Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201401155/1/V3

Uitspraak 201401155/1/V3

ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:4799
Datum uitspraak
8 augustus 2014
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 16 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Andere zaken - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201401155/1/V3.
Datum uitspraak: 8 augustus 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 januari 2014 in zaak nr. 13/25335 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 16 augustus 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 27 september 2013 heeft de staatssecretaris het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 8 januari 2014 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in zijn enige grief, samengevat weergegeven, dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de conclusie van het Bureau Medische Advisering (hierna: het BMA) in het advies van 8 augustus 2013, dat thans geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld, niet kan worden gedragen door de medische situatie van de vreemdeling en dat het derhalve op de weg van de staatssecretaris had gelegen nadere vragen te stellen aan het BMA om de onduidelijkheid over de posttraumatische stressstoornis (hierna: PTSS) van de vreemdeling weg te nemen. Daartoe voert de staatssecretaris aan dat de rechtbank de deskundigheid van de BMA-arts niet op juiste waarde heeft geschat en ten onrechte heeft geoordeeld dat op grond van de onderliggende informatie onduidelijkheden bestaan over de medische klachten van de vreemdeling. De rechtbank heeft blijk gegeven van een zelfstandig en eigen oordeel over de geconstateerde klachten en diagnose, door niet alleen van belang te achten dat de vreemdeling onder behandeling is bij een GGZ-consulent - die volgens haar alleen in beeld is in verband met klachten gerelateerd aan de in 2010 bij de vreemdeling geconstateerde PTSS -, maar ook dat in het patiëntendossier van 24 juli 2013 door deze GGZ-consulent en de huisarts van de vreemdeling melding is gemaakt van somberheid en angstgevoelens. Dat deze door de behandelaars geconstateerde klachten over somberheid en angstgevoelens niet in het BMA-advies van 8 augustus 2013 zijn opgenomen, laat volgens de staatssecretaris onverlet dat dit advies zorgvuldig tot stand is gekomen en voorts inzichtelijk en concludent is. Daarbij heeft de staatssecretaris in aanmerking genomen dat het BMA bij het opstellen van dit advies de meest recente medische informatie van de behandelaars van de vreemdeling, zijn huisarts en de GGZ-consulent, heeft betrokken en mede op basis daarvan gemotiveerd heeft geconcludeerd dat bij het staken van de behandeling van de vreemdeling geen medische noodsituatie op korte termijn valt te verwachten. Gelet hierop en in aanmerking genomen dat de vreemdeling zijn stelling dat het BMA ten onrechte tot de conclusie is gekomen dat thans geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld, niet met medische stukken heeft onderbouwd, heeft de rechtbank ten onrechte overwogen dat sprake is van concrete aanknopingspunten voor twijfel aan het BMA-advies van 8 augustus 2013 en dat hij dit advies niet, althans niet zonder nadere motivering aan het besluit van 27 september 2013 ten grondslag heeft mogen leggen, aldus de staatssecretaris.

1.1. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 13 oktober 2010 in zaak nr. 201001245/1/V1), strekt, indien en voor zover de staatssecretaris BMA-adviezen aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, de door de rechtbank te verrichten toetsing, indien de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, niet verder dan dat zij naar aanleiding van een aangevoerde beroepsgrond beoordeelt of de staatssecretaris zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat de BMA-adviezen - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent zijn.

1.2. Het BMA heeft op 8 augustus 2013 aan de staatssecretaris een advies uitgebracht over de medische situatie van de vreemdeling. Uit dit BMA-advies volgt dat ter beantwoording van de door de staatssecretaris voorgelegde vragen gebruik is gemaakt van de bij de aanvraag meegezonden stukken. Daarnaast heeft het BMA zelf informatie opgevraagd en verkregen van de huisarts van de vreemdeling, het patiëntendossier van 24 juli 2013, en van de GGZ-consulent. Dit BMA-advies vermeldt dat, voor zover thans van belang, de vreemdeling last heeft van spanningsklachten, gevoelens van boosheid en slaapproblemen. Voorts is vermeld dat de vreemdeling in 2010 is behandeld voor PTSS, dat in het verleden sprake is geweest van een gedwongen opname, waarover geen nadere informatie bekend is, en dat de vreemdeling - volgens de verkregen informatie - op dit moment niet aan de criteria van PTSS voldoet. De vreemdeling staat onder behandeling van een huisarts en een GGZ-consulent en gebruikt medicatie. Wat de psychische klachten betreft, is een termijn voor behandeling moeilijk te geven, aldus het BMA. Er is weinig verbetering te verwachten, vanwege de onzekere situatie waarin de vreemdeling verkeert en die een belangrijke onderhoudende factor vormt. Het BMA concludeert dat het uitblijven van medische behandeling naar alle waarschijnlijkheid niet zal leiden tot een medische noodsituatie op korte termijn, omdat wel sprake is geweest van een gedwongen opname, maar momenteel geen sprake (meer) is van een psychiatrisch toestandsbeeld dan wel van psychotische klachten.

De behandelaar van de vreemdeling heeft op 9 augustus 2013 het patiëntendossier van de vreemdeling wederom toegezonden aan het BMA. In de aanvullende nota van 29 augustus 2013 heeft het BMA zich dienaangaande op het standpunt gesteld dat, na bestudering van de toegezonden informatie, het advies van 8 augustus 2013 gehandhaafd kan blijven.

1.3. Er bestaat geen grond voor het oordeel dat het BMA-advies van 8 augustus 2013, voor zover daarin is vermeld dat geen sprake is van een psychiatrisch toestandsbeeld en als gevolg van het achterwege blijven van behandeling geen medische noodsituatie op korte termijn te verwachten valt, niet op deugdelijke, inzichtelijke, volledige en consistente wijze is opgesteld.

Hiertoe is van belang dat uit dit BMA-advies volgt dat de opsteller daarvan gebruik heeft gemaakt van de op dat moment meest recente informatie over de medische situatie van de vreemdeling, zoals neergelegd in het patiëntendossier van 24 juli 2013. In dit dossier - alsmede in het op 9 augustus 2013 uitgedraaide en nagezonden patiëntendossier - is bij het laatste, meest recente spreekuurcontact op 24 juli 2013 vermeld dat de vreemdeling boos is omdat hem geen verblijfsvergunning wordt verstrekt en dat hij er somber en angstig van wordt, dat hij goed inzicht heeft in reële en irreële angsten, dat hij kan genieten van zijn kinderen, dat een derde kind op komst is, dat hij adequaat maar teleurgesteld reageert als wordt medegedeeld dat de behandelaar niets kan doen voor zijn verblijfsprocedure en dat hij wisselend goed en minder goed slaapt. Volgens de behandelaar is geen sprake van objectiverende PTSS klachten. De vreemdeling functioneert naar omstandigheden goed en er is sprake van een stabiele situatie met begrijpelijke frustraties en boosheid.

Uit de enkele omstandigheid dat de arts van het BMA de klachten van de vreemdeling over somberheid en angstgevoelens niet (uitdrukkelijk) in het advies heeft vermeld, volgt niet dat de arts van het BMA deze gegevens niet bij de beoordeling van de vraag of bij uitblijven van behandeling een medische noodsituatie op korte termijn zal ontstaan, heeft betrokken. Gelet op de motivering van het advies, zoals tot uitdrukking gebracht in de antwoorden op de aan het BMA gestelde vragen, bestaat evenmin grond voor het oordeel dat de arts van het BMA de psychische klachten van de vreemdeling onvoldoende heeft verwerkt in het advies. Daarbij is in aanmerking genomen dat de arts van het BMA vermeldt dat de duur van de behandeling van de psychische klachten van de vreemdeling moeilijk is aan te geven, omdat weinig verbetering valt te verwachten, nu deze klachten samenhangen met de onzekere situatie waarin de vreemdeling verkeert en die een belangrijke onderhoudende factor vormt. Dat het BMA vervolgens op basis van deze psychische klachten heeft geconcludeerd dat thans geen sprake (meer) is van een psychiatrisch toestandsbeeld, maakt niet dat het BMA-advies op het punt van de situatie rond de PTTS van de vreemdeling onduidelijk is. De staatssecretaris heeft zich bovendien terecht op het standpunt gesteld dat de vreemdeling niet met medische stukken de hiervoor in 1.2. vermelde conclusie van het BMA over het ontstaan van een medische noodsituatie heeft bestreden. Onder die omstandigheden bestaat geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris niet zonder nadere vragen aan het BMA op het BMA-advies van 8 augustus 2013 heeft mogen afgaan.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het besluit van 27 september 2013 toetsen in het licht van de daartegen in eerste aanleg aangevoerde beroepsgronden, voor zover daarop, na hetgeen hiervoor is overwogen, nog moet worden beslist.

3. De vreemdeling heeft betoogd dat het BMA hem ten onrechte niet heeft opgeroepen voor een spreekuuronderzoek. De overgelegde informatie van de behandelaars is immers niet actueel, consistent of volledig, nu geen informatie is opgevraagd bij de GGZ-consulent, aldus de vreemdeling.

3.1. Zoals de Afdeling reeds eerder heeft overwogen behoort het tot de deskundigheid van het BMA om te oordelen of een nadere specialistische inbreng voor de beantwoording van de door de staatssecretaris gestelde vragen over het ontstaan van een medische noodsituatie noodzakelijk is. Onder vorenbedoeld deskundig oordeel van het BMA moet tevens worden begrepen de afweging om de vreemdeling voor een spreekuurcontact op te roepen (uitspraak van 11 september 2013 in zaak nr. 201305005/1/V3), zodat de beroepsgrond faalt.

4. De vreemdeling heeft betoogd dat geen sprake is van een kennelijk ongegrond bezwaarschrift en de staatssecretaris hem had moeten horen of nader onderzoek door een onafhankelijke derde had moeten laten verrichten.

4.1. Van het horen mag slechts met toepassing van artikel 7:3, aanhef en onder b, van de Awb worden afgezien, indien er op voorhand redelijkerwijs geen twijfel over mogelijk is dat de bezwaren niet kunnen leiden tot een andersluidend besluit.

Gelet op de motivering van het besluit van 16 augustus 2013 en hetgeen de vreemdeling daartegen in bezwaar heeft aangevoerd, is aan deze maatstaf voldaan, zodat ook deze beroepsgrond faalt.

5. Gelet op het voorgaande zal de Afdeling het beroep van de vreemdeling alsnog ongegrond verklaren.

6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Zwolle, van 8 januari 2014 in zaak nr. 13/25335;

III. verklaart het door de vreemdeling bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. A.M. den Dulk, ambtenaar van staat.

w.g. Lubberdink w.g. Den Dulk
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 8 augustus 2014

53-765.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon