Uitvoeringswet sancties F-gassenverordening en Verordening ozonlaagafbrekende stoffen
Brief van de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van 3 juli 2025 aan het ministerie van Klimaat en Groene Groei met een reactie op een consultatieverzoek over het conceptwetsvoorstel Uitvoeringswet sancties F-gassenverordening en Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.
Den Haag, 3 juli 2025
Aan ministerie van Klimaat en Groene Groei
Directie Wetgeving en Juridische Zaken
t.a.v. de heer R. Brieskorn
Postbus 20401
2500 EK Den Haag
Betreft: reactie conceptvoorstel Uitvoeringswet sancties F-gassenverordening en Verordening ozonlaagafbrekende stoffen
Geachte heer Brieskorn,
Op 11 juni 2025 heeft u de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State verzocht te reageren op het conceptwetsvoorstel Uitvoeringswet sancties F-gassenverordening en Verordening ozonlaagafbrekende stoffen.
Beide verordeningen hebben tot doel het milieu te beschermen door de uitstoot van gefluoreerde broeikasgassen (F-gassen) respectievelijk ozonlaagafbrekende stoffen (OAS) te verminderen. EU-verordeningen zijn verbindend in al hun onderdelen en rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten. Een aantal uitvoeringsbepalingen in de nationale regelgeving is hiervoor noodzakelijk. Dit wetsvoorstel strekt ertoe in de Wet milieubeheer de rechtsgrondslagen te creëren voor het toepassen van enkele sancties waarin lidstaten volgens beide verordeningen dienen te voorzien. Deze kunnen vervolgens worden toegepast bij het handhaven op grond van het Besluit gefluoreerde broeikasgassen en ozonlaagafbrekende stoffen (hierna: Besluit F-gassen en OAS), waarin de handhaafbaarheid van de bepalingen uit beide verordeningen is geregeld.
Het wetsvoorstel geeft de Afdeling bestuursrechtspraak geen aanleiding tot vragen of opmerkingen vanuit een oogpunt van rechtsbescherming of rechtspleging. Wel zal het wetsvoorstel kunnen leiden tot meer procedures bij de Afdeling bestuursrechtspraak. Dit zal kunnen leiden tot een taakverzwaring van de Afdeling bestuursrechtspraak waarvan de omvang thans niet kan worden ingeschat. Mocht echter sprake zijn van een betekenisvolle toename van de inzet van medewerkers en staatsraden, dan dient te worden bezien welke aanvullende middelen aan de Afdeling worden verstrekt om in staat te zijn de beroepen binnen redelijke termijn af te handelen.
Ik vertrouw erop u met deze reactie op uw verzoek van dienst te zijn geweest.
Hoogachtend,
de voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State,
Mr. R. Uylenburg