Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 201304156/1/V6

Uitspraak 201304156/1/V6

ECLI
ECLI:NL:RVS:2013:2170
Datum uitspraak
27 november 2013
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 26 april 2012 heeft het college bepaald dat [appellante] binnen een termijn van drieënhalf jaar het inburgeringsexamen dient te behalen.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

201304156/1/V6.
Datum uitspraak: 27 november 2013

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rotterdam,

tegen de uitspraak van de rechtbank Rotterdam van 14 maart 2013 in zaak nr. 12/3287 in het geding tussen:

[appellante]

en

het college van burgemeester en wethouders van Rotterdam.

Procesverloop

Bij besluit van 26 april 2012 heeft het college bepaald dat [appellante] binnen een termijn van drieënhalf jaar het inburgeringsexamen dient te behalen.

Bij besluit van 15 juni 2012 heeft het college het door [appellante] daartegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 maart 2013 heeft de rechtbank het door [appellante] daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft [appellante] hoger beroep ingesteld.

Het college heeft een verweerschrift ingediend.

[appellante] heeft een nader stuk ingediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 19 november 2013, waar [appellante], vertegenwoordigd door mr. F. Ben-Saddek, advocaat te Rotterdam, en het college, vertegenwoordigd door mr. M. van Andel, werkzaam bij Juridische diensten van de Serviceorganisatie van de gemeente Rotterdam, zijn verschenen.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering - zoals luidend ten tijde van belang - ontheft het college de inburgeringsplichtige van de inburgeringsplicht, indien die inburgeringsplichtige heeft aangetoond door een psychische of lichamelijke belemmering, dan wel een verstandelijke handicap, blijvend niet in staat te zijn het inburgeringsexamen te behalen.

Ingevolge artikel 2.8, eerste lid, van het Besluit inburgering - zoals luidend ten tijde van belang - legt de inburgeringsplichtige bij de aanvraag tot ontheffing van de inburgeringsplicht op grond van een psychische of lichamelijke belemmering dan wel een verstandelijke handicap, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering, een advies over van een door het college aangewezen onafhankelijke arts, die is ingeschreven in het betreffende register, bedoeld in artikel 3, eerste lid, van de Wet op de beroepen in de individuele gezondheidszorg.

2. [appellante] betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat het college haar bezwaarschrift terecht niet heeft aangemerkt als een verzoek om ontheffing, als bedoeld in artikel 6, eerste lid, van de Wet inburgering. Volgens [appellante] heeft de rechtbank haar medische klachten ten onrechte niet bij de beoordeling betrokken. De zorg voor haar echtgenoot en kind waarop zij in het bezwaarschrift heeft gewezen, heeft ertoe geleid dat bij haar ook medische klachten zijn ontstaan. Hierom is zij niet in staat om binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen, aldus [appellante].

2.1. [appellante] heeft in haar bezwaarschrift tegen het besluit van 26 april 2012 slechts aangevoerd dat zij in beslag wordt genomen door de zorg voor haar zieke man en haar kinderen. Hieruit blijkt niet dat [appellante] heeft gesteld dat zijzelf vanwege medische problematiek niet in staat is om binnen de gestelde termijn het inburgeringsexamen te behalen. Voorts is onbestreden dat [appellante] vorenbedoeld advies niet heeft overgelegd. Derhalve is de rechtbank terecht tot de bestreden overweging gekomen.

Het betoog faalt.

3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. A.B.M. Hent, lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. A.J. de Heer, ambtenaar van staat.

w.g. Hent w.g. De Heer
lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van staat

Uitgesproken in het openbaar op 27 november 2013

636.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon