Advies over wetswijziging financiële verhoudingen tussen het Rijk en medeoverheden
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 18 maart 2026 het advies vastgesteld over het wetsvoorstel van de regering om de Financiële-verhoudingswet te wijzigen. Het advies is op 23 maart 2026 gepubliceerd op de website van de Raad van State.
Inhoud wetsvoorstel
Provincies en gemeenten krijgen een groot deel van hun inkomsten van de Rijksoverheid. De wijze waarop zij deze inkomsten krijgen, is geregeld in de Financiële-verhoudingswet. De belangrijkste bron van inkomsten is de zogenoemde vrij besteedbare algemene uitkering uit het gemeente- of provinciefonds. Daarnaast verstrekt de Rijksoverheid andere middelen waaraan wel voorwaarden worden gesteld. De regering wil het complexe stelsel stroomlijnen door uitkeringen te schrappen of te vereenvoudigen.
Stap voorwaarts, maar…
Het wetsvoorstel kan het stelsel vereenvoudigen en de lokale bestedingsvrijheid vergroten. De Afdeling advisering vindt dit wetsvoorstel daarom op zich een stap voorwaarts. Tegelijk lost dit wetsvoorstel andere problemen in de verhoudingen tussen de Rijksoverheid en medeoverheden niet op. Nederland staat voor grote maatschappelijke opgaven - van woningbouw tot jeugdzorg - waar gemeenten en provincies een cruciale rol spelen, terwijl zij daarvoor niet in alle gevallen voldoende middelen hebben. Daar komt bij dat vanuit de Rijksoverheid een aanhoudende behoefte bestaat aan centrale sturing die de ruimte beperkt om problemen lokaal of regionaal op te lossen. Verbetering van de verhoudingen tussen de Rijksoverheid en medeoverheden is essentieel om de maatschappelijke vraagstukken effectief aan te pakken. De Afdeling adviseert dat de minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties (BZK) het voortouw neemt om deze verhoudingen te verbeteren.
Bijzondere fondsuitkeringen
Het wetsvoorstel introduceert ‘bijzondere fondsuitkeringen’ ter vervanging van twee bestaande uitkeringsvormen. Deze bijzondere fondsuitkeringen uit het gemeentefonds en provinciefonds zijn vrij besteedbaar voor provincies en gemeenten. Dit betekent dat de Rijksoverheid niet mag bepalen hoe het geld wordt besteed en dat medeoverheden geen verantwoording hoeven af te leggen aan het Rijk. De Afdeling advisering wijst op de spanning tussen theorie en praktijk. Zo mogen ministeries weliswaar niet sturen maar wel afspraken maken met medeoverheden die een bijzondere fondsuitkering ontvangen, zonder dat daarmee de beleids- en bestedingsvrijheid wordt ingeperkt. Ook mogen ze maximaal eens per jaar informatie opvragen bij een bijzondere fondsuitkering, tenzij er zwaarwegende redenen zijn om het vaker te doen. Deze uitzondering is niet overtuigend gemotiveerd en de Afdeling adviseert deze daarom te schrappen.
Specifieke uitkeringen
De regering wil het aantal zogenoemde specifieke uitkeringen inperken. Deze uitkeringen hebben een specifiek bestedingsdoel en gaan gepaard met zware verantwoordingslasten voor alle betrokken overheden. Daarnaast perken zij de lokale bestedingsvrijheid in. De Afdeling advisering brengt in herinnering dat ook bij de stelselherziening van 2008 het streven was om terughoudend te zijn met specifieke uitkeringen. De praktijk is echter weerbarstig en daarom is beter inzicht in de oorzaken van de groei van het aantal specifieke uitkeringen belangrijk. De Afdeling adviseert daarom beter toe te lichten wat de oorzaken zijn van deze groei en hoe dit wetsvoorstel dit kan inperken.
Niveau van regelgeving
De regering stelt voor om de specifieke uitkeringen maximaal vijf jaar mogelijk te maken bij ministeriële regeling, in plaats van bij algemene maatregel van bestuur. De Afdeling advisering ziet onder andere een risico dat dit de inzet van specifieke uitkeringen zal stimuleren in plaats van afremmen. De Afdeling adviseert daarom tijdelijke specifieke uitkeringen te regelen bij algemene maatregel van bestuur.
Verdeling algemene uitkering
De algemene uitkering uit het gemeentefonds en het provinciefonds wordt verdeeld over de gemeenten en provincies volgens wettelijke criteria. De regering wil de wettelijke verankering van deze criteria versoepelen, maar het is onduidelijk waarom dat nodig is. De Afdeling adviseert het wetsvoorstel daarop aan te passen, tenzij de noodzaak van de versoepeling overtuigend wordt gemotiveerd.
Conclusie
De Afdeling advisering heeft een aantal opmerkingen bij het voorstel en adviseert daarmee rekening te houden voordat het wordt ingediend bij de Tweede Kamer.

Lees hier het hele advies van de Afdeling advisering.