Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met het niet toestaan van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W14.15.0426/IV
- Datum advies
- 29 januari 2016
- Vindplaats
- Staatscourant 2016, nr. 17507
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft advies uitgebracht over het ontwerpbesluit dat het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden wijzigt. Met deze wijziging is het niet langer toegestaan gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw te gebruiken. Het advies is op 30 maart 2016 openbaar gemaakt.
Achtergrond
Gewasbeschermingsmiddelen kunnen gevaar opleveren voor het milieu en de volksgezondheid. De regering wil het gebruik van deze middelen daarom verder terugdringen. Voor de toelating en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen gelden echter Europese regels. Er is een Europese richtlijn voor het duurzaam gebruik van toegelaten middelen. De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden en het daarop gebaseerde Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden geven uitvoering aan deze richtlijn. De regering wil dit besluit nu wijzigen.
Inhoud ontwerpbesluit
Het ontwerpbesluit regelt in twee stappen de invoering van een verbod op het gebruik – buiten de landbouw – van alle gewasbeschermingsmiddelen die in Nederland zijn toegelaten. Het is de bedoeling van de regering dat het vanaf 1 maart 2016 verboden is gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken op een verhard oppervlak. Dit verbod geldt voor zowel professionele als niet-professionele gebruikers. Vanaf 1 november 2017 wordt voor professionele gebruikers ook het gebruik op een onverhard oppervlak verboden. Voor niet-professionele gebruikers blijft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een onverhard oppervlak toegestaan.
Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden
De Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden laat toe dat in zogenoemde lagere regelgeving – zoals het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden – nadere regels worden gesteld over de beperking van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen. Die mogelijkheid is door de verwijzing in de wet naar specifieke bepalingen van de Europese richtlijn echter beperkt tot regels voor professionele gebruikers. De wet laat het dus niet toe dat een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door niet-professionele gebruikers in lagere regelgeving wordt opgenomen. De Afdeling adviseert daarom om af te zien van het verbod voor zover dat geldt voor niet-professionele gebruikers dan wel daarvoor alsnog te voorzien in een wettelijke grondslag.
Europees recht
De Europese richtlijn biedt strikt omschreven mogelijkheden om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen te reguleren of te verbieden. Het verbod dat in het ontwerpbesluit wordt voorgesteld gaat verder dan die mogelijkheden en kan bovendien het Europese vrij verkeer belemmeren. Het verbod is alleen toegestaan indien is aangetoond dat het met het oog op de bescherming van het milieu en volksgezondheid noodzakelijk en effectief is. Het is echter onvoldoende duidelijk waarom het noodzakelijk is dat ook het gebruik van zogenoemde laagrisicomiddelen verboden wordt. Verder is gezien de doelstellingen onvoldoende duidelijk waarom de regering ervoor heeft gekozen om het verbod niet te laten gelden voor niet-professioneel gebruik op een onverhard oppervlak. Daar komt bij dat het verbod door die uitzondering lastig handhaafbaar is.
Conclusie
De Afdeling advisering ziet het belang van bescherming van het milieu tegen gewasbeschermingsmiddelen. Zij adviseert echter om het ontwerpbesluit niet met de voorgestelde inhoud vast te stellen. De Afdeling advisering constateert dat de wet niet toelaat dat een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door niet-professionele gebruikers in lagere regelgeving wordt neergelegd. Daarnaast is onvoldoende aangetoond dat het voorgestelde verbod zich verdraagt met het recht van de Europese Unie.
Lees hier de volledige tekst van het advies van de Raad van State en het nader rapport van de staatssecretaris.
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met het niet toestaan van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw, met nota van toelichting.
Van dit advies is een samenvatting gemaakt.
Bij Kabinetsmissive van 10 december 2015, no.2015002178, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden in verband met het niet toestaan van het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen buiten de landbouw, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit regelt de invoering - buiten de landbouw - van een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen.
De Afdeling advisering van de Raad van State onderkent het belang van verdergaande bescherming van het milieu tegen gewasbeschermingsmiddelen. De Afdeling heeft evenwel opmerkingen over het ontwerpbesluit die van dien aard zijn dat zij adviseert het besluit niet met de voorgestelde inhoud vast te stellen. De artikelen 78, 79, 80 en 80a van de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden bieden geen grondslag voor een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door niet-professionele gebruikers. Verder ontbreekt in de toelichting de in het licht van het vrij verkeer van goederen vereiste rechtvaardiging van de voorgestelde maatregel, in het bijzonder waar het de keuze betreft om het verbod te laten gelden voor alle gewasbeschermingsmiddelen. Mocht de voorgestelde maatregel alsnog voldoende gerechtvaardigd kunnen worden, dan rijst de vraag of de uitzondering voor niet-professioneel gebruik op een onverhard oppervlak zich verdraagt met de vereisten van effectiviteit en coherentie.
1. Inleiding
Het ontwerpbesluit regelt in twee stappen de invoering van een verbod op het gebruik - buiten de landbouw - van alle in Nederland toegelaten gewasbeschermingsmiddelen. Eerst wordt het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een verhard oppervlak verboden voor zowel professionele als niet-professionele gebruikers. (zie noot 1) Inwerkingtreding van deze maatregel is voorzien per 1 maart 2016. (zie noot 2) Vervolgens wordt vanaf 1 november 2017 voor professionele gebruikers ook het gebruik op een onverhard oppervlak verboden. (zie noot 3) Voor niet-professionele gebruikers blijft het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een onverhard oppervlak toegestaan. Het ontwerpbesluit maakt het verder mogelijk dat bij ministeriële regeling gebieden of omstandigheden worden aangewezen waarvoor het verbod niet geldt.
De toelating tot de markt en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zijn in belangrijke mate geregeld door het recht van de Europese Unie. De toelating van gewasbeschermingsmiddelen wordt geregeld door verordening (EG) 1107/2009; (zie noot 4) het duurzaam gebruik van toegelaten middelen wordt gereguleerd door richtlijn 2009/128/EG. (zie noot 5) Verordening en richtlijn zijn geïmplementeerd in onder meer de Wet gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Wgb) en het daarop gebaseerde Besluit gewasbeschermingsmiddelen en biociden (hierna: Bgb). Het Bgb wordt met het ontwerpbesluit gewijzigd.
2. Grondslag van het verbod in de wet
De Wgb biedt in de artikelen 78, 79, 80 en 80a grondslagen om het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nader te reguleren. Het ontwerpbesluit is op die bepalingen gebaseerd. De Afdeling ziet zich gesteld voor de vraag of het in het ontwerpbesluit opgenomen verbod past binnen de grondslagen in de Wgb.
Artikel 79 maakt het mogelijk om nadere regels te stellen over de uitvoering van goede praktijken bij het toepassen van gewasbeschermingsmiddelen en artikel 80 ziet op het stellen van regels over toepassingsmethoden en apparatuur. Een generiek gebruiksverbod zoals dat in het ontwerpbesluit is opgenomen kan daar niet op gebaseerd worden. Artikel 80a voorziet in de mogelijkheid om regels te stellen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen - die ook een verbod kunnen inhouden - maar alleen in de specifieke gebieden als bedoeld in artikel 12 van richtlijn 2009/128/EG. Nu in het ontwerpbesluit een verbod is opgenomen dat niet is beperkt tot de specifieke gebieden als bedoeld in artikel 12 van richtlijn 2009/128/EG, kan het niet op artikel 80a van de Wgb worden gebaseerd. De artikelen 79, 80 en 80a bieden derhalve geen grondslag voor het in het ontwerpbesluit opgenomen verbod.
Artikel 78 maakt het mogelijk om regels te stellen over juist gebruik van biociden of geïntegreerde gewasbescherming overeenkomstig artikel 14 van richtlijn 2009/128/EG en artikel 55 van verordening (EG) 1107/2009. Artikel 55 van de verordening verwijst naar de zogenoemde algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming als bedoeld in artikel 14 en bijlage III van de richtlijn. Bij deze algemene beginselen geldt als uitgangspunt dat de lidstaten alle nodige maatregelen nemen om bestrijding met lage pesticideninzet te bevorderen, waarbij zij waar mogelijk voorrang geven aan niet-chemische methoden, zodat professionele gebruikers van pesticiden overschakelen op praktijken en producten die het laagste risico voor de gezondheid van de mens en het milieu opleveren. De lidstaten moeten in hun nationale actieplannen beschrijven hoe zij ervoor zorgen dat de algemene beginselen van geïntegreerde gewasbescherming door alle professionele gebruikers van pesticiden zullen worden toegepast. Artikel 14 biedt daarmee een algemeen kader voor maatregelen gericht op het professionele gebruik. Doordat in artikel 78 uitsluitend is verwezen naar de artikelen 14 van de richtlijn en 55 van de verordening biedt dit artikel alleen een grondslag voor het stellen van nadere regels over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door professionele gebruikers. Artikel 78 maakt het dus niet mogelijk om regels te stellen over het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door niet-professionele gebruikers.
De conclusie is dat de Wgb geen grondslag biedt voor een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door niet-professionele gebruikers. De Afdeling adviseert om af te zien van het verbod voor zover dat geldt voor niet-professionele gebruikers dan wel daarvoor alsnog te voorzien in een adequate wettelijke grondslag.
3. Verhouding tot richtlijn 2009/128/EG en het vrij verkeer van goederen
Richtlijn 2009/128/EG heeft als doelstelling de bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu tegen de mogelijk met het gebruik van pesticiden samenhangende risico’s. (zie noot 6) Daartoe stelt de richtlijn een kader vast voor de totstandbrenging van een duurzaam gebruik van pesticiden door vermindering van de risico’s en de effecten van pesticidengebruik op de menselijke gezondheid en het milieu en door bevordering van het gebruik van geïntegreerde plaagbestrijding en alternatieve benaderingswijzen of technieken, zoals niet-chemische alternatieven voor pesticiden. (zie noot 7) De richtlijn biedt in de artikelen 11 en 12 strikt omschreven mogelijkheden om het gebruik van reeds toegelaten gewasbeschermingsmiddelen nader te reguleren of te verbieden. Deze artikelen zijn geïmplementeerd in onder meer de artikelen 27b en 27c van het Bgb. Het ontwerpbesluit regelt dat deze artikelen worden vervangen door een nieuw artikel 27b - het gebruiksverbod - en leidt tot een gewijzigde implementatie van de artikelen 11 en 12 van de richtlijn.
Artikel 11 verplicht de lidstaten passende maatregelen vast te stellen om het aquatisch milieu en de drinkwatervoorziening te beschermen tegen de effecten van pesticiden, maar biedt in beginsel alleen ruimte voor gerichte, lokale maatregelen. (zie noot 8) Artikel 12 strekt ertoe dat lidstaten het gebruik van pesticiden minimaliseren of verbieden in specifieke gebieden, zoals parken, sport- en recreatieterreinen, schoolterreinen, speelplaatsen en gebieden in de nabijheid van zorginstellingen en beschermde natuurgebieden.
Het is evident dat de in het ontwerpbesluit voorgestelde maatregel - een gebruiksverbod voor alle verharde en onverharde oppervlakken in heel Nederland - verder gaat dan de (minimum)eisen van de richtlijn. Het treffen van een dergelijke verdergaande beschermingsmaatregel is op grond van artikel 193 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (hierna: VWEU) mogelijk, mits de maatregel verenigbaar is met onder meer het VWEU. (zie noot 9) Aangenomen moet worden dat het voorgestelde gebruiksverbod de toegang van gewasbeschermingsmiddelen tot de Nederlandse markt en daarmee het vrij verkeer van goederen zal kunnen belemmeren. (zie noot 10) Deze verdergaande maatregel is toegestaan als daarvoor een rechtvaardiging bestaat in de in artikel 36 VWEU genoemde gronden, waartoe ook behoort de bescherming van de gezondheid en het leven van personen, dieren en planten. Volgens vaste jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie kan daarnaast het doel van milieubescherming in algemene zin nationale maatregelen die het intracommunautaire handelsverkeer kunnen belemmeren rechtvaardigen, mits de betrokken maatregelen proportioneel zijn aan het te bereiken (milieu)doel. (zie noot 11) Het vorenstaande betekent dat het voorgestelde gebruiksverbod is toegestaan indien is aangetoond dat het met het oog op dat doel noodzakelijk, geschikt en evenredig is.
In de toelichting bij het ontwerpbesluit wordt richtlijn 2009/128/EG weliswaar genoemd, maar is niet ingegaan op de verhouding tussen het voorgestelde gebruiksverbod en deze richtlijn; evenmin is ingegaan op de verenigbaarheid van dit verbod met het vrij verkeer van goederen. Hoewel in de toelichting aandacht is geschonken aan de noodzaak van het gebruiksverbod en de gevolgen daarvan is niet op systematische wijze en met onderzoek verantwoord dat is voldaan aan de hiervoor beschreven voorwaarden van het Europeesrechtelijk kader.
Dit klemt in het bijzonder met betrekking tot het verbod op gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico. Daartoe wijst de Afdeling op het volgende. Uit de toelichting blijkt dat de in het ontwerpbesluit voorgestelde maatregel noodzakelijk wordt geacht in verband met de doelstellingen voor de bescherming van het oppervlaktewater en de volksgezondheid. (zie noot 12) De in het ontwerpbesluit voorgestelde maatregelen zijn aangekondigd in brieven van de staatssecretaris van Infrastructuur en Milieu van 3 juli 2013 en 6 februari 2014 aan de Tweede Kamer. (zie noot 13) In de brief van 3 juli 2013 heeft de staatssecretaris aangegeven dat de toepassing van gewasbeschermingsmiddelen met een relatief lage impact op mens en milieu moet worden gezien als een natuurlijk onderdeel van de ontwikkeling naar duurzame gewasbescherming. In de brief van 6 februari 2014 is vermeld dat middelen met een laag risico daarom zullen worden uitgezonderd van het verbod. Uit de toelichting ontstaat het beeld dat het niet halen van de door Nederland gestelde milieudoelstellingen vooral wordt veroorzaakt door glyfosaathoudende middelen, derhalve middelen met een hoog risico. Het in het ontwerpbesluit voorgestelde gebruiksverbod geldt echter voor alle toegelaten middelen en voorziet niet in een uitzondering voor middelen met een laag risico. In de toelichting is niet uitgelegd waarom in het ontwerpbesluit middelen met een laag risico niet zijn uitgezonderd. Vermeld wordt dat in Duitsland en Frankrijk gebruiksverboden bestaan waarbij wel is voorzien in uitzonderingen voor middelen met een laag risico.
De Afdeling adviseert de in het licht van het vrij verkeer van goederen voor het verbod vereiste rechtvaardiging te geven, daarbij in het bijzonder in te gaan op de noodzaak om laagrisicomiddelen te verbieden, en voor zover de vereiste noodzaak niet aannemelijk gemaakt kan worden het ontwerpbesluit aan te passen.
Onverminderd het voorgaande merkt de Afdeling het volgende op.
4. Uitzondering niet-professioneel gebruik op een onverhard oppervlak
Voor zover een verbod in het licht van het vrij verkeer van goederen gerechtvaardigd kan worden, is het hiernavolgende van belang. Het wordt professionele gebruikers per 1 november 2017 ook verboden om gewasbeschermingsmiddelen op een onverhard oppervlak te gebruiken. Niet-professionele gebruikers mogen de middelen nog wel op een onverhard oppervlak blijven gebruiken. De vraag rijst of het ontwerpbesluit zich op dit punt verdraagt met de vaste jurisprudentie van het Hof waaruit volgt dat een maatregel slechts geschikt is om de verwezenlijking van het betrokken doel te waarborgen, wanneer de verwezenlijking ervan coherent en systematisch wordt nagestreefd. (zie noot 14)
Aan het ontwerpbesluit ligt het uitgangspunt ten grondslag dat van het verbod - gelet op de doelstellingen ervan - vormen van gebruik slechts worden uitgezonderd voor zover die noodzakelijk zijn omdat er geen alternatieven zijn. (zie noot 15) In de toelichting is onder verwijzing naar het rapport "Inventarisatie niet-landbouwkundig gebruik van gewasbeschermingsmiddelen" van onderzoeksbureau Tauw gesteld dat is geadviseerd een uitzondering te maken voor particulier gebruik op een onverhard oppervlak. (zie noot 16) Uit het rapport van Tauw blijkt echter slechts dat particulieren "meer moeite" zullen moeten doen als zij geen gewasbeschermingsmiddelen mogen gebruiken. (zie noot 17) Op basis van dit rapport kan niet de conclusie worden getrokken dat er geen alternatieven zijn. De toelichting geeft er aldus geen blijk van dat er voldoende grond is voor de conclusie dat het vanwege het ontbreken van alternatieven noodzakelijk zou zijn dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen door niet-professionele gebruikers op een onverhard oppervlak blijft toegestaan.
Gelet hierop kan in zoverre - tegen de achtergrond van de doelstellingen van waterkwaliteit en volksgezondheid - worden getwijfeld aan de coherentie (en derhalve aan de geschiktheid) van de in het ontwerpbesluit voorgestelde maatregel. (zie noot 18) Daar komt het volgende bij. De voorgestelde regeling leidt ertoe dat een particulier in zijn tuin het terras niet en de direct daarnaast gelegen open grond wel mag behandelen met gewasbeschermingsmiddelen. Het komt de Afdeling voor dat het verbod in zoverre lastig handhaafbaar is. Daarom moet ook worden getwijfeld aan de effectiviteit (en derhalve ook in zoverre aan de geschiktheid) van de voorgestelde maatregel. (zie noot 19)
Gelet op het vorenstaande adviseert de Afdeling in de toelichting nader te motiveren waarom ervoor is gekozen om niet-professioneel gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op een onverhard oppervlak uit te zonderen van het verbod, en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
5. Uitgezonderde gebieden en omstandigheden
Het ontwerpbesluit regelt dat het gebruiksverbod niet van toepassing is in bij ministeriële regeling aan te wijzen gebieden of omstandigheden. Het moet dan gaan om een gebruik dat noodzakelijk is voor een veilige exploitatie en bedrijfsmatige activiteiten of inrichtingen, dat noodzakelijk is voor de bescherming van de gezondheid van mens of dier of van het milieu, of op specifieke terreinen voor recreatieve doeleinden of voor het beoefenen van sport die vanwege hun aard of omvang redelijkerwijs niet op een andere wijze kunnen worden onderhouden. Aan de uitzonderingsmogelijkheid ligt blijkens de toelichting ten grondslag dat het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen in dergelijke gebieden of omstandigheden noodzakelijk is, omdat er redelijkerwijs geen alternatieven zijn.
Het vorenstaande moet aldus worden begrepen dat een gebruiksverbod in bepaalde gebieden of omstandigheden niet evenredig kan worden geacht. Dat brengt met zich dat daadwerkelijk van de uitzonderingsmogelijkheid gebruik moet worden gemaakt door de desbetreffende gebieden of omstandigheden bij ministeriële regeling aan te wijzen, alsmede dat dat geschiedt tegelijkertijd met de inwerkingtreding van het verbod. (zie noot 20) De Afdeling adviseert hier in de toelichting nader op in te gaan.
6. Definitie van de term "gebruiken"
Het ontwerpbesluit verbiedt het "gebruiken" van gewasbeschermingsmiddelen. Het begrip "gebruiken" is in de Wgb breed gedefinieerd in die zin dat daaronder mede wordt verstaan de aanwezigheid van een werkzame stof, al dan niet in een gewasbeschermingsmiddel of biocide, op of in gebouwen, plaatsen, voorwerpen of de grond. (zie noot 21) Deze definitie geeft - ook voor het in het ontwerpbesluit opgenomen verbod - handvatten voor toezicht en beperkt een eventueel handhavend optreden niet tot heterdaad. De redactie van de bepalingen in het ontwerpbesluit, bezien in samenhang met deze definitie, leidt er echter toe dat het bijvoorbeeld groothandels en tuincentra verboden is om (krachtens EU-recht toegelaten) gewasbeschermingsmiddelen in voorraad te hebben. Dat is niet wat de regelgever met het ontwerpbesluit voor ogen heeft, nog daargelaten of een dergelijk verbod verenigbaar is met verordening (EG) 1107/2009. Het ontwerpbesluit zou daarom op dit punt moeten worden verduidelijkt. Dat zou bijvoorbeeld kunnen door in het ontwerpbesluit te kiezen voor een formulering waarbij het de gebruiker wordt verboden om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken. Door de definitie van het begrip "gebruiker" in de Wgb is de werking van het verbod dan beperkt tot diegenen die een gewasbeschermingsmiddel toepast, toedient, doet toepassen, of doet toedienen. (zie noot 22)
De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit in zoverre aan te passen.
7. Notificatie
Het ontwerpbesluit is op 28 oktober 2015 aangemeld bij de Europese Commissie ter voldoening aan artikel 5, eerste lid, van richtlijn (EU) 2015/1535. (zie noot 23) De Europese Commissie en andere EU-lidstaten hebben tot 22 januari 2016 de tijd om op het ontwerpbesluit te reageren. (zie noot 24)
De Afdeling wijst er op dat indien de notificatie aanleiding geeft tot het aanbrengen van wijzigingen van ingrijpende aard, zij over deze wijzigingen opnieuw moet worden gehoord. (zie noot 25)
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft bezwaar tegen de inhoud van het ontwerpbesluit en geeft U in overweging niet aldus te besluiten.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 7 maart 2016
Het ontwerp geeft de Afdeling advisering van de Raad van State aanleiding tot het maken van inhoudelijke opmerkingen.
2. Grondslag van het verbod in de wet
Het advies van de Afdeling om in het besluit af te zien van een verbod voor niet-professionele (particuliere) gebruikers wordt opgevolgd. Artikel 27b wordt zodanig aangepast dat het verbod om gewasbeschermingsmiddelen te gebruiken op een verhard oppervlak alleen geldt voor de professionele gebruikers.
Van de resterende mogelijkheid om een verbod voor niet-professionele (particuliere) gebruikers te regelen op grond van artikel 80a van de wet, voor zover dat verbod geldt in de specifieke gebieden als bedoeld in artikel 12 van richtlijn 2009/128/EG, wordt thans geen gebruik gemaakt.
3. Verhouding tot richtlijn 2009/128/EG en het vrij verkeer van goederen
Overeenkomstig het advies van de Afdeling wordt de toelichting uitgebreid met een uitleg van het kader van richtlijn 2009/128/EG over duurzaam gebruik van bestrijdingsmiddelen en de verhouding tot de verbodsmaatregel in het besluit. Voorts wordt op systematische wijze en met onderzoek verantwoord dat de maatregel verenigbaar is met het vrij verkeer van goederen en diensten. In paragraaf 4 en 5 van de toelichting wordt daartoe uitvoerig beargumenteerd dat het niet toestaan van chemische gewasbeschermingsmiddelen in vermijdbare situaties geschikt, noodzakelijk en evenredig is en een inbreuk op het vrij verkeer van goederen met het oog op het milieubelang en de volkgezondheid rechtvaardigt. Bij de rechtvaardiging van de maatregel wordt ook de verplichting aan lidstaten in artikel 14 van voornoemde richtlijn betrokken.
Met betrekking tot de opmerking over gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico wordt indachtig het advies van de Afdeling in paragraaf 4 en 5 van de nota van toelichting nader onderbouwd waarom het verbod op het toedienen van deze middelen is gerechtvaardigd. Indachtig de strekking van de opmerking van de Afdeling wordt in het derde lid van artikel 27b een mogelijkheid opgenomen om gewasbeschermingsmiddelen met een laag risico voor te schrijven, indien beschikbaar op de markt, in de gebieden en in de omstandigheden waarvoor een uitzondering geldt op het verbod. Het toegelaten gebruik van chemische gewasbeschermingsmiddelen wordt dan beperkt tot die middelen met een laag risico.
4. Uitzondering niet professioneel gebruik op een verhard oppervlak
Het advies van de Afdeling om te overwegen de uitzondering op het verbod van niet-professioneel (particulier) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen nader te motiveren of in het besluit aan te passen, wordt in die laatste zin opgevolgd. De bedoelde uitzondering in artikel 27b, vierde lid, zoals dat zou komen te luiden met ingang van 1 november 2017, wordt geschrapt. Deze keuze heeft te maken met hierboven genoemde opmerking om in dit besluit geen verbod voor niet-professioneel (particulier) gebruik van gewasbeschermingsmiddelen op te nemen vanwege een ontoereikende grondslag. Een uitzondering daarop voor particulier gebruik is dan ook niet meer mogelijk en relevant.
5. Uitgezonderde gebieden en omstandigheden
Het advies van de Afdeling, om de van het verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen uitgezonderde gevallen die bij ministeriële regeling worden aangewezen gelijktijdig met het besluit in werking te laten treden, wordt opgevolgd. Dit is ook volgens staand beleid.
6. Definitie van de term "gebruiken"
Overeenkomstig het advies van de Afdeling wordt in het besluit gekozen voor een bewoording die duidelijk maakt dat de norm van het niet toestaan van gewasbeschermingsmiddelen is gericht op de doelgroep van de gebruiker van die middelen ter bestrijding van plagen en onkruid. In artikel 27b zal met dat doel de term "professionele gebruiker" wordt toegevoegd.
7. Notificatie
In antwoord op de opmerking van de Afdeling over een eventuele reactie van de Europese Commissie of een EU-lidstaat naar aanleiding van notificatie van dit besluit, wordt bevestigd dat een dergelijke reactie niet is ontvangen.
Ik moge U hierbij mede namens mijn ambtgenoot van Economische Zaken het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
DE STAATSSECRETARIS VAN INFRASTRUCTUUR EN MILIEU
(1) Artikel I, onderdeel C, van het ontwerpbesluit.
(2) Toelichting bij artikel III van het ontwerpbesluit.
(3) Artikel II, onderdeel A. van het ontwerpbesluit. Artikel III regelt de inwerkingtreding van artikel II per 1 november 2017.
(4) Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de richtlijnen 79/117/EG en 91/414/EEG van de Raad (PbEU 2009, L 309). Het Nederlandse College voor de toelating van gewasbeschermingsmiddelen beslist over de toelating tot de Nederlandse markt op grond beoordelingsmethoden die zijn geharmoniseerd in de verordening.
(5) Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PbEU 2009, L 309).
(6) Overweging 22 van de richtlijn.
(7) Artikel 1 van de richtlijn.
(8) Artikel 11 biedt de mogelijkheid om te verbieden dat pesticiden worden toegepast op en langs wegen, spoorwegen, zeer doorlaatbare oppervlakken en andere infrastructuur in de nabijheid van oppervlaktewater of grondwater, alsook op verharde oppervlakken waar een groot risico van afspoeling naar oppervlaktewateren of rioleringssystemen bestaat.
(9) Richtlijn 2009/128/EG is gebaseerd op artikel 175 van het EG-Verdrag, de voorganger van artikel 192 VWEU, zodat verdergaande beschermingsmaatregelen op grond van artikel 193 in beginsel mogelijk zijn. Dergelijke maatregelen moeten ter kennis van de Europese Commissie worden gebracht.
(10) De introductie van een verbod op het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen zal er toe leiden dat gebruikers het niet meer zullen kopen. Daarmee is al snel sprake van een verboden maatregel van gelijke werking als een kwantitatieve invoerbeperking als bedoeld in artikel 34 VWEU. Zie bijvoorbeeld HvJ EU 10 februari 2009, zaak C-110/05, Commissie t. Italië, ECLI:EU:C:2009:66, en HvJ EU 4 juni 2009, zaak C-142/05, Åklagaren t. Mickelsson en Roos (Zweedse waterscooters), ECLI:EU:C:2009:336.
(11) HvJ EU 11 december 2008, zaak C-524/07, Commissie t. Oostenrijk, ECLI:EU:C:2008:717, punt 57, en de aldaar aangehaalde rechtspraak.
(12) De kabinetsnota "Gezonde groei, Duurzame oogst; Tweede nota duurzame gewasbescherming" bepaalt de doelstellingen voor de bescherming van het oppervlaktewater en de volksgezondheid (bijlage bij de brief van 14 mei 2013, Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 146). Voor de kwaliteit van het oppervlaktewater zijn kwantitatieve doelstellingen geformuleerd die - blijkens de nota - aansluiten bij de doelen van de Kaderrichtlijn Water. Daarnaast geldt als doelstelling onder meer dat de blootstelling van burgers aan gewasbeschermingsmiddelen wordt voorkomen of zoveel mogelijk beperkt.
(13) Kamerstukken II 2012/13, 27 858, nr. 211 en Kamerstukken II 2013/14, 27 858, nr. 227.
(14) Zie bijvoorbeeld HvJ EU 10 maart 2009, zaak C-169/07, Hartlauer, ECLI:EU:C:2009:141, en HvJ EU 13 februari 2014, zaak C-367/12, Sokoll-Seebacher, ECLI:EU:C:2014:68.
(15) Toelichting paragraaf 3.
(16) Toelichting paragraaf 6. Het rapport van Tauw is als bijlage bij de eerder genoemde brief van 6 februari 2014 aan de Tweede Kamer gezonden.
(17) Tauw, paragrafen 1.6 en 5.3.
(18) Temeer nu uit het rapport van Tauw blijkt dat van de totale hoeveelheid gewasbeschermingsmiddelen die op een onverhard oppervlak wordt gebruikt 66% particulier gebruik betreft (paragraaf 1.4 en tabel 4.1 in het rapport).
(19) Bij de keuze van maatregelen mag de handhaafbaarheid worden meegewogen. Zie HvJ EU 4 juni 2009, zaak C-142/05, Åklagaren t. Mickelsson en Roos (Zweedse waterscooters), ECLI:EU:C:2009:336, punt 36.
(20) HvJ EU 4 juni 2009, zaak C-142/05, Åklagaren t. Mickelsson en Roos (Zweedse waterscooters), ECLI:EU:C:2009:336.
(21) Artikel 1, tweede lid, van de Wgb.
(22) Ingevolge artikel 1, eerste lid, van de Wgb wordt onder "gebruiker" verstaan: iedere natuurlijke persoon of rechtspersoon die een gewasbeschermingsmiddel of biocide toepast, toedient, doet toepassen, of doet toedienen.
(23) Richtlijn (EU) 2015/1535 van het Europees Parlement en de raad van 9 september 2015 betreffende een informatieprocedure op het gebied van technische voorschriften en regels betreffende de diensten van de informatiemaatschappij (PbEU 2015, L 241).
(24) Informatiesite betreffende nationale technische voorschriften van de Europese Commissie: http://ec.europa.eu/enterprise/tris/pisa. De notificatie heeft op 21 oktober 2015 plaatsgevonden (kennisgevingsnummer 2015/581/NL).
(25) Zie ook aanwijzingen 263 en 277 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.