Advies initiatiefwetsvoorstel provinciale inbesteding vervoerconcessies
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 2 oktober 2024 het advies vastgesteld over het initiatiefwetsvoorstel provinciale inbesteding vervoerconcessies van Tweede Kamerleden De Hoop (GroenLinks-PvdA) en Olger van Dijk (NSC). Het advies is op 7 oktober 2024 gepubliceerd op de website van de Raad van State.
Inhoud van het voorstel
Het openbaar vervoer in Nederland wordt uitgevoerd op basis van concessies. Dit houdt in dat een vervoerder voor een bepaalde periode het alleenrecht krijgt om in het zogenoemde concessiegebied openbaar vervoer aan te bieden. Voor het streekvervoer verleent de provincie de concessie, meestal voor een periode van tien of vijftien jaar. De vervoerder moet zich houden aan de eisen die de provincie aan het vervoer stelt, zoals welke lijnen worden gereden en hoe vaak. Provincies moeten hun OV-concessies openbaar aanbesteden, zodat (private) vervoerbedrijven zich daarop kunnen inschrijven. Dat is een Europeesrechtelijke verplichting, die is uitgewerkt in de Wet personenvervoer 2000. Het initiatiefwetsvoorstel biedt provincies de mogelijkheid een vervoerconcessie ‘in te besteden’ bij een eigen vervoerbedrijf, en dus niet openbaar aan te besteden. Het Unierecht biedt ruimte om deze afwijking van de hoofdregel in nationale regelgeving op te nemen. Het wetsvoorstel benut deze mogelijkheid.
Aanleiding inbesteding
De initiatiefnemers willen provincies de mogelijkheid tot inbesteding bieden. Inbesteding betekent dat een provincie zelf een OV-bedrijf opricht of verwerft. De aanleiding hiervoor is dat op sommige concessies niet of nauwelijks inschrijvingen binnenkomen van marktpartijen. De markt doet zijn werk onvoldoende, is hun conclusie. In coronatijd liep het gebruik van het OV terug en moesten provincies soms financieel bijspringen en de risico’s van vervoerders overnemen. Het gebruik van het OV is nog niet terug op het oude niveau. Andere problemen die de initiatiefnemers noemen, zijn de kostenstijgingen in het OV en de inflatie, waardoor het OV duurder is geworden en gebruikers het niet meer kunnen betalen. Ook dat leidt tot minder gebruik en vermindering van het aanbod.
Probleemanalyse niet goed genoeg
De Afdeling advisering vindt de probleemanalyse die aan het voorstel ten grondslag ligt, nog niet goed genoeg. De initiatiefnemers noemen een reeks aan problemen in het OV, maar onduidelijk blijft hoe deze zich tot elkaar verhouden. Zo is onduidelijk of de problemen veroorzaakt worden door het stelsel van openbare aanbesteding of door tekortschietende financiële middelen. Verder hangen enkele problemen samen met financiële tekorten door tijdelijke schokken, zoals de coronapandemie. Daarmee is niet duidelijk of deze problemen structureel zijn.
Bestaande stelsel
De Afdeling advisering is ook van oordeel dat de toelichting bij het initiatiefwetsvoorstel niet genoeg ingaat op de gevolgen die er zijn voor het bestaande stelsel, als provincies dit aanvullende instrument mogen gebruiken. Verder zouden de initiatiefnemers meer aandacht moeten besteden aan wat er binnen het bestaande stelsel mogelijk is en wat dan de meerwaarde is van inbesteding. Ook in het huidige stelsel van openbaar aanbesteden kunnen provincies al in vergaande mate sturen en (financiële) risico’s op zich nemen.
Inbesteden van openbaar vervoer is complex
Het inbesteden van openbaar vervoer heeft veel voeten in aarde. Het vergt veel middelen – personeel, financieel en organisatorisch – en de nodige voorbereidingstijd. In de toelichting bij het voorstel is te weinig aandacht voor deze praktische complicaties. Als provincies hun openbaar vervoer laten uitvoeren door een eigen exploitant, brengt dat bovendien financiële risico’s voor hen mee. Ook hier moeten de initiatiefnemers in de toelichting meer op in gaan.
Conclusie
De Afdeling advisering heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het voorstel in behandeling wordt genomen.

Lees hier de volledige tekst van het advies van de Afdeling advisering.