Interstatelijk vertrouwensbeginsel biedt geen basis voor leeftijdsbeoordeling
De minister van Asiel en Migratie mag niet meer op basis van het zogenoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel uitgaan van de juistheid van de leeftijdsregistratie van asielzoekers in een andere EU‑lidstaat. Het Unierecht regelt namelijk niet de wijze waarop een leeftijdsbeoordeling moet plaatsvinden en welke waarde een leeftijdsregistratie uit een andere EU-lidstaat heeft bij de leeftijdsbeoordeling in een asielprocedure. Dat oordeelt de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State in een uitspraak van vandaag (9 oktober 2024).
Achtergrond
In deze zaak gaat het om een Malinese asielzoeker die zegt minderjarig te zijn. Na een zogenoemde leeftijdsschouw twijfelde de minister of de asielzoeker minderjarig was en deed zij nader onderzoek naar zijn leeftijd. Uit dat onderzoek is gebleken dat de asielzoeker in België, Italië en Zwitserland staat geregistreerd als meerderjarige. Mede op basis van de leeftijdsregistraties uit de andere EU‑lidstaten heeft de minister de asielzoeker vervolgens geregistreerd als meerderjarige. Dat doet zij op basis van het zogenoemde interstatelijk vertrouwensbeginsel.
Interstatelijk vertrouwensbeginsel geen basis meer voor leeftijdsbeoordeling
Eerder oordeelde de Afdeling bestuursrechtspraak dat de minister op basis van het interstatelijk vertrouwensbeginsel er in beginsel van uit mag gaan dat de leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat juist is. Maar de Afdeling bestuursrechtspraak komt nu terug van dat oordeel. Het interstatelijk vertrouwensbeginsel speelt namelijk geen rol bij de registratie van geboortedata, omdat het Unierecht niet specifiek regelt op welke wijze een leeftijdsbeoordeling moet plaatsvinden en welke waarde een leeftijdsregistratie uit een andere EU-lidstaat heeft bij de leeftijdsbeoordeling in een asielprocedure. De minister zal de leeftijd daarom moeten beoordelen op grond van het nationale bewijsrecht.
Minister moet leeftijdsbeoordeling aanpassen
De uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak betekent dat de minister haar beleid over leeftijdsbeoordelingen zal moeten aanpassen. Maar haar werkwijze hoeft zij nauwelijks aan te passen. De minister mag de leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat namelijk blijven betrekken bij haar onderzoek naar de leeftijd van een asielzoeker. En in de praktijk doet de minister al vaak nader onderzoek en betrekt zij ook alles wat de asielzoeker aanvoert. Wel zal de minister vaker dan voorheen een asielzoeker die zegt minderjarig te zijn, het voordeel van de twijfel moeten geven. Uit Europees en internationaal recht volgt namelijk dat de minister bij twijfel over de leeftijd moet uitgaan van het ‘vermoeden van minderjarigheid’. Dat is om de rechten van het kind effectief te beschermen.
Terecht uitgegaan van meerderjarigheid
In deze zaak heeft de minister de leeftijdsbeoordeling goed uitgevoerd en gaat zij er terecht van uit dat de Malinese asielzoeker meerderjarig is. De Afdeling bestuursrechtspraak oordeelt dat de minister in dit geval alle door de asielzoeker ingebrachte stukken, feiten en omstandigheden over zijn leeftijd zorgvuldig heeft onderzocht, ondanks dat zij niet zonder meer van de leeftijdsregistratie van de andere EU-lidstaten mocht uitgaan.

Lees hier de hele uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak met zaaknummer 202201742/1.