Besluit veilige jaarwisseling.
- Kenmerk
- W17.26.00096/IV
- Datum aanhangig
- 17 april 2026
- Datum vastgesteld
- 27 mei 2026
- Datum advies
- 27 mei 2026
- Datum publicatie
- 1 juni 2026
- Vindplaats
- Website Raad van State
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Advies over het Besluit veilige jaarwisseling
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 27 mei 2026 het advies vastgesteld over het ontwerpbesluit om het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen te wijzigen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (Besluit veilige jaarwisseling). Het advies is op 1 juni 2026 gepubliceerd op de website van de Raad van State.
Vuurwerkverbod
Met ingang van de jaarwisseling 2026-2027 geldt een vuurwerkverbod voor particulieren. Dit is geregeld in de Wet veilige jaarwisseling. Deze wet bevat een bepaling waardoor een uitzondering op het verbod mogelijk is. De burgemeester kan namelijk een ontheffing verlenen aan een groep burgers die zich hebben georganiseerd in een vereniging of stichting. Dit advies gaat over het ontwerpbesluit waarmee de regering regels stelt voor deze ontheffingsmogelijkheid.
Inhoud ontwerpbesluit
Het ontwerpbesluit bevat regels voor de aanvrager van de ontheffing, de plaats waar het vuurwerk mag worden afgestoken, de personen die het afsteken (deze moeten minimaal 18 jaar zijn) en de afsteektijden. Houders van een ontheffing mogen maximaal 200 kg vuurwerk kopen. De regering wil zoveel mogelijk ruimte bieden aan gemeenten om het vuurwerk te organiseren en vertrouwen geven aan verenigingen en stichtingen die een ontheffing aanvragen. Dit betekent dat in het ontwerpbesluit weinig regels worden gesteld.
Laagdrempelige toegang
De Afdeling advisering plaatst vraagtekens bij de keuze van de regering voor een laagdrempelige toegang tot ontheffingen. Dit staat op gespannen voet met het centrale doel van de wet, te weten een veilige jaarwisseling door het instellen van een algemeen vuurwerkverbod. Het zorgt daarnaast voor complicaties bij de uitvoering en de handhaving. Om tot een betere balans te komen en de veiligheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat het ontwerpbesluit heldere kaders stelt en dat adequaat wordt gehandhaafd.
Heldere veiligheidsnormen
Het ontwerpbesluit stelt geen minimale veiligheidsafstand tussen de plaats waar het vuurwerk wordt afgestoken en het publiek. Dit wordt overgelaten aan de burgemeester. Om minimale veiligheidsafstanden te bepalen is het echter noodzakelijk de veiligheidsrisico’s in te schatten die zijn verbonden aan het af te steken vuurwerk. Daardoor ligt het in de rede om dit wel te regelen in het ontwerpbesluit. Heldere landelijke regels geven ook houvast aan de burgemeester. Daarom adviseert de Afdeling om wel minimale veiligheidsafstanden op te nemen in het ontwerpbesluit.
Lokale binding
Er is niet voorgeschreven dat een aanvrager een binding moet hebben met de gemeente waar de aanvraag wordt gedaan. Ook dit staat op gespannen voet met de wet omdat in de toelichting op die wet staat dat de uitzondering is bedoeld voor dorps- en buurtverenigingen en dus uitgaat van een lokale binding. Op de manier zoals het in het ontwerpbesluit wordt geregeld, kunnen landelijke verenigingen overal ontheffingen aanvragen en op grotere schaal vuurwerk aankopen. Ook kunnen verenigingen aanvragen doen in meerdere gemeenten als in hun eigen gemeente eisen gelden waar ze niet aan kunnen voldoen of als daar helemaal geen ontheffingen worden verleend. Dit ondergraaft de bedoeling van de wetgever. De Afdeling adviseert de regering daarom de eis van lokale binding in het ontwerpbesluit op te nemen.
Handhaving
Handhaving van de ontheffingen is een taak van de gemeenten, die daarvoor in beginsel buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) inzetten. Maar deze boa’s zijn volgens de gemeenten rond de jaarwisseling niet of nauwelijks op straat vanwege de gevaarlijke situatie. De toelichting bij het ontwerpbesluit geeft geen inzicht in de vraag hoe de handhaving dan wordt geregeld. De afwezigheid van toezicht kan voor minder naleving en potentieel meer gevaar zorgen, wat de vraag oproept of het dan wel verantwoord is om ontheffingen te verlenen. De Afdeling adviseert de regering om in de toelichting in te gaan op de vraag hoe het ontwerpbesluit adequaat wordt gehandhaafd.
Conclusie
De Afdeling advisering heeft dus een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert de regering dit besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast.
Bij Kabinetsmissive van 17 april 2026, no.2026000833, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Infrastructuur en Waterstaat, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Vuurwerkbesluit en het Besluit vervoer gevaarlijke stoffen in verband met de Wet veilige jaarwisseling (Besluit veilige jaarwisseling), met nota van toelichting.
Samenvatting
Vuurwerkverbod
Met ingang van de jaarwisseling 2026-2027 geldt een vuurwerkverbod voor particulieren. Dit is geregeld in de Wet veilige jaarwisseling. Deze wet bevat een bepaling waardoor een uitzondering op het verbod mogelijk is. De burgemeester kan namelijk een ontheffing verlenen aan een groep burgers die zich hebben georganiseerd in een vereniging of stichting. Dit advies gaat over het ontwerpbesluit waarmee de regering regels stelt voor deze ontheffingsmogelijkheid.
Inhoud ontwerpbesluit
Het ontwerpbesluit bevat regels voor de aanvrager van de ontheffing, de plaats waar het vuurwerk mag worden afgestoken, de personen die het afsteken (deze moeten minimaal 18 jaar zijn) en de afsteektijden. Houders van een ontheffing mogen maximaal 200 kg vuurwerk kopen. De regering wil zoveel mogelijk ruimte bieden aan gemeenten om het vuurwerk te organiseren en vertrouwen geven aan verenigingen en stichtingen die een ontheffing aanvragen. Dit betekent dat in het ontwerpbesluit weinig regels worden gesteld.
Laagdrempelige toegang
De Afdeling advisering van de Raad van State plaatst vraagtekens bij de keuze van de regering voor een laagdrempelige toegang tot ontheffingen. Dit staat op gespannen voet met het centrale doel van de wet, te weten een veilige jaarwisseling door het instellen van een algemeen vuurwerkverbod. Het zorgt daarnaast voor complicaties bij de uitvoering en de handhaving. Om tot een betere balans te komen en de veiligheidsrisico’s zoveel mogelijk te beperken, is het belangrijk dat het ontwerpbesluit heldere kaders stelt en dat adequaat wordt gehandhaafd.
Heldere veiligheidsnormen
Het ontwerpbesluit stelt geen minimale veiligheidsafstand tussen de plaats waar het vuurwerk wordt afgestoken en het publiek. Dit wordt overgelaten aan de burgemeester. Voor de bepaling van minimale veiligheidsafstanden is echter een inschatting noodzakelijk van de veiligheidsrisico’s die zijn verbonden aan het af te steken vuurwerk. Daardoor ligt het in de rede om dit wel te regelen in het ontwerpbesluit. Heldere landelijke regels geven ook houvast aan de burgemeester. Daarom adviseert de Afdeling om wel minimale veiligheidsafstanden op te nemen in het ontwerpbesluit.
Lokale binding
Er is niet voorgeschreven dat een aanvrager een binding moet hebben met de gemeente waar de aanvraag wordt gedaan. Ook dit staat op gespannen voet met de wet omdat in de toelichting op die wet staat dat de uitzondering is bedoeld voor dorps- en buurtverenigingen en dus uitgaat van een lokale binding. Op de in dit besluit geregelde manier kunnen landelijke verenigingen overal ontheffingen aanvragen en op grotere schaal vuurwerk aankopen. Ook kunnen verenigingen aanvragen doen in meerdere gemeenten als in hun eigen gemeente eisen gelden waar ze niet aan kunnen voldoen of als daar helemaal geen ontheffingen worden verleend. Dit ondergraaft de bedoeling van de wetgever. De Afdeling adviseert de regering daarom de eis van lokale binding in het ontwerpbesluit op te nemen.
Handhaving
Handhaving van de ontheffingen is een taak van de gemeenten, die daarvoor in beginsel buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) inzetten. Maar deze boa’s zijn volgens de gemeenten rond de jaarwisseling niet of nauwelijks op straat vanwege de gevaarlijke situatie. De toelichting bij het ontwerpbesluit geeft geen inzicht in de vraag hoe de handhaving dan wordt geregeld. De afwezigheid van toezicht kan voor minder naleving en potentieel meer gevaar zorgen, wat de vraag oproept of het dan wel verantwoord is om ontheffingen te verlenen. De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de vraag hoe wordt voorzien in een adequate handhaving van het ontwerpbesluit.
In verband met deze opmerkingen dient het ontwerpbesluit nader te worden overwogen.
1. Inhoud ontwerpbesluit
Begin 2026 is de Wet veilige jaarwisseling gepubliceerd die een vuurwerkverbod voor consumenten instelt. (zie noot 1) De wet geeft burgemeesters de mogelijkheid om een ontheffing van dit verbod te verlenen. Deze mogelijkheid vloeit voort uit een amendement dat is aangenomen door de Tweede Kamer. (zie noot 2) De indieners hadden daarbij georganiseerde groepen burgers, zoals dorps- en buurtverenigingen, op het oog.
De regering wil de wet op 1 augustus 2026 in werking laten treden zodat het vuurwerkverbod kan gelden met ingang van de jaarwisseling 2026-2027. (zie noot 3) Het ontwerp-koninklijk besluit waarmee de wet in werking treedt, moet ingevolge een aangenomen amendement aan beide Kamers worden voorgelegd.
In de toelichting bij het amendement heeft de indiener voorgesteld inwerkingtreding te verbinden aan drie voorwaarden: een effectief handhavingsplan, compensatie voor de vuurwerkbranche en uitwerking van de ontheffing in het onderhavige besluit. (zie noot 4) Ten aanzien van de laatste voorwaarde overwoog de indiener van het amendement dat het ontwerpbesluit tijdig gereed moet zijn "zodat voorafgaand aan de inwerkingtreding van de wet het voor dorps- of buurtverenigingen duidelijk is hoe en onder welke voorwaarden zij tijdens de jaarwisselingen op een verantwoorde en veilige manier voor hun lokale gemeenschap vuurwerk kunnen afsteken op een daartoe aangewezen plek met een ontheffing van de burgemeester". (zie noot 5)
Het ontwerpbesluit werkt de ontheffingsmogelijkheid uit voor stichtingen en verenigingen om vuurwerk af te steken tijdens de jaarwisseling. Gemeenten bepalen zelf of zij ontheffingen op hun grondgebied willen toestaan. Indien zij daartoe overgaan, dienen zij een aanvraagproces in te richten en lokaal beleid te maken. Ook moeten zij dan voldoen aan de kaders die worden gesteld in het ontwerpbesluit.
Zo stelt het ontwerpbesluit regels aan de aanvrager van de ontheffing, aan de plaats waar het vuurwerk wordt afgestoken en aan de personen die het afsteken (‘ontbranders’) en hun toezichthouder (‘supervisor’). Ook bevat het ontwerpbesluit voorschriften over de wijze waarop het wordt afgestoken, waaronder de afsteektijden. Verkoop van vuurwerk mag alleen aan houders van een ontheffing.
2. Algemene appreciatie
a. Naar een veilige jaarwisseling
Met de Wet veilige jaarwisseling wordt het verboden voor particulieren om vuurwerk te bezitten en af te steken. Anders dan de citeertitel wellicht doet vermoeden, zal dit niet automatisch leiden tot een veiliger verloop van de jaarwisseling. Een wettelijk vuurwerkverbod zal op zichzelf naar verwachting onvoldoende zijn om een einde te maken aan het gebruik om tijdens de jaarwisseling vuurwerk af te steken.
Een belangrijk aandachtspunt is dat de naleving van het verbod geenszins vanzelfsprekend is. De ervaringen tijdens de jaarwisselingen van 2020/2021 en 2021/2022 laten dit ook zien. Er gold toen vanwege COVID-19 een landelijk verbod op verkoop, bezit, vervoer en afsteken van consumentenvuurwerk. Niettemin werd er nog steeds vuurwerk afgestoken dat mensen nog in huis hadden of dat in het buitenland was gekocht. Ook werd nog veel illegaal vuurwerk afgestoken. (zie noot 6)
Voor een werkelijk veilige jaarwisseling is een lange adem nodig waarbij het wettelijk vuurwerkverbod een wezenlijk element is maar op zichzelf nog niet voldoende. Minstens zo belangrijk is dat het verbod ook goed gehandhaafd wordt en dat wordt geïnvesteerd in preventieve maatregelen. Dat vereist medewerking en een andere houding van burgers evenals de inzet van alle overheidsdiensten.
Er is, met andere woorden, een cultuuromslag nodig waarbij vuurwerk afsteken rond de jaarwisseling niet langer een vanzelfsprekendheid is. Deze omslag zal veel tijd kosten. Het is dan ook belangrijk dat als de overheid écht wil inzetten op een veilige jaarwisseling, zij koersvast blijft en het beleid en de uitvoering daarvan monitort. Dit proces is gebaat bij consequent beleid en duidelijke regels, met oog voor de lange termijn.
Het amendement Bikker c.s. introduceert in de Wet veilige jaarwisseling een uitzondering op het vuurwerkverbod, waarover dit ontwerpbesluit nadere regels stelt. (zie noot 7) In het advies uit 2020 bij het wetsvoorstel wees de Afdeling op het belang van een heldere normering en effectieve handhaving inzake een vuurwerkverbod. Een uitzondering op een verbod kan de hoofdregel (het verbod) ondergraven als de uitzondering te ruim is of deze moeilijk handhaafbaar is. (zie noot 8)
Eerder wees de Afdeling op het belang van een zorgvuldige en weloverwogen besluitvorming over amendementen. (zie noot 9) Dit is niet alleen van belang voor de juridische kwaliteit van wetgeving maar ook voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid. De Afdeling adviseerde om amendementen op deze kwaliteitsaspecten te toetsen en de uitkomsten daarvan op te nemen in de toelichting bij het amendement. Op deze wijze kunnen parlement en regering voorgestelde amendementen beter op hun merites beoordelen. (zie noot 10) Nu deze toetsing van het amendement Bikker c.s. niet heeft plaatsgevonden, is het des te belangrijker dat dit wel op adequate wijze geschiedt bij dit ontwerpbesluit.
b. Balans tussen uitgangspunten
Kern van de Wet veilige jaarwisseling is dat het verboden wordt voor particulieren om vuurwerk te bezitten en af te steken. Wel blijft het toegestaan om zogeheten fop- en schertsvuurwerk af te steken. (zie noot 11) Daarnaast blijven professionele vuurwerkshows mogelijk, uitgevoerd door gespecialiseerde bedrijven. (zie noot 12)
Door het genoemde amendement Bikker c.s. is het mogelijk om lokaal uitzonderingen te maken op het vuurwerkverbod. De burgemeester kan een ontheffing verlenen aan een groep burgers - georganiseerd in een vereniging of stichting - om vuurwerk te kopen en af te steken. De voorwaarden zijn nader uitgewerkt in het onderhavige ontwerpbesluit. Een belangrijk vraagpunt daarbij was enerzijds wat nationaal geregeld moet worden en wat lokaal en anderzijds hoe streng de eisen zouden moeten zijn. (zie noot 13)
De Afdeling overweegt daarbij dat diverse uitgangspunten van belang zijn:
- Het wettelijk verbod en de daarmee te beschermen belangen van de openbare orde en veiligheid;
- Uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid van de regels voor gemeenten en toezichthouders;
- Praktische werkbaarheid voor burgers.
Tussen deze uitgangspunten zit onvermijdelijk spanning. Voor de veiligheid ligt een stringent beleid in de rede dat recht doet aan het wettelijke verbod. Andersom zouden al te strenge voorwaarden het voor burgers praktisch onmogelijk maken om een ontheffing te verkrijgen. Een uitzondering moet evenwel niet zodanig laagdrempelig zijn dat het verbod feitelijk teniet wordt gedaan. Daarnaast zijn voor de uitvoerbaarheid en handhaafbaarheid duidelijke en uniforme regels van belang.
De regering beoogt te voorzien in een ‘laagdrempelige manier’ om een ontheffing aan te vragen, waarbij zoveel mogelijk ruimte wordt geboden aan gemeenten om het vuurwerk te organiseren en vertrouwen wordt gegeven aan verenigingen en stichtingen die een ontheffing willen aanvragen. (zie noot 14) Dit idee van laagdrempelige toegang is een keuze van de regering maar volgt als zodanig niet uit het wetsvoorstel of het amendement.
Deze keuze heeft erin geresulteerd dat het ontwerpbesluit in beperkte mate normen stelt. Daardoor komt de precieze uitwerking van de regels voor een groot deel op het bordje van de gemeenten. Zij kunnen de normen nader invullen en extra voorwaarden stellen. (zie noot 15) Daarbij dient in acht te worden genomen dat laagdrempelige toegang, maar ook een gebrek aan uniforme regels, afbreuk kan doen aan het centrale doel van de Wet veilige jaarwisseling, te weten een veiliger jaarwisseling door instelling van een verbod op het afsteken van vuurwerk door consumenten. (zie noot 16)
Om tot een betere balans te komen, is het belangrijk dat heldere kaders worden gesteld (zie punt 3); dat wordt voorzien in adequate handhaving (punt 4) en dat de lokale verdeling van bevoegdheden wordt verduidelijkt. In dit verband maakt zij de volgende opmerkingen.
3. Heldere normstelling
Ten aanzien van de normstelling merkt de Afdeling het volgende op.
a. Veiligheidsafstanden
Het ontwerpbesluit regelt dat aanvragers van een ontheffing een veiligheidsplan moeten indienen met een overzicht van het af te steken vuurwerk en een situatietekening. Daarop moet worden aangegeven waar het vuurwerk tot ontbranding zal worden gebracht. Deze afsteekplaats is onderdeel van het grotere afsteekterrein. Op dit terrein mag geen publiek aanwezig zijn zodra het vuurwerk daar wordt neergelegd. Er geldt een minimale afstand van 10 meter tussen de buitenrand van de afsteekplaats en de buitenrand van het afsteekterrein. De burgemeester bepaalt de afstand tussen de afsteekplaats en het publiek. Deze afstand is bepalend voor de (minimale) omvang van de veiligheidszone. De veiligheidszone is dus minimaal even groot als het afsteekterrein (waar geen publiek mag komen). (zie noot 17)
De regering heeft met deze regeling willen aansluiten bij de regels voor de professionele vuurwerkbranche. (zie noot 18) Op onderdelen wordt daar echter van afgeweken. Zo is er geen minimale veiligheidsafstand voorgeschreven, terwijl voor professionals een veiligheidsafstand tot het publiek van 15 tot 60 meter is vereist in het geval zij consumentenvuurwerk afsteken. (zie noot 19) Schematisch kan dit er als volgt uit zien:

Op andere punten is de regeling open gelaten. Zo is de grootte (oppervlakte) van de afsteekplaats niet geregeld, evenmin als de afstand tussen de voorraad verpakt vuurwerk en de afsteekplaats. Dit laatste is van belang om het risico te beperken dat door een incident bij de ontbranding de voorraad vuurwerk wordt getroffen. (zie noot 20)
De regering wil aldus ruimte geven aan de burgemeester voor lokale afwegingen en vertrouwen op de verenigingen en stichtingen. De Afdeling merkt echter op dat voor de bepaling van de minimale veiligheidsafstanden een inschatting noodzakelijk is van de veiligheidsrisico’s die zijn verbonden aan het af te steken vuurwerk. Die zijn ook leidend bij de voorschriften voor professionele ontbranders. Daarbij zijn de kenmerken van het vuurwerk leidend, zoals de explosieve kracht en het potentiële bereik.
Dit laat onverlet dat lokale omstandigheden wel kunnen nopen tot aanscherping van de normen, bijvoorbeeld als in de omgeving brandgevaarlijke of kwetsbare objecten aanwezig zijn. Heldere nationaal geldende regels zouden ook houvast geven aan de burgemeester zodat de ondergrens duidelijk is.
De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit op de genoemde punten aan te vullen met concrete minimumeisen.
b. Voorschriften voor de aanvrager
Het ontwerpbesluit regelt dat alleen verenigingen en stichtingen die staan ingeschreven in het handelsregister van de Kamer van Koophandel een ontheffing kunnen aanvragen. (zie noot 21) Aan de aanvragers van een ontheffing worden vanwege de beoogde laagdrempeligheid geen nadere eisen gesteld. De Afdeling merkt hierover het volgende op.
Lokale binding
In de consultatieversie van het ontwerpbesluit werd nog vereist dat de vereniging of stichting staat ingeschreven op een adres in de gemeente waar de aanvraag wordt gedaan. Deze eis is vervallen omdat dit te beperkend zou zijn. (zie noot 22) De regering heeft het vestigingsvereiste laten vervallen zodat verenigingen of stichtingen hun inschrijving in de Kamer van Koophandel niet hoeven te wijzigen wanneer zij bijvoorbeeld in een naburige gemeente vuurwerk wensen af te steken.
De toelichtingen op de amendementen Bikker c.s. en Michon-Derkzen richten zich nadrukkelijk op initiatieven voor de lokale gemeenschap en vermelden dorps- en buurtverenigingen als voorbeelden. De regering ziet de ontheffingsmogelijkheid ook zelf als een manier om de saamhorigheid en het gemeenschapsgevoel binnen een wijk of dorp te versterken. (zie noot 23)
De Afdeling merkt op dat verenigingen soms een breder bereik hebben dat de gemeentelijke grens overstijgt. Een woonplaatsvereiste zou in zo’n geval beperkend werken. Het geheel loslaten van de eis van lokale binding is echter niet in lijn met de bedoeling van de wetgever zoals hiervoor uiteengezet.
De Afdeling voegt daaraan toe dat door het ontbreken van de eis van lokale binding een opening ontstaat voor oneigenlijk gebruik. (zie noot 24) Landelijke (vuurwerk)verenigingen kunnen overal ontheffingen aanvragen en zo op grotere schaal vuurwerk aankopen. Ook kunnen verenigingen aanvragen doen in meerdere gemeenten als in hun eigen gemeente eisen gelden waar ze niet aan kunnen voldoen of als daar in het geheel geen ontheffingen worden verleend. Ook dergelijk shopgedrag is niet in lijn met de bedoeling van de wetgever.
De Afdeling adviseert daarom de eis van lokale binding in het ontwerpbesluit op te nemen.
Kennis en vaardigheden
Het ontwerpbesluit regelt dat de supervisor en de ontbranders kennis hebben over het veilig afsteken, bewaren en transporteren van vuurwerk. (zie noot 25) Deze bepaling wordt niet nader geconcretiseerd. Zo is het niet verplicht om een bepaalde training of ‘e-learning’ te volgen. Daarnaast valt op dat de kennis alleen gaat over het veilig omgaan met vuurwerk. In het belang van de veiligheid lijkt het aangewezen dat een of meer betrokkenen ook kennis en vaardigheden bezitten over hoe te reageren in geval van een calamiteit (bijv. ehbo, bedienen blusapparaat).
De Afdeling adviseert in het licht van het voorgaande nadere eisen op te nemen in het ontwerpbesluit.
4. Handhaving
Bij het toezicht op en de handhaving van de regels tijdens de jaarwisseling zijn veel partijen betrokken, waaronder gemeenten, politie, veiligheidsregio’s, Openbaar Ministerie, Inspectie Leefomgeving en Transport (ILT), de Douane en de omgevingsdiensten. Het is volgens de toelichting op het ontwerpbesluit aan de gemeente om toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden waaronder de ontheffing is verleend. Dit zal in de regel plaatsvinden door buitengewone opsporingsambtenaren (boa’s) werkzaam bij de betreffende gemeente. Zij moeten - onder meer - de hoeveelheid en de aard van het vuurwerk controleren, de inrichting van het terrein en de gehanteerde veiligheidsafstanden en de identiteit en leeftijd van de supervisor en de ontbranders.
In reactie op het ontwerpbesluit melden de Vereniging Nederlandse Gemeenten (VNG) en het Genootschap van burgemeesters dat gemeentelijke boa’s in de huidige situatie tijdens de jaarwisseling hun handhavende taak niet of nauwelijks uitvoeren. Zij zijn dan over het algemeen niet op straat vanwege de gevaarsituatie. Daarom is het volgens de VNG niet goed mogelijk om toezicht te houden op de ontheffingsvoorwaarden- en voorschriften tijdens de jaarwisseling. (zie noot 26)
De regering herkent de opmerkingen van de VNG en verwijst naar het Handhavingsplan dat in maart 2026 is verschenen. (zie noot 27) In dit document wordt vermeld dat een ‘verkenning zal plaatsvinden naar de handhaving op ontheffingen door gemeentelijke boa’s/toezichthouders’. (zie noot 28) Daarmee blijft onduidelijk hoe de handhaving zal worden geregeld. In geval de jaarwisseling als gevaarlijk en onveilig wordt beschouwd, achten gemeenten het niet verantwoord om boa’s in te zetten. De afwezigheid van toezicht kan voor minder naleving en potentieel meer gevaar zorgen, wat de vraag oproept of in een dergelijk geval verlening van ontheffingen wel verantwoord is.
De Afdeling merkt op dat op dit moment ongewis is hoe de gemeentelijke handhaving zal worden georganiseerd. Uiteraard hangt dit ook af van de mate waarin gemeenten überhaupt overgaan tot het verlenen van ontheffingen. Aan de andere kant is de vraag of er boa’s beschikbaar zijn om ontheffingen te handhaven juist van invloed op de meer principiële vraag of een gemeente het verantwoord acht om ontheffingen te verlenen.
De politie ziet geen directe rol voor zichzelf bij de handhaving van de ontheffing. (zie noot 29) De politie is wel bevoegd in geval van verstoring van de openbare orde, geweld tegen hulpverleners of als er illegaal vuurwerk wordt afgestoken. De regering lijkt mee te gaan in de stelling van de politie dat zij geen rol hebben bij het toezien op de ontheffingen.
De Afdeling merkt op dat dit formeel zo kan zijn maar dat het in de rommelige en hectische praktijk op straat vaak anders zal verlopen. Daar zullen vaak meerdere zaken tegelijk spelen: van ordeverstoringen en vernielingen tot het afsteken van illegaal vuurwerk. Daarbij moet ook nog worden toegezien op de naleving van de ontheffingen. In dergelijke risicovolle situaties is niet altijd op voorhand vast te stellen of sprake is van het afsteken van illegaal vuurwerk of van vuurwerk met ontheffing en welke instantie dan bevoegd is. Daar komt bij dat niet duidelijk is of boa’s ook daadwerkelijk vuurwerk in beslag gaan nemen en (op veilige wijze) laten afvoeren. Inbeslagname en afvoer zouden anders alsnog door de politie moeten gebeuren. (zie noot 30)
Bij de aangekondigde verkenning van de handhaving van de ontheffingen is het van belang dat deze complexe veiligheidssituatie nadrukkelijk betrokken wordt. Het ligt daarbij in de rede uit te gaan van de maatschappelijke realiteit dat een aanzienlijk deel van de mensen zich niet aan het verbod zal houden. Ook los van vuurwerk-gerelateerd gevaar komen veiligheidsrisico’s ook breder voor in de vorm van ordeverstoringen en geweld tegen hulpverleners en gezagsdragers. De (eventuele) inzet van boa’s moet dan ook mede tegen deze achtergrond worden bezien.
De Afdeling adviseert in de toelichting in te gaan op de vraag hoe de handhaving van het ontwerpbesluit zal worden vormgegeven.
5. Bevoegdheidsverdeling op lokaal niveau
De Wet veilige jaarwisseling maakt de burgemeester bevoegd tot het verlenen van de ontheffing. (zie noot 31) Op grond van het ontwerpbesluit kan de burgemeester aanvullende voorschriften aan de ontheffing verbinden. (zie noot 32) De toelichting vermeldt dat de burgemeester beleidsregels kan stellen ten aanzien van de keuze al dan niet ontheffing(en) te verlenen. (zie noot 33) Onbesproken blijft echter hoe de mogelijkheid van de burgemeester om aanvullende voorschriften te stellen zich verhoudt tot de verordenende bevoegdheid van de gemeenteraad. Die vraag is relevant omdat de toelichting benadrukt dat de ontheffingspraktijk afhankelijk zal zijn van het lokale beleid. (zie noot 34) Daarbij moet worden bedacht dat gemeentelijke besluitvorming niet op zichzelf staat maar ook implicaties kan hebben voor omliggende gemeenten.
De Afdeling adviseert hier in de toelichting aandacht aan te besteden.
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft een aantal bezwaren bij het ontwerpbesluit en adviseert dit besluit niet te nemen, tenzij het is aangepast.
De vice-president van de Raad van State
Voetnoten
(1) Wet van 16 december 2025 tot wijziging van de Wet milieubeheer en de Wet op de economische delicten in verband met de invoering van een vuurwerkverbod voor consumenten (Wet veilige jaarwisseling) Staatsblad 2026, 7 | Overheid.nl > Officiële bekendmakingen.
(2) Amendement Bikker c.s., Kamerstukken II 2024/25, 35386, nr. 17.
(3) Het ontwerpbesluit waarmee de Wet veilige jaarwisseling in werking moet treden, is op 8 mei 2026 ter voorhang aangeboden aan de Eerste en Tweede Kamer, Kamerstukken I 2025/26, 35386, P (bijlage).
(4) Amendement Michon-Derkzen, Kamerstukken II 2024/25, 35386, nr. 16.
(5) Idem, toelichting.
(6) Zie de brieven over het landelijk beeld jaarwisseling 2020/21 en 2021/22: Kamerstukken II 2020/21, 28684, nr. 647 en Kamerstukken II 2021/22, 28684, nr. 690.
(7) Kamerstukken II 2024/25 35386, nr. 17.
(8) Afdeling advisering, advies van 18 maart 2020 bij het voorstel van wet van de leden Klaver en Ouwehand tot wijziging van de Wet milieubeheer en het Wetboek van Strafrecht (vuurwerkverbod voor consumenten), Kamerstukken II 2021/22, 35386, nr. 4.
(9) Afdeling advisering, briefadvies amendementen en wetgevingskwaliteit, vastgesteld op 24 april 2025.
(10) Briefadvies amendementen en wetgevingskwaliteit, p. 6.
(11) Dit is vuurwerk uit de lichtste gevaarklasse (categorie F1) dat het hele jaar mag worden afgestoken.
(12) Voor professionele ontbranders geldt al een systeem waarbij de provincie bevoegd is tot het verlenen van een ontheffing.
(13) Zie het Beleidskompas bij het ontwerp Besluit veilige jaarwisseling, raadpleegbaar op: https://www.internetconsultatie.nl/besluit_veilige_jaarwisseling/document/14847
(14) Nota van toelichting, paragraaf 2.1 en 8.1.
(15) Voorgesteld artikel 2.3.2 regelt namelijk dat een ontheffing kan worden verleend als ‘ten minste’ aan een aantal genoemde voorwaarden is voldaan. Daarnaast kan het zijn dat lokaal een evenementenvergunning verplicht wordt gesteld waaraan voorschriften worden verbonden.
(16) Zie uitgebreider de memorie van toelichting bij de Wet veilige jaarwisseling zoals gewijzigd na het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State, Kamerstukken II 2021/22, 35386, nr. 6.
(17) Het verpakte vuurwerk moet minimaal 8 meter van de rand van de veiligheidszone worden neergelegd.
(18) Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk. De professionele vuurwerkbranche gebruikt onder meer vuurwerk dat onder dezelfde categorie (F2) valt als het toegestane vuurwerk via de voorgestelde ontheffing voor particulieren.
(19) Artikel 3.2 eerste lid van de Regeling bedrijfsmatig tot ontbranding brengen van vuurwerk. De minimale veiligheidsafstanden verschillen per type consumentenvuurwerk.
(20) Dit geldt te meer als voor 1 locatie verschillende ontheffingen worden verleend.
(21) Voorgesteld artikel 2.3.2, onder a.
(22) Dit bezwaar werd genoemd in de reacties van onder andere de Belangenvereniging Pyrotechniek Nederland en de Stichting Buurtvuurwerk Nederland.
(23) Nota van toelichting, paragraaf 2.1 en 8.3.
(24) Daarnaast bestaat het risico op misbruik als met 1 ontheffing bij meer verkooppunten de maximaal toegestane hoeveelheid vuurwerk wordt gekocht.
(25) Voorgesteld artikel 2.3.2a, tweede lid onder e.
(26) Nota van toelichting, paragraaf 8.2.
(27) Ministerie van Justitie en Veiligheid, Handhavingsplan jaarwisseling, maart 2026.
(28) Idem, paragraaf 7.4.
(29) Uitvoeringstoets van de politie, 31 december 2025, p. 7.
(30) Idem, p. 15.
(31) Artikel 9.2.2.1a, vierde lid, Wet veilige jaarwisseling.
(32) Gegeven de formulering van artikel 2.3.2, aanhef en artikel 2.3.2a, eerste lid, aanhef van het ontwerpbesluit. Zie ook de reactie van de bewindspersonen op vraag 9 (p. 16) in het verslag van het schriftelijk overleg, vastgesteld op 20 februari 2026. Kamerstukken II 2025/26. 35386, nr. 35.
(33) Nota van toelichting, paragraaf 6.2 en 8.3.
(34) Nota van toelichting, paragraaf 5.1 en 5.2. Zie ook artikel 149 en 121 van de Gemeentewet.