Uitspraak 200300740/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:AH8554
- Datum uitspraak
- 12 mei 2003
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 5 januari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een herhaalde aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200300740/1.
Datum uitspraak: 12 mei 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[de vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht, van 24 januari 2003 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 5 januari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een herhaalde aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 24 januari 2003, verzonden op 27 januari 2003, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank te ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht (hierna: de voorzieningenrechter), het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 3 februari 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 11 februari 2003 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb) is de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan.
Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag, zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.
Ingevolge artikel 83, eerste lid, van de Vw 2000 houdt de rechtbank bij de beoordeling van het beroep rekening met feiten en omstandigheden die na het nemen van het bestreden besluit zijn opgekomen, tenzij de goede procesorde zich daartegen verzet of de afdoening van de zaak daardoor ontoelaatbaar wordt vertraagd.
2.2. Indien een aanvraag, als bedoeld in voormeld artikel 4:6 van de Awb, wordt ingediend, ertoe strekkende dat de minister terugkomt van een in rechte onaantastbaar geworden besluit, berust bij de minister de bevoegdheid, als bedoeld in het tweede lid van dat artikel, bij de aanwending waarvan artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 mede wordt betrokken. Komt de minister tot het oordeel dat er geen termen zijn het verzoek in te willigen, dan verzet het bepaalde in artikel 8:1 van de Awb, gelezen in verband met artikel 69 van de Vw 2000, zich ertegen dat door het instellen van beroep tegen dat besluit wordt bereikt dat de rechter de zaak beoordeelt, als ware het beroep gericht tegen het eerdere besluit. Het door appellante ingestelde beroep kon dan ook slechts leiden tot de beoordeling of zich na het eerdere in rechte onaantastbare besluit van 18 oktober 2000, nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden hebben voorgedaan, die tot heroverweging noopten.
2.3. Grief 2 richt zich tegen de overweging van de voorzieningenrechter dat op appellante de verantwoordelijkheid rustte om in de beroepsprocedure die werd gevoerd naar aanleiding van haar eerste asielaanvraag alles wat haar bekend was of redelijkerwijs bekend kon zijn en voor de beoordeling van haar aanvraag van belang kon zijn aan te voeren. Naar het oordeel van de voorzieningenrechter houdt dit in dat voor appellante de verplichting bestond onder verwijzing naar artikel 83 van de Vw 2000 haar gewijzigde situatie wegens de geboorte van haar dochter in de beroepsfase naar voren te brengen.
De grief slaagt. Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vw 2000 is het aan de vreemdeling om in het kader van de aanvraag om een verblijfsvergunning naar vermogen alle feiten en omstandigheden van belang voor die aanvraag naar voren te brengen. Artikel 83 van de Vw 2000 brengt niet met zich dat de betekenis van deze bepaling zich uitstrekt tot de beroepsfase in die zin, dat bij de beoordeling van een herhaalde aanvraag aan de vreemdeling kan worden tegengeworpen dat hij feiten en omstandigheden die na het bestreden besluit in de eerdere procedure zijn opgekomen niet bij de rechtbank naar voren heeft gebracht.
De voorzieningenrechter heeft dus in het kader van de toetsing aan artikel 4:6 van de Awb ten onrechte aan appellante tegengeworpen dat de geboorte van haar dochter niet als een nieuw feit aangemerkt kan worden, omdat zij daarvan in de beroepsfase van de eerdere procedure melding had kunnen en dus moeten maken.
2.4. Reeds hierom is het hoger beroep kennelijk gegrond. De andere grieven behoeven geen bespreking. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het beroep tegen het besluit van de minister alsnog gegrond verklaren. Het bestreden besluit komt eveneens voor vernietiging in aanmerking.
2.5. De minister dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Utrecht van 24 januari 2003 in zaak nr. AWB 03/971;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep gegrond;
IV. vernietigt het besluit van de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie van 5 januari 2003, kenmerk 0003.26.2028;
V. veroordeelt de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 966,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Staat der Nederlanden (het Ministerie van Justitie) te worden betaald aan appellante.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. T.M.A. Claessens en mr. J.E.M. Polak, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.J.W.P. van Gastel, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Gastel
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 12 mei 2003
206-428.