Prejudiciële vragen over nemen terugkeerbesluit en non-refoulement
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State heeft in een verwijzingsuitspraak van vandaag (27 augustus 2025) zogenoemde prejudiciële vragen gesteld aan het Hof van Justitie in Luxemburg. Zij wil van het Europese Hof weten of de minister van Asiel en Migratie een terugkeerbesluit mag nemen als hij de feitelijke uitzetting van de vreemdeling vervolgens uitstelt vanwege het risico dat de vreemdeling bij terugkeer naar zijn land van herkomst onmenselijk wordt behandeld (om het ‘beginsel van non-refoulement’ te waarborgen).
Achtergrond
Een Afghaan en een Jemeniet hebben asiel aangevraagd in Nederland. De minister van Asiel en Migratie heeft deze asielaanvragen afgewezen, omdat volgens hem artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag op de mannen van toepassing is. Dat houdt in dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan zeer ernstige misdrijven en daarom geen recht hebben op asiel. Omdat de mannen geen asiel hebben gekregen, moeten zij in beginsel terug naar Afghanistan en Jemen. Maar in die landen lopen zij ‘reëel risico op ernstige schade’. Daarom kan de minister hen niet feitelijk uitzetten, ook al verblijven zij illegaal in Nederland.
Tussen wal en schip
De mannen vinden dat zij door het handelen van de minister van Asiel en Migratie tussen wal en schip zijn geraakt. Omdat zij niet terug kunnen en in Nederland geen legaal verblijf hebben, kunnen de mannen geen aanspraak maken op uitkeringen en financiële tegemoetkomingen voor zorgkosten of huur. Hoewel zij na tien jaar aanspraak kunnen maken op een verblijfsvergunning, hebben zij in deze periode alleen recht op onderwijs, medisch noodzakelijke zorg of rechtsbijstand. Om in hun elementaire levensbehoeften te voorzien, zijn zij aangewezen op vrijheidsbeperkende locaties voor vreemdelingen die Nederland moeten verlaten of de nood- en daklozenopvang. De mannen vinden dat de minister in strijd met de Europese Terugkeerrichtlijn handelt door hen een terugkeerbesluit op te leggen, terwijl hij weet dat zij feitelijk niet terug kunnen.
Prejudiciële vragen aan het Europese Hof
De Afdeling bestuursrechtspraak wil van het Hof van Justitie in Luxemburg weten of de minister van Asiel en Migratie een terugkeerbesluit mag nemen als hij de feitelijke uitzetting van een vreemdeling waartegen de minister zo’n besluit heeft genomen, uitstelt vanwege reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar het land van herkomst. Ook wil zij weten of nationale regelgeving over illegaal in Nederland verblijvende vreemdelingen die niet terug kunnen naar hun land van herkomst omdat zij daar reëel risico lopen op ernstige schade, alleen in uitzonderlijke gevallen aanspraak kunnen maken op elementaire voorzieningen in lijn is met de Europese Terugkeerrichtlijn en rechtspraak, voordat zij na tien jaar aanspraak kunnen maken op een verblijfsvergunning.
Schorsing van de behandeling
De Afdeling bestuursrechtspraak schorst de verdere behandeling van deze zaken in afwachting van de antwoorden van het Hof van Justitie in Luxemburg. Daarna zet de Afdeling bestuursrechtspraak de behandeling van de beide zaken voort en zal zij definitief uitspraak doen.

Lees hier de hele verwijzingsuitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak met zaaknummers 202304482/1 en 202304625/1.