Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201405038/1/V3

Uitspraak 201405038/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:3326
Datum uitspraak
27 augustus 2014
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 28 januari 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling opgelegde verplichting om met ingang van 23 mei 2012 te verblijven in de gemeente Venlo beëindigd. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Vreemdelingenkamer - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201405038/1/V3.
Datum uitspraak: 27 augustus 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, van 22 mei 2014 in zaak nr. 14/2919 in het geding tussen:

de vreemdeling

en

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie.

Procesverloop

Bij besluit van 28 januari 2014 heeft de staatssecretaris de aan de vreemdeling opgelegde verplichting om met ingang van 23 mei 2012 te verblijven in de gemeente Venlo beëindigd. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 22 mei 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep niet-ontvankelijk verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de vreemdeling hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De staatssecretaris heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De vreemdeling klaagt onder meer dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak zijn beroep ten onrechte niet-ontvankelijk heeft verklaard. Zij heeft ten onrechte overwogen dat zijn beroep zich richtte tegen het beëindigen van de opvang en had moeten toetsen of het besluit waarbij de maatregel krachtens artikel 56 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) is beëindigd, rechtmatig is, aldus de vreemdeling.

1.1. Het beroep van de vreemdeling richtte zich tegen het besluit van 28 januari 2014 waarbij de maatregel krachtens artikel 56 van de Vw 2000 is beëindigd. Door te overwegen dat het ervoor moet worden gehouden dat het beroep van de vreemdeling zich richtte tegen het beëindigen van de opvang, is de rechtbank in strijd met artikel 8:69, eerste lid, van de Awb buiten de grenzen van het geschil getreden.

De klacht is derhalve terecht voorgedragen, maar leidt niet tot het ermee beoogde doel, gelet op het volgende.

1.2. Zoals volgt uit hetgeen de Afdeling heeft overwogen in haar uitspraak van 28 december 2012 in zaak nr. 201207142/1/V1 biedt de krachtens artikel 56 van de Vw 2000 opgelegde maatregel geen grond voor de aan de vreemdeling geboden opvang. Het betoog van de vreemdeling dat hij belang heeft bij de beoordeling van de rechtmatigheid van het besluit waarbij de maatregel krachtens artikel 56 van de Vw 2000 is beëindigd, omdat die maatregel tot gevolg heeft gehad dat hem opvang werd geboden, kan derhalve niet worden gevolgd. Nu de vreemdeling geen belang heeft bij de beoordeling van zijn beroep tegen het besluit van 28 januari 2014, heeft de rechtbank dit beroep terecht, zij het op onjuiste gronden, niet-ontvankelijk verklaard.

De grief faalt.

2. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. C.J. Borman, leden, in tegenwoordigheid van mr. W.M.P. van Gemert, griffier.

w.g. Lubberdink w.g. Van Gemert
voorzitter griffier

Uitgesproken in het openbaar op 27 augustus 2014

699.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon