Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de aanspraak op vakantieverlof, in het bijzonder de samenloop met verlof wegens ziekte, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W03.16.0067/II
- Datum advies
- 12 mei 2016
- Vindplaats
- Staatscourant 2016, nr. 39286
- Justitie en Veiligheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de aanspraak op vakantieverlof, in het bijzonder de samenloop met verlof wegens ziekte, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 1 april 2016, no.2016000595, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Veiligheid en Justitie, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit algemene rechtspositie politie in verband met de aanspraak op vakantieverlof, in het bijzonder de samenloop met verlof wegens ziekte, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit wijzigt het Besluit algemene rechtspositie (Barp) en strekt er in het bijzonder toe de regels voor het vakantieverlof van politieambtenaren in lijn te brengen met de door het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) gegeven uitleg van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG van het Europees Parlement en de Raad van 4 november 2003 betreffende een aantal aspecten van de organisatie van de arbeidstijd (richtlijn 2003/88/EG).
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het besluit vast te stellen, maar acht een nadere motivering of aanpassing van het ontwerpbesluit aangewezen, omdat niet duidelijk is waarom daarin geen onderscheid wordt gemaakt tussen de regels voor wettelijke vakantie-uren en bovenwettelijke vakantie-uren.
1. Geen onderscheid tussen wettelijke en bovenwettelijke vakantie-uren
In het ontwerpbesluit wordt bepaald dat een politieambtenaar aanspraak heeft op 172,8 uren vakantie met behoud van bezoldiging per kalenderjaar, welke aanspraak in beginsel vervalt met ingang van het tweede kalenderjaar volgend op het kalenderjaar waarin deze is ontstaan, maar in ieder geval met ingang van het daarop volgende kalenderjaar. (zie noot 1) Uit de toelichting volgt dat het ontwerpbesluit is ingegeven door uitspraken van het Hof op prejudiciële vragen (zie noot 2) over de uitleg van artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG.
Naar aanleiding van de hiervoor bedoelde uitspraken van het Hof zijn eerder Titel 10 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek (BW), het Algemeen Rijksambtenarenreglement (Arar), het Besluit Personenchauffeurs Rijksdienst (BPR) en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken (RDBZ) gewijzigd. (zie noot 3) Bij die wijzigingen is uitdrukkelijk een onderscheid gemaakt tussen wettelijke vakantie-uren enerzijds en bovenwettelijke vakantie-uren anderzijds. Zo gelden daarvoor verschillende vervaltermijnen. (zie noot 4) Volgens de onderscheiden toelichtingen volgt dit onderscheid uit de omstandigheid dat artikel 7 van richtlijn 2003/88/EG en de uitspraken van het Hof daarover alleen de wettelijke vakantie-uren betreffen. De bovenwettelijke vakantie-uren die bij individuele of collectieve arbeidsongeschiktheid zijn afgesproken worden daardoor niet geraakt. Daarvoor kunnen afspraken worden gemaakt die afwijken van de regels voor wettelijke vakantie-uren. (zie noot 5)
In het ontwerpbesluit wordt geen onderscheid gemaakt tussen wettelijke vakantie-uren en bovenwettelijke vakantie-uren. Uit de toelichting kan worden opgemaakt dat dit onderscheid ook niet wordt beoogd. Het ontwerpbesluit wijkt daarmee af van de systematiek over vakantie in het BW, het Arar, het BPR en het RDBZ. De toelichting motiveert niet waarom voor een afwijkende systematiek gekozen is.
De Afdeling adviseert in de toelichting op het vorengaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.
2. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W03.16.0067/II
- Ingevolge artikel I, onder G, van het ontwerpbesluit wordt na artikel 99 van het Barp een artikel 99a ingevoegd. Het Barp bevat reeds een artikel 99a. Voorkom dat het Barp na wijziging tweemaal een artikel 99a bevat.
Nader rapport (reactie op het advies) van 29 juni 2016
Het voorstel heeft de Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) aanleiding gegeven tot het maken van opmerkingen ten aanzien van de motivering van de in het aan haar voorgelegde ontwerpbesluit vervatte keuze om geen onderscheid te maken tussen de regels die worden gesteld voor wettelijke vakantie-uren en voor bovenwettelijke vakantie-uren. De toelichting is op dit punt aangevuld.
Aan de redactionele opmerking van de Afdeling is gevolg gegeven.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Minister van Veiligheid en Justitie
(1) Artikelen C en F van het ontwerpbesluit.
(2) Het arrest van het Hof van 10 januari 2009 in de gevoegde zaken C-350/06 en C-520/06, Schultz-Hof en Stringer, ECLI:EU:C:2009:18, het arrest van het Hof van 10 september 2009 in zaak C-277/08, Pereda, ECLI:EU:C:2009:542, en het arrest van het Hof van 22 november 2011 in zaak C-214/10, KHS-Schulte, ECLI:EU:C:2011:761.
(3) Zie de Wet van 26 mei 2011 inzake het afschaffen van de beperkte opbouw van minimum vakantierechten tijdens ziekte, de invoering van een vervaltermijn voor de minimum vakantiedagen en de aanpassing van enige andere artikelen in de regeling voor vakantie en verlof in Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, Stb. 2011, 318, en het Besluit van 14 december 2015 houdende wijzigingen van het Algemeen Rijksambtenarenreglement, het Besluit Personenchauffeurs Rijksdienst en het Reglement Dienst Buitenlandse Zaken in verband met het aanpassen van de systematiek van de opbouw van vakantie tijdens ziekte en enkele daarmee verband houdende wijzigingen, Stb. 2015, 530.
(4) Voor wettelijke vakantie-uren geldt een vervaltermijn van in beginsel zes maanden (artikelen 640a en 645 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek) onderscheidenlijk één jaar (artikel 23a, eerste lid, Arar en artikel 41aa, eerste lid, RDBZ) na afloop van het kalenderjaar waarin de aanspraak daarop is ontstaan. Voor bovenwettelijke vakantie-uren geldt een vervaltermijn van vijf jaar (artikel 645 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek, artikel 23a, derde lid, Arar en artikel 41aa, derde lid, RDBZ).
(5) Zie de memorie van toelichting bij voormelde Wet van 26 mei 2011, Kamerstukken II 2009/10, 32 465, nr. 3, hoofdstukken 3 en 4, en de nota van toelichting bij voormeld Besluit van 14 december 2015, hoofdstuk 4.