Advies over initiatiefwetsvoorstel over grondgebonden melkveehouderij
De Afdeling advisering van de Raad van State heeft op 3 juni 2026 het advies over het initiatiefwetsvoorstel van voormalig Kamerlid Holman (NSC) en Kamerlid Grinwis (CU) vastgesteld over de invoering van een grondgebonden melkveehouderij, de aanwijzing van maatschappelijke landbouwgebieden en een verantwoorde mestafzet. Het advies is op 8 juni 2026 gepubliceerd op de website van de Raad van State.
Inhoud van het initiatiefwetsvoorstel
Het initiatiefwetsvoorstel heeft tot doel bij te dragen aan een toekomstvisie voor de Nederlandse landbouw waarbij grondgebonden melkveehouderij centraal staat. Het wetsvoorstel bestaat uit drie hoofdsporen:
- Het vastleggen van een wettelijke vorm van grondgebondenheid in de melkveehouderij. De daarbij vastgestelde grondnormen houden in dat bij een bepaalde hoeveelheid vee (grootvee-eenheden (GVE)) een bepaalde hoeveelheid grond hoort;
- De opsplitsing van de agrarische grond in Nederland in een Agrarische Hoofdstructuur (AHS) en Maatschappelijke Landbouwgebieden (ML). Binnen de AHS geldt een lagere grondnorm dan binnen de ML.
- De introductie van een mestvervoersbeperking voor alle producenten van dierlijke meststoffen. Dierlijke meststoffen mogen enkel worden vervoerd binnen een straal van honderd kilometer van de productielocatie of binnen de vastgestelde vervoersregio’s.
Brede visie: reikwijdte van het voorstel
De Afdeling advisering constateert dat de initiatiefnemers de drie hoofdsporen plaatsen in een brede visie over de toekomst van de landbouw. Die visie gaat ervan uit dat de landbouwsector over tien jaar structureel in balans is, waardoor de landbouwers perspectief en duidelijkheid krijgen. De toelichting bij het voorstel omvat in belangrijke mate een globale, brede beleidsvisie met belangrijke discussiepunten rondom de toekomst van de landbouw. Deze brede visie leent zich er echter niet goed voor om een-op-een te worden omgezet in een samenhangend wetsvoorstel.
Omvangrijke uitdagingen: concrete probleemoplossingen
De Afdeling advisering onderkent dat de initiatiefnemers omvangrijke uitdagingen binnen het landelijk gebied adresseren. Nederland staat voor een grote opgave om de balans te herstellen tussen landbouw en natuur, water, bodem en klimaat. Juist omdat deze opgaven zo groot en complex zijn, is het van belang dat uit het voorstel en de bijbehorende toelichting duidelijk volgt voor welke concrete problemen het voorstel een oplossing biedt. De toelichting toont een grote verscheidenheid aan vervlochten problemen en algemeen geformuleerde doelen die niet allemaal tegelijk haalbaar zijn. Daardoor is onvoldoende duidelijk voor welke problemen het voorstel concreet oplossingen biedt en welke bijdrage het voorstel daadwerkelijk levert aan het oplossen van de grote opgaven waar de agrarische sector voor staat.
Kern van het voorstel: grondgebondenheid
De Afdeling advisering geeft de initiatiefnemers in overweging de reikwijdte van het voorstel te beperken tot de wettelijke verankering van een grondgebondenheid. Zij maakt een aantal opmerkingen over de voorgestelde invulling daarvan, omdat die tot diverse complicaties leidt.
De initiatiefnemers benoemen grondgebondenheid als een noodzakelijke basis voor het voorstel. Daarbij gaat het hen in de kern om het vinden van een balans tussen mestproductie en beschikbare grond, om zo kringlooplandbouw te bereiken.
Bij de verankering van de grondgebondenheid in het voorstel ziet de Afdeling advisering een aantal complicaties bij de definiëring van die term en de uitwerking van de gestelde grondnormen. Zij concludeert dat de invulling van de grondnormen naar verwachting niet leidt tot de beoogde kringlooplandbouw. Evenmin bereikt het voorstel de beoogde uitvoering van het zevende Nederlandse Actieprogramma bij de Nitraatrichtlijn.
De Afdeling advisering concludeert dat de voorgestelde invulling van grondgebondenheid niet leidt tot een structurele oplossing van de geschetste problemen door de initiatiefnemers.
Gebiedsdifferentiatie
De initiatiefnemers kiezen voor een ‘gedifferentieerde grondgebondenheid’, waarbij de inhoud en hoogte van de grondgebondenheidsnorm afhankelijk is van het landbouwgebied (AHS of ML). Met deze differentiatie willen zij boeren die graag extensiever werken daartoe in staat te stellen en de landbouwgrond naar draagkracht belasten.
De Afdeling advisering merkt op dat de gedachte van gebiedsdifferentiatie op zichzelf niet onbegrijpelijk is, maar ziet een aantal complicaties bij de invulling van de gebiedsgedifferentieerde grondgebondenheid. Deze zien onder andere op de schaarste van ruimte en de voorgestelde vergoedingen binnen de ML. Voor zover vergoedingen al nodig zijn, blijkt uit de toelichting niet dat en, zo ja, hoe hierin zal worden voorzien.
Deze factoren vormen een belangrijk obstakel om de gedifferentieerde grondgebondenheid te realiseren. Daarom acht de Afdeling advisering de voorgestelde gebiedsdifferentiatie een serieus risico voor de effectiviteit en uitvoerbaarheid van het wetsvoorstel.
Mestvervoersbeperking
Uit het voorstel volgt dat de invoering van de mestvervoersbeperking wordt gezien als een noodzakelijke tussenstap naar de met grondgebondenheid nagestreefde gesloten mestkringloop. De Afdeling advisering kan uit de toelichting echter nog onvoldoende opmaken wat de daadwerkelijke bijdrage van de voorgestelde invulling van de mestvervoersbeperking zal zijn aan een gesloten mestkringloop.
Conclusie
De Afdeling advisering heeft een aantal bezwaren bij het voorstel en adviseert het voorstel niet in behandeling te nemen, tenzij het is aangepast.

Lees hier het hele advies van de Afdeling advisering.