Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200501771/1

Uitspraak 200501771/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AT8702
Datum uitspraak
23 juni 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 9 juli 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), voorzover thans van belang, een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
  • Hoger beroep
  • Asiel

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200501771/1.
Datum uitspraak: 23 juni 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:

[appellante],

tegen de uitspraak in zaken nos. AWB 02/59307 en 02/84648 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden, van 28 januari 2005 in het geding tussen:

appellante

en

de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.

1. Procesverloop

Bij besluit van 9 juli 2002 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris), voorzover thans van belang, een aanvraag van appellante om haar een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen. Dit besluit is aangehecht.

Bij uitspraak van 28 januari 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Leeuwarden (hierna: de rechtbank), voorzover thans van belang, het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 februari 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 14 maart 2005 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie een reactie ingediend.

Vervolgens is het onderzoek gesloten.

2. Overwegingen

2.1. In de enige grief klaagt appellante dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat zij eerst ter zitting is opgekomen tegen het oordeel van de staatssecretaris omtrent de geloofwaardigheid van haar relaas.

Daartoe betoogt appellante dat zij in het beroepschrift heeft verwezen naar de zienswijze van 3 juni 2002 waarin zij heeft gereageerd op het geloofwaardigheidsoordeel van de staatssecretaris.

2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 23 juni 2003 in zaak no. 200302241/1, JV 2003/351) is door de enkele verwijzing in het beroepschrift naar de door de vreemdeling ingediende zienswijze voldaan aan de eisen die artikel 6:5, eerste lid, aanhef en onder d, van de Algemene wet bestuursrecht stelt, indien uit die zienswijze zonder meer valt af te leiden op welke gronden appellant opkomt tegen het besluit.

Nu uit de door appellante ingediende zienswijze valt af te leiden dat zij opkomt tegen het oordeel van de staatssecretaris omtrent de geloofwaardigheid van haar relaas, heeft de rechtbank hetgeen appellante ter zitting daaromtrent heeft aangevoerd ten onrechte wegens strijd met de goede procesorde niet bij de beoordeling van het beroep betrokken.

2.3. De grief is derhalve terecht voorgedragen maar kan niet leiden tot het ermee beoogde doel, nu hetgeen appellante ter zitting in beroep nader heeft aangevoerd omtrent de geloofwaardigheid geen grond biedt voor het oordeel dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de staatssecretaris zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van appellante ongeloofwaardig zijn.

2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, te worden bevestigd.

2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Voorzitter, en mr. C.H.M. van Altena en mr. D. Roemers, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.D.A.M. Zegveld, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Zegveld
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 23 juni 2005

43-472.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon