Uitspraak 200508826/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:AU7637
- Datum uitspraak
- 25 november 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 21 juni 2005 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Bewaring
Toon inhoud
200508826/1.
Datum uitspraak: 25 november 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/28110 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 14 oktober 2005 in het geding tussen:
[de vreemdeling]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 21 juni 2005 is [de vreemdeling] (hierna: de vreemdeling) in vreemdelingenbewaring gesteld. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 14 oktober 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard en aan hem een schadevergoeding toegekend. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant (hierna: de minister) bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 21 oktober 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 31 oktober 2005 heeft de vreemdeling een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de grieven 1 tot en met 4, in onderlinge samenhang gelezen, klaagt de minister dat, samengevat, de rechtbank de bewaring ten onrechte onder verwijzing naar rechtsoverwegingen 41 en 44 van het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Gemeenschappen (hierna: het Hof) van 17 februari 2005 in zaak C-215/03 (Oulane, JV 2005/148), onrechtmatig heeft geacht, omdat het, gelet op het feit dat hij stelde de Duitse nationaliteit te hebben, hoewel hij Pools sprak, voor de minister voorzienbaar had moeten zijn dat de vreemdeling onderdaan van een lidstaat was.
2.2. Volgens het op 21 juni 2005 opgemaakte proces-verbaal van staandehouding, overbrenging en ophouding is de vreemdeling aangetroffen bij een krachtens de Wet arbeid vreemdelingen uitgevoerde bedrijfscontrole. Daarbij gaf hij te kennen [naam] te heten en de Duitse nationaliteit te hebben en heeft hij ter staving daarvan een kopie van een op die naam gesteld Duits paspoort overgelegd.
Nadat de verbalisant had vastgesteld dat de vreemdeling geen gelijkenis vertoont met de foto in het paspoort, is deze krachtens artikel 50 van de Vreemdelingenwet 2000 staandegehouden en overgebracht naar een plaats, bestemd voor verhoor. Bij dat verhoor heeft de vreemdeling betwist dat hij niet lijkt op voornoemde foto, er in volhard dat hij de Duitse nationaliteit heeft en voorts verklaard dat zijn Duits paspoort in Aalsmeer ligt.
Bij gelegenheid van het aan zijn inbewaringstelling voorafgegane gehoor heeft de vreemdeling opnieuw verklaard dat hij de Duitse nationaliteit heeft en dat de overgelegde kopie een kopie is van zijn paspoort, onder de toevoeging dat hij ervoor zal zorgen dat het paspoort zo snel mogelijk wordt gebracht.
Kort na de inbewaringstelling heeft de werkgever van de vreemdeling een Duits paspoort ten name van [naam] overgelegd. Dat paspoort is vervolgens, onder medebrenging van de vreemdeling, ter beoordeling aan de Koninklijke Marechaussee (hierna: de Kmar) voorgelegd. De twee ingeschakelde Kmar-functionarissen zagen, onafhankelijk van elkaar, evenmin gelijkenis tussen de vreemdeling en de foto in het paspoort.
Daags na de inbewaringstelling heeft de vreemdeling een Pools paspoort, te naam gesteld van [de vreemdeling], overgelegd, waarop de minister de bewaring heeft opgeheven.
2.3. Onder de hiervoor weergegeven omstandigheden was ten tijde van de inbewaringstelling van de vreemdeling voor de minister niet voorzienbaar dat deze onderdaan van een lidstaat is. Dat hij Pools sprak, was daarvoor onvoldoende, nu de vreemdeling, onder opgave van andere personalia had verklaard de Duitse nationaliteit te hebben en de minister die verklaring op goede gronden niet aannemelijk achtte.
Bij die stand van zaken heeft de minister geen aanleiding hoeven zien de ophouding van de vreemdeling langer te laten voortduren, alvorens tot zijn inbewaringstelling over te gaan.
2.3.1. Anders dan in het door de rechtbank aangehaalde arrest van het Hof betreft het een vreemdeling die ten bewijze van de door hem gestelde nationaliteit en identiteit een niet op hem betrekking hebbend reisdocument heeft overgelegd. De minister mocht zich op het standpunt stellen dat de vreemdeling de door hem gestelde nationaliteit en identiteit niet aannemelijk heeft gemaakt en aldus geen aanspraken op een verblijfsrecht kan ontlenen aan het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap. De grieven slagen.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, het door de vreemdeling ingestelde beroep tegen het besluit van de minister van 21 juni 2005 alsnog ongegrond verklaren. Er is geen grond voor schadevergoeding.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Amsterdam, van 14 oktober 2005 in zaak no. AWB 05/28110;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond;
IV. wijst het verzoek om schadevergoeding af.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. B. van Wagtendonk en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. J.A. Hoovers-Backaert, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Hoovers-Backaert
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 25 november 2005
367.