Uitspraak 200502597/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:16
- Datum uitspraak
- 26 april 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij onderscheiden besluiten van 24 februari 2005 heeft appellant (hierna: de minister) aanvragen van [vreemdeling sub 1] (hierna: de vreemdeling), [vreemdeling sub 2] en [vreemdeling sub 3] (hierna tezamen aangeduid als: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tevens geweigerd om laatstgenoemde ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200502597/1.
Datum uitspraak: 26 april 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak in de zaken nos. AWB 05/8641, 05/8646 en 05/8655 van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2005 in het geding tussen:
[vreemdeling sub 1], [vreemdeling sub 2] en [vreemdeling sub 3]
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij onderscheiden besluiten van 24 februari 2005 heeft appellant (hierna: de minister) aanvragen van [vreemdeling sub 1] (hierna: de vreemdeling), [vreemdeling sub 2] en [vreemdeling sub 3] (hierna tezamen aangeduid als: de vreemdelingen) om hun een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen en tevens geweigerd om laatstgenoemde ambtshalve een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 17 maart 2005, verzonden op dezelfde dag, heeft de voorzieningenrechter van de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem (hierna: de voorzieningenrechter), voor zover thans van belang, de daartegen door de vreemdelingen ingestelde beroepen gegrond verklaard, die besluiten vernietigd en bepaald dat de minister nieuwe besluiten op de aanvragen neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 24 maart 2005, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 31 maart 2005 hebben de vreemdelingen een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4:6, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb) is, indien na een geheel of gedeeltelijk afwijzende beschikking een nieuwe aanvraag wordt gedaan, de aanvrager gehouden nieuw gebleken feiten of veranderde omstandigheden te vermelden.
Ingevolge het tweede lid kan het bestuursorgaan de aanvraag zonder toepassing te geven aan artikel 4:5 van de Awb, afwijzen onder verwijzing naar zijn eerdere afwijzende beschikking, wanneer niet zulke feiten of omstandigheden worden vermeld.
Ingevolge artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) wordt een aanvraag om een vergunning, als bedoeld in artikel 28 van die wet, afgewezen, indien de vreemdeling niet aannemelijk heeft gemaakt dat zijn aanvraag is gegrond op omstandigheden die een rechtsgrond voor verlening vormen.
2.2. Zoals de Afdeling eerder heeft overwogen (uitspraak van 5 maart 2002 in zaak no. 200200237/1, AB 2002, 169), moet, ook indien gesteld wordt dat terugzending naar een land schending van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (hierna: het EVRM) oplevert, in de regel worden voldaan aan de in het nationale recht neergelegde procedureregels, waaronder artikel 4:6 van de Awb, die er toe dienen de autoriteiten in staat te stellen aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning op ordelijke wijze af te doen. Slechts onder bijzondere, op de individuele zaak betrekking hebbende, feiten en omstandigheden kan de noodzaak bestaan om deze regels niet onverkort tegen te werpen (uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (hierna: het EHRM) van 19 februari 1998 in de zaak Bahaddar tegen Nederland, JV 1998/45).
2.3. In de eerste grief klaagt de minister dat de voorzieningenrechter heeft miskend dat slechts bijzondere omstandigheden in voormelde zin ertoe kunnen nopen artikel 4:6 van de Awb niet tegen te werpen en zij aldus een onjuist toetsingskader heeft gehanteerd.
De grief slaagt. De voorzieningenrechter heeft, na te hebben overwogen dat de door de vreemdeling overgelegde documenten niet zijn aan te merken als nieuwe feiten, ten onrechte niet onderzocht of sprake is van bijzondere omstandigheden, doch of de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat het beroep van de vreemdeling op artikel 3 EVRM faalt.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. De overige grieven hebben geen zelfstandige betekenis.
2.5. Hetgeen de vreemdelingen in beroep hebben aangevoerd biedt geen grond voor het oordeel dat sprake is van bijzondere omstandigheden als bedoeld in voormelde uitspraak van het EHRM van 19 februari 1998.
2.6. Gelet op het vorenstaande en nu het oordeel van de voorzieningenrechter dat geen sprake is van nieuwe feiten of veranderde omstandigheden door de vreemdelingen niet bestreden is, zal de Afdeling, doende hetgeen de voorzieningenrechter had behoren te doen, het inleidende beroep alsnog ongegrond verklaren.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de voorzieningenrechter van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Arnhem, van 17 maart 2005 in de zaken nos. AWB 05/8641, 05/8646 en 05/8655;
III. verklaart de bij de rechtbank in die zaken ingestelde beroepen ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. R. van der Spoel en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S. Scheerhout, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Scheerhout
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 april 2005
318.