Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200406786/1

Uitspraak 200406786/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AR4242
Datum uitspraak
6 oktober 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 juni 2004 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Bewaring

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200406786/1.
Datum uitspraak: 6 oktober 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[de vreemdeling],
appellant,

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 10 augustus 2004 in het geding tussen:

appellant

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 26 juni 2004 is appellant in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 10 augustus 2004, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard en het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 13 augustus 2004, hoger beroep ingesteld. Tevens heeft hij de Afdeling verzocht hem schadevergoeding toe te kennen. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 23 augustus 2004 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. Hetgeen in grief 1 naar voren is gebracht, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, met dat oordeel volstaan.

2.2. In grief 2 klaagt appellant dat de rechtbank in de aangevallen uitspraak ten onrechte niet is ingegaan op zijn stelling dat het besluit tot inbewaringstelling niet is ondertekend en derhalve onrechtmatig is.

2.2.1. Deze grief kan evenmin leiden tot het daarmee beoogde doel. Het besluit van 26 juni 2004 is in strijd met artikel 5.3, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) niet ondertekend.

In het Vb 2000 worden geen gevolgen worden verbonden aan het niet-nakomen van deze verplichting. Dit brengt met zich dat de daaraan te verbinden gevolgen moeten worden bezien in het licht van de belangen ter bescherming waarvan het betrokken voorschrift strekt.

De voorgeschreven ondertekening is van belang omdat de ondertekening van de maatregel mede beoogt te waarborgen dat deze wordt opgelegd door een bevoegd persoon. Door de vermelding van de naam van de betrokken inspecteur van politie in het besluit van 26 juni 2004 en door de vermelding alsmede de handtekening van diezelfde inspecteur in het proces-verbaal van het gehoor dat voorafgaat aan de inbewaringstelling, was dat belang in dit geval voldoende verzekerd. Hier komt nog bij dat gesteld noch gebleken is dat de betrokken inspecteur van politie de maatregel niet heeft opgelegd.

Onder deze omstandigheden bestaat geen aanleiding voor het oordeel dat het verzuim van de in artikel 5.3, eerste lid, van het Vb 2000 voorgeschreven ondertekening aan de rechtmatigheid van de bewaring in de weg stond.

Grief 2 faalt derhalve.

2.3. Grief 3 heeft geen zelfstandige betekenis, zodat deze, gelet op het vorenstaande, evenmin doel kan treffen.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.

2.5. Het verzoek om schadevergoeding dient reeds hierom te worden afgewezen.

2.6. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. bevestigt de aangevallen uitspraak;

II. wijst het verzoek om schadevergoeding af.

Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. J.E.M. Polak en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. F.T.T. van der Heijde, ambtenaar van Staat.

w.g. Lubberdink w.g. Van der Heijde
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 6 oktober 2004

279


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon