Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201400280/1/V1

Uitspraak 201400280/1/V1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2014:4802
Datum uitspraak
25 juni 2014
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 maart 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Andere zaken - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201400280/1/V1.
Datum uitspraak: 25 juni 2014

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

de staatssecretaris van Veiligheid en Justitie,
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 december 2013 in zaak nr. 13/15648 in het geding tussen:

[de vreemdeling]

en

de staatssecretaris.

Procesverloop

Bij besluit van 18 maart 2013 heeft de staatssecretaris een aanvraag van de vreemdeling om krachtens artikel 64 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) te bepalen dat uitzetting achterwege blijft, afgewezen.

Bij besluit van 21 mei 2013 (hierna: het besluit) heeft de staatssecretaris, voor zover thans van belang, het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Het besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 16 december 2013 heeft de rechtbank het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, het besluit vernietigd en bepaald dat de staatssecretaris een nieuw besluit op het gemaakte bezwaar neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft de staatssecretaris hoger beroep ingesteld. Het hogerberoepschrift is aangehecht.

De vreemdeling heeft een verweerschrift ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

Overwegingen

1. De staatssecretaris klaagt in de enige grief dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat hij ten onrechte heeft nagelaten de vreemdeling in de gelegenheid te stellen een aanvullende verklaring over te leggen waaruit blijkt dat hij ten tijde van het besluit werd behandeld voor zijn medische klachten. De rechtbank heeft aan haar oordeel ten grondslag gelegd dat in de in bezwaar overgelegde verklaring van 17 januari 2013 (hierna: de verklaring) van een psychiater (hierna: de psychiater) weliswaar niet letterlijk staat dat hij werd behandeld maar dat de verklaring wel aanwijzingen hiertoe bevat en dat zijn maatschappelijk werker ter zitting van de rechtbank heeft verklaard dat hij hem maandelijks naar de psychiater bracht.

De staatssecretaris voert onder verwijzing naar paragraaf A3/7.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) aan dat de rechtbank niet heeft onderkend dat het aan de vreemdeling is om te staven dat hij wordt behandeld voor zijn medische klachten, dat hij dit met de verklaring niet heeft gedaan, nu de psychiater hierin niet heeft vermeld dat hij hem ten tijde van het besluit behandelde, en dat hetgeen de maatschappelijk werker ter zitting heeft verklaard geen bewijs is als bedoeld in voormeld beleid.

1.1. Volgens paragraaf A3/7.1 van de Vc 2000, zoals luidend ten tijde van het besluit, moet een vreemdeling een aanvraag om krachtens artikel 64 van de Vw 2000 te bepalen dat zijn uitzetting achterwege blijft in ieder geval staven met:

- een gedagtekend, ondertekend schriftelijk bewijs van de medische behandelaars, niet ouder dan een maand op het moment waarop dit overgelegd wordt, waaruit blijkt:

- welke medische klachten de vreemdeling heeft, waarvoor hij wordt behandeld;

- de datum waarop de behandeling start en de verwachte einddatum.

Als er geen medische bewijsmiddelen ter onderbouwing van de aanvraag worden ingediend en een ingevulde toestemmingsverklaring ontbreekt, stelt de staatssecretaris de vreemdeling in de gelegenheid binnen twee weken de aanvraag aan te vullen en dit verzuim te herstellen.

1.2. Omdat de aanvraag van de vreemdeling van 12 juni 2012 niet voldeed aan voormelde vereisten, heeft de staatssecretaris de vreemdeling overeenkomstig dit beleid op 18 januari 2013 in de gelegenheid gesteld zijn aanvraag aan te vullen en het verzuim te herstellen. De vreemdeling heeft op 27 maart 2013 de verklaring overgelegd.

1.3. In de verklaring staat: "[de vreemdeling] is lijdende aan een chronische depressieve stoornis die gepaard gaat met gegeneraliseerde angst en gesomatiseerde spanning. Er zijn geen aanwijzingen voor een persoonlijkheidsstoornis. De belangrijkste psychosociale stressfactor is dat hij na jaren zijn verblijfsstatus heeft verloren, waardoor er steeds meer problemen ontstaan op velerlei gebied, voor hemzelf, zijn vrouw en drie kinderen. Patiënts niveau van functioneren wordt beoordeeld als 51 op een schaal van 0 tot 100. Hij heeft een psychiatrische behandeling nodig die, zeker als de stress persisteert, langdurig zal zijn en zonder onderbreking moet worden voortgezet."

1.4. Reeds omdat de psychiater in de verklaring niet heeft vermeld dat hij de vreemdeling behandelt en sinds wanneer dit het geval is, heeft de vreemdeling met de verklaring geen bewijs overgelegd als bedoeld in voormeld beleid. Hetgeen de maatschappelijk werker ter zitting heeft verklaard is evenmin bewijs als hiervoor bedoeld. Er is dan ook geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris ten onrechte heeft nagelaten de vreemdeling opnieuw in de gelegenheid te stellen om een aanvullende verklaring over te leggen. De rechtbank heeft dit niet onderkend.

De grief slaagt.

2. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak moet worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal het beroep alsnog ongegrond worden verklaard.

3. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

I. verklaart het hoger beroep gegrond;

II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, van 16 december 2013 in zaak nr. 13/15648;

III. verklaart het beroep in die zaak ongegrond.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, voorzitter, en mr. C.J. Borman en mr. G. van der Wiel, leden, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. De Vink
voorzitter ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 25 juni 2014

154-716.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon