.

7.3.3 Rapport archeologische monumentenzorg

De aanvrager van een omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden als bedoeld in 7.3.1 legt een KNA- conform archeologisch onderzoeksrapport voor waarin de archeologische waarde van het terrein dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord is vastgesteld.

7.3.4 Toelaatbaarheid

Het college van burgemeester en wethouders verleent de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden indien naar hun oordeel uit het KNA-conforme archeologisch onderzoeksrapport als bedoeld in 7.3.3 genoegzaam blijkt dat:

a. er geen archeologische waarden zijn te verwachten of kunnen worden geschaad;

b. schade door de werkzaamheden of werken kan worden voorkomen of zoveel mogelijk kan worden beperkt door het in acht nemen van aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden verbonden planregels.

7.3.5 Mogelijke voorwaarden te verbinden aan vergunning

Aan de omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden kunnen in het belang van de archeologische waarden de volgende voorschriften worden verbonden:

a. de verplichting tot het treffen van technische maatregelen waardoor de archeologische waarden in de bodem worden behouden;

b. de verplichting tot het doen van opgravingen;

c. de verplichting de activiteit die tot bodemverstoring leidt, te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van de archeologische monumentenzorg, die voldoet aan door het college van burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

7.3.6 Vondsten tijdens de uitvoering

Indien 7.3.5, onderdeel c van toepassing is, wordt in de planregels geregeld wat de gevolgen zijn bij vondsten die worden gedaan tijdens de uitvoering van de werkzaamheden of werken.

7.4 Wijzigingsbevoegdheid

7.4.1 Bescherming en veiligstelling

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de in 7.3.1 genoemde gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen, indien het op grond van nader archeologisch onderzoek noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

7.4.2 Wijzigen of verwijderen

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd de in 7.3.1 genoemde gronden die, bij wijze van dubbelbestemming, bestemd zijn voor de bescherming en veiligstelling van archeologische waarden te wijzigen of geheel of gedeeltelijk te verwijderen, indien:

a. uit nader archeologisch onderzoek is gebleken dat ter plaatse geen archeologische waarden aanwezig zijn of zich op een andere plaats bevinden;

b. het op grond van nader archeologisch onderzoek niet meer noodzakelijk wordt geacht dat het bestemmingsplan ter plaatse in bescherming en veiligstelling van archeologische waarden voorziet.

Artikel 8 Waarde - Landschap - Aardkundig monument

8.1 Bestemmingsomschrijving

8.1.1 Algemeen

a. De voor 'Waarde - Landschap - Aardkundig monument' aangewezen gronden zijn, behalve voor de andere daar voorkomende bestemming(en), mede bestemd voor het behoud en de bescherming van de landschappelijke en aardkundige waarden van de gronden.

b. Daar waar dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen gelden:

1.     in de eerste plaats de bepalingen van artikel 9;

2.     in de tweede plaats de bepalingen van artikel 8;

3.     in de eerste plaats de bepalingen van artikel 7.

8.4 Omgevingsvergunning voor het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden

8.4.1 Omgevingsvergunningsvereiste

Het is verboden op of in deze gronden zonder of in afwijking van een schriftelijke vergunning van burgemeester en wethouders (omgevingsvergunning artikel 2.1, lid 1 sub b Wabo) de volgende werken en werkzaamheden uit te voeren of te laten uitvoeren:

a. het uitvoeren van grondbewerkingen, waartoe ook wordt gerekend afgraven, woelen, mengen, diepploegen, egaliseren, ontginnen en aanleggen van drainage;

b. het ophogen van het maaiveld waartoe wordt gerekend het aanleggen van tijdelijke gronddepots;

c. het aanleggen, vergraven, verruimen en dempen van sloten, vijvers en andere wateren;

d. het aanleggen, verbreden of verharden van wegen, paden, banen of parkeergelegenheid en het aanbrengen van andere oppervlakteverhardingen;

e. het uitvoeren van heiwerkzaamheden en het op één of andere wijze indrijven van voorwerpen in de grond;

f. het verlagen van het waterpeil, voor zover dit geen bevoegdheid van het waterschap betreft;

g. het aanleggen of rooien van bos of boomgaard;

h. het aanleggen van ondergrondse kabels en leidingen en het aanbrengen van daarmee verband houdende constructies, installaties of apparatuur.

8.4.3 Voorwaarden

a. De omgevingsvergunning wordt verleend, indien is gebleken dat de in artikel 8.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden niet zullen leiden tot een verstoring van aardkundige waarden;

b. Voor zover de in artikel 8.4.1 genoemde werken en werkzaamheden dan wel de directe of indirecte gevolgen van deze werken en werkzaamheden kunnen leiden tot een verstoring van aardkundige waarden, kan de vergunning worden verleend, indien aan de vergunning de volgende regels worden verbonden:

1.     de verplichting tot het treffen van technische maatregelen, waardoor aardkundige resten in de bodem kunnen worden behouden;

2.     de verplichting tot het doen van geologisch onderzoek, of;

3.     de verplichting de oprichting van het bouwwerk te laten begeleiden door een deskundige op het terrein van aardkunde die voldoet aan door burgemeester en wethouders bij de vergunning te stellen kwalificaties.

c. De vergunning kan alleen worden verleend nadat de aanvrager een rapport heeft overgelegd, waarin de aardkundige waarde van het terrein, dat blijkens de aanvraag zal worden verstoord, naar het oordeel van burgemeester en wethouders in voldoende mate is vastgesteld.

8.4.4 Advies

Alvorens de gevraagde omgevingsvergunning te verlenen, vragen burgemeester en wethouders aan de erfgoed- of geologisch deskundige om advies omtrent het criterium als bedoeld in artikel 8.4.3. Bij een negatief advies verzoeken burgemeester en wethouders de deskundige de verder te nemen stappen aan te geven.

8.5 Wijzigingsbevoegdheid

Burgemeester en wethouders zijn bevoegd met toepassing van artikel 3.6 van de Wet ruimtelijke ordening het bestemmingsplan te wijzigen door de bestemming 'Waarde - Landschap - Aardkundig monument', als bedoeld in artikel 8.1 geheel of gedeeltelijk te doen vervallen, indien op basis van archeologisch onderzoek is aangetoond dat op de betrokken locatie geen behoudenswaardige aardkundige waarden (meer) aanwezig zijn.

Artikel 9 Waarde - Natuur

9.1 Bestemmingsomschrijving

De als 'Waarde - Natuur' aangewezen gronden zijn, behalve voor de daar voorkomende bestemmingen, primair bestemd voor de instandhouding en bescherming van het Natuurnetwerk Nederland:

a. in de vorm van haagbeuken- en essenbos ter plaatse van de medebestemming 'Bos';

b. in de vorm van kruiden- en faunarijk grasland of moeras ter plaatse van de medebestemming 'Natuur'.

c. Daar waar dubbelbestemmingen geheel of gedeeltelijk samenvallen gelden:

1.     in de eerste plaats de bepalingen van artikel 9;

2.     in de tweede plaats de bepalingen van artikel 8;

3.     in de eerste plaats de bepalingen van artikel 7.

9.2 Bouwregels

a. Op en onder de in lid 9.1 genoemde gronden mag slechts worden gebouwd ten behoeve van het Natuurnetwerk Nederland en de aldaar genoemde medebestemming.

b. Het is verboden bouwwerken te realiseren die natuurfunctie onomkeerbaar belemmeren of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en natuurverbindingen significant aantasten.

9.3 Specifieke gebruiksregels

Het is verboden gronden te gebruiken of te laten gebruiken op een wijze dat de natuurfunctie onomkeerbaar wordt belemmerd of de wezenlijke kenmerken en waarden van het NNN en natuurverbindingen significant worden aangetast.

Artikel 14 Algemene wijzigingsregels

14.3 wetgevingzone - wijzigingsgebied 3

Het college van burgemeester en wethouders is bevoegd het bestemmingsplan te wijzigen teneinde binnen de bestemming 'Bos' parkeren toe te laten en daar regels aan te verbinden, een aanduidingsvlak 'parkeerterrein' binnen de bestemming 'Bos' toe te voegen en de dubbelbestemming 'Waarde - Natuur' te verwijderen onder voorwaarden dat:

a. het gebruik van desbetreffende gronden binnen de bestemming 'Bos' ten behoeve van parkeren slechts een aanvang kan nemen indien het gebruik van de gronden voor parkeren binnen de bestemming 'Natuur' permanent is beëindigd en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in bepaalde in 14.1 opdat het gebruik voor parkeren binnen de bestemming 'Natuur' blijvend verboden is;

b. het gebruik van desbetreffende gronden binnen de bestemming 'Bos' ten behoeve van parkeren slechts een aanvang kan nemen indien de verleende omgevingsvergunningen voor speeltoestellen en attractietoestellen binnen het aanduidingsvlak 'parkeerterrein' in de bestemming 'Recreatie - Speelpark' zijn ingetrokken en toepassing wordt gegeven aan het bepaalde in 14.2 opdat het gebruik voor speeltoestellen en attractietoestellen binnen het aanduidingsvlak 'parkeerterrein' in de bestemming 'Recreatie - Speelpark' blijvend verboden is;

c. het wijzigingsplan in overeenstemming is met de Provinciale Verordening;

d. het weiland kadastraal bekend gemeente Naarden, sectie A, nummer 1484 wordt toegevoegd aan het Natuurnetwerk Nederland;

e. het wijzigingsplan in overeenstemming is met de Wet natuurbescherming dan wel een op grond daarvan verleende ontheffing of vergunning;

f. het wijzigingsplan in overeenstemming is met titel 5.2 van de Wet milieubeheer;

g. het oppervlak van het nieuw toegevoegde aanduidingsvlak 'parkeerterrein' binnen de bestemming 'Bos' niet groter mag zijn dan 1,1262 hectare;

h. maatregelen worden getroffen teneinde het parkeerterrein op aanvaardbare wijze in de landschappelijke en ecologische waarden in te passen, waarbij rekening wordt gehouden met:

1.     het instandhouden en versterken van de oude bosstrook langs de Oud Huizerweg;

2.     het respecteren van voldoende afstand tot de burcht van de das;

3.     het reliëf in het bos.

i. onverminderd het bepaalde onder c mag het oppervlak van het nieuw toegevoegde aanduidingsvlak 'parkeerterrein' binnen de bestemming 'Bos' 0,1738 hectare groter zijn dan vermeld onder g, indien daarmee op een betere wijze tegemoet kan worden gekomen aan het bepaalde onder h;

j. maatregelen worden getroffen teneinde geluidhinder, lichthinder en zwerfvuil als gevolg van het gebruik als parkeerterrein tegen te gaan;

k. privaatrechtelijk dan wel publiekrechtelijk of in combinatie van beide verzekerd is dat maatregelen worden getroffen ter voorkoming van een grotere verkeersaantrekkende werking en parkeerbehoefte door het speelpark dan de parkeercapaciteit die op eigen terrein en binnen het wijzigingsplan gerealiseerd is na gebruikmaking van deze wijzigingsbevoegdheid.