Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Adviezen ›
  3. W04.16.0040/I

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 in verband met het regelen van het toezicht op de borgingsvoorziening en het doorvoeren van een aantal wijzigingen met beperkte beleidsmatige gevolgen, met nota van toelichting.

Kenmerk
W04.16.0040/I
Datum advies
18 april 2016
Vindplaats
Staatscourant 2016, nr. 33454
  • Binnenlandse zaken en Koninkrijksrelaties
  • Algemene maatregel van bestuur

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

Ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 in verband met het regelen van het toezicht op de borgingsvoorziening en het doorvoeren van een aantal wijzigingen met beperkte beleidsmatige gevolgen, met nota van toelichting.

Bij Kabinetsmissive van 3 maart 2016, no.2016000362, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister voor Wonen en Rijksdienst, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit houdende wijziging van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 in verband met het regelen van het toezicht op de borgingsvoorziening en het doorvoeren van een aantal wijzigingen met beperkte beleidsmatige gevolgen, met nota van toelichting.

Het ontwerpbesluit stelt eisen aan de borgingswerkzaamheden van het Waarborgfonds Sociale Woningbouw (WSW) en reguleert het toezicht daarop. Tevens bevat het een aantal andere wijzigingen van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (BTIV 2015).

De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het voorstel aan de Tweede Kamer te zenden, maar acht op onderdelen een dragende motivering of aanpassing van het voorstel aangewezen. Zij adviseert de in het ontwerpbesluit opgenomen geschiktheid- en betrouwbaarheidstoetsen, inlichtingenplicht, goedkeuringsbevoegdheid en toezicht- en handhavingsbevoegdheden in de Woningwet op te nemen.

1. Niveau van regelstelling
Het ontwerpbesluit geeft invulling aan de regulering van het toezicht op de borgingswerkzaamheden van het WSW. De grondslag voor het ontwerpbesluit wordt wat betreft dit onderwerp gevormd door artikel 21f van de Woningwet. (zie noot 1) Dit artikel is in de wet gekomen als gevolg van een amendement van de Kamerleden Van der Linde, Monasch en Verhoeven. (zie noot 2) Dit amendement werd ingediend om, vooruitlopend op nader onderzoek naar de vraag of en hoe een vorm van publiekrechtelijke regulering en toezicht voor het WSW moest worden ingesteld, alvast de mogelijkheid te scheppen nadere voorschriften aan het WSW te kunnen geven.

Het ontwerpbesluit regelt onder meer:
- een zogenoemde ‘actieve’ informatieplicht van het WSW aan de Minister;
- een toets op geschiktheid en betrouwbaarheid voor commissarissen en bestuurders van het WSW;
- een verplichting van het WSW om beleidsregels op te stellen;
- een goedkeuringsbevoegdheid van de Minister ten aanzien van die beleidsregels;
- eisen aan de bedrijfsvoering van het WSW; en
- verschillende toezicht- en handhavingsbevoegdheden voor de Minister, waaronder een aanwijzingsbevoegdheid, een vorm van preventief toezicht voor het geval dat niet aan een aanwijzing wordt voldaan en een bevoegdheid tot ontslag van de raad van commissarissen van het WSW.

De Afdeling merkt op dat bij de verdeling van de elementen van een regeling over de wet en algemeen verbindende voorschriften van lager niveau de wet tenminste de hoofdelementen van de regeling behoort te omvatten. (zie noot 3) Inlichtingenplichten, goedkeuringsbevoegdheden en toezicht- en handhavingsbevoegdheden behoren tot de hoofdelementen van een regeling. In dit kader valt ook op dat de hooflijnen van de toets voor geschiktheid en betrouwbaarheid voor commissarissen en bestuurders van toegelaten instellingen in de Woningwet zijn geregeld, (zie noot 4) terwijl dezelfde toets voor commissarissen en bestuurders van het WSW door het ontwerpbesluit in het BTIV 2015 wordt geregeld. Niet duidelijk is waarom beide niet op gelijk niveau van regelstelling worden geregeld.

Gelet op het bovenstaande is de Afdeling van oordeel dat de genoemde elementen van het ontwerpbesluit op het niveau van de wet moeten worden geregeld. Daartoe zou een voorstel tot wijziging van de Woningwet bij de Tweede Kamer aanhangig moeten worden gemaakt. Zolang dit voorstel niet is aanvaard en in werking is getreden kan de regeling van het ontwerpbesluit gelden.

De Afdeling adviseert de hoofdelementen van de regulering van de borgingswerkzaamheden van het WSW en het toezicht daarop in de Woningwet op te nemen.

2. Criteria voor goedkeuring van beleidsregels
Ingevolge het ontwerpbesluit stelt het bestuur van de borgingsvoorziening beleidsregels (zie noot 5) op met betrekking tot het voorzien in compensatie in de zin van het door toegelaten instellingen kunnen aantrekken van leningen met gebruikmaking van de borgingsvoorziening. (zie noot 6) De beleidsregels van het WSW behoeven de goedkeuring van de minister. Het ontwerpbesluit bevat echter geen criteria op grond waarvan goedkeuring al dan niet kan worden verleend of onthouden.(zie noot 7) De toelichting zet uiteen dat de goedkeuring door de minister zich zal richten op de vraag of de beleidsregels van het WSW niet in strijd zijn met de wettelijke voorschriften voor toegelaten instellingen, ondersteunend zijn aan de ontwikkeling van consistente financiële kaders en normen voor toegelaten instellingen en vanuit het belang van de financiële achtervang bijdragen aan een prudente risicobeheersing.(zie noot 8) De Afdeling acht het noodzakelijk deze criteria in het besluit op te nemen.

De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit aan te passen.

3. Gevolgen van het niet voldoen aan een aanwijzing
Krachtens het ontwerpbesluit kan de minister, indien door het nalaten of handelen van het WSW het vertrouwen in de borgingsvoorziening dreigt te worden geschaad of indien het WSW handelt in strijd met het in het ontwerpbesluit bepaalde, het WSW een aanwijzing geven om een of meer handelingen te verrichten of na te laten. (zie noot 9) De aanwijzing bevat, zo bepaalt het ontwerpbesluit, de gevolgen die de minister verbindt aan het niet voldoen aan die aanwijzing.(zie noot 10)

Het is de Afdeling echter niet duidelijk wat met dit laatste voorschrift wordt beoogd. Het ontwerpbesluit bepaalt immers ook dat de minister, het WSW niet of niet volledig binnen de gestelde termijn voldoet aan een aanwijzing, kan bepalen dat het WSW voor een door hem te bepalen tijdvak door hem aangegeven handelingen slechts mag verrichten na goedkeuring van een of meer door hem aangewezen personen of instanties, dan wel na zijn goedkeuring.(zie noot 11) Gelet op dit voorschrift is het de Afdeling onduidelijk wat de toegevoegde waarde is om te bepalen dat de aanwijzing de gevolgen bevat die de minister verbindt aan het niet voldoen aan die aanwijzing. Over deze gevolgen kan immers, gezien de beperkte mogelijkheden van de Minister, geen onduidelijkheid bestaan. In afwijking van de situatie van artikel 61d Woningwet, waaraan bovengenoemd voorschrift lijkt te zijn ontleend, beschikt de Minister bijvoorbeeld niet over de bevoegdheid om een last onder dwangsom of een bestuurlijke boete op te leggen. (zie noot 12)

De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het voorstel aan te passen.

4. Ontslag van de raad van commissarissen
Ingevolge het ontwerpbesluit kan de minister de voltallige raad van commissarissen van het WSW ontslaan:
a. indien door een doen of nalaten van de raad het WSW in strijd handelt met de bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschriften voor zover deze betrekking hebben op het WSW;
b. in gevallen waarin op grond van de statuten van het WSW hiertoe de bevoegdheid bestaat. (zie noot 13)

De Afdeling merkt op dat uit de toelichting niet blijkt welke gevallen de regering voor ogen heeft met de in onderdeel a opgenomen formulering, waarbij door een doen of nalaten van de raad van commissarissen het WSW in strijd handelt met de bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschriften. Verder is niet duidelijk welke toegevoegde waarde het heeft om in het ontwerpbesluit te bepalen dat de minister een bepaalde bevoegdheid kan uitoefenen in de gevallen waarin op grond van de statuten van het WSW daartoe de bevoegdheid bestaat. Als het noodzakelijk wordt geacht om deze bevoegdheid van de minister in wettelijke voorschriften op te nemen, dienen de omstandigheden waarin deze kan worden toegepast daarin eveneens te worden omschreven.

De Afdeling adviseert, gelet op het bovenstaande, het ontwerpbesluit en de toelichting aan te passen.

5. Mededelingsplicht raad van commissarissen
Het BTIV 2015, zoals dat op dit moment luidt, bepaalt dat de raad van toezicht van een toegelaten instelling de minister schriftelijk op de hoogte stelt van zijn werkzaamheden ter uitoefening van zijn taak:
a. indien naar zijn oordeel of dat van Onze Minister sprake is van door de betrokken toegelaten instelling berokkende schade of mogelijke schade aan het belang van de volkshuisvesting die zij niet binnen een afzienbare termijn kan herstellen respectievelijk voorkomen;
b. indien sprake is van een onoverbrugbaar geschil tussen het bestuur en de raad van toezicht van de toegelaten instelling of tussen de toegelaten instelling en een dochtermaatschappij;
c. indien naar zijn oordeel twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het handelen of nalaten, de governance of de integriteit van beleid en beheer van de toegelaten instelling, en het bestuur die twijfel niet heeft weggenomen, of
d. indien sprake is van liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen in de toegelaten instelling of een dochtermaatschappij van die toegelaten instelling.(zie noot 14)
Het ontwerpbesluit wijzigt dit voorschrift door te bepalen dat de mededelingsplicht enkel bestaat ‘voor zover het bestuur van de toegelaten instelling de minister niet reeds schriftelijk mededeling heeft gedaan omtrent de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende omstandigheden’. (zie noot 15)

De bestaande mededelingsplicht vormt een uitwerking van artikel 31, vierde lid, Woningwet, dat bij amendement in de wet is opgenomen. Met dit amendement werd beoogd een actieve informatieplicht tussen het interne toezicht en het externe toezicht te bewerkstelligen. (zie noot 16) In haar advies over het toenmalige ontwerp-BTIV 2015 heeft de Afdeling gewezen op het feit dat de mededelingsplicht van de raad van toezicht niet past bij de taak en verantwoordelijkheid van de interne toezichthouder binnen de rechtspersoon; "deze kan zijn functioneren ernstig bemoeilijken. De raad van toezicht dient jegens het bestuur op te treden indien het bestuur het belang van de volkshuisvesting niet in acht neemt, twijfel bestaat aan de rechtmatigheid van het handelen of nalaten, de governance of de integriteit van beleid en beheer in het geding is en indien er sprake is van liquiditeits- of solvabiliteitsproblemen. Indien zijn bevoegdheden jegens het bestuur niet toereikend blijken of indien er andere redenen zijn om de externe toezichthouder te betrekken kan de raad van toezicht zich tot de externe toezichthouder wenden. Of en wanneer dit geschiedt, dient echter aan de interne toezichthouder te worden overgelaten en dient niet bij wettelijk voorschrift te worden vastgelegd."(zie noot 17)

De thans voorgestelde aanpassing van de in het BTIV 2015 opgenomen mededelingsplicht laat de eerdere bezwaren van de Afdeling daartegen onverlet. De Afdeling wijst in dit advies op deze bezwaren mede gelet op het feit dat recent een vergelijkbare mededelingsplicht bij amendement uit het voorstel van wet tot Wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen is geschrapt. (zie noot 18) Dit omdat de mededelingsplicht werd geacht niet te passen bij de taak en verantwoordelijkheid van de interne toezichthouder binnen de rechtspersoon en deze diens functioneren zou kunnen bemoeilijken. Gelet op het bovenstaande meent de Afdeling dat, mede uit het oogpunt van consistentie, de in het BTIV 2015 opgenomen mededelingsplicht moet worden heroverwogen.

De Afdeling adviseert het ontwerpbesluit alsmede het BTIV 2015 aan te passen en bij de Tweede Kamer een voorstel aanhangig te maken tot wijziging van artikel 31, vierde lid, Woningwet, dat de wettelijke basis vormt voor de mededelingsplicht.

6. Buiten toepassing laten goedkeuringsprocedure en onderdelen daarvan
Het ontwerpbesluit breidt het aantal niet tot de diensten van algemeen economisch belang (daeb) behorende werkzaamheden van toegelaten instellingen uit waarvoor geen voorafgaande toestemming van de minister nodig is om deze te mogen verrichten. (zie noot 19) Tot de werkzaamheden waarvoor geen voorafgaande toestemming is vereist behoren: (zie noot 20)
- het verhuren van voor permanent verblijf bedoelde woongelegenheden en hun onroerende en infrastructurele aanhorigheden,
- het verhuren van gebouwen die een bedrijfsmatige gebruiksbestemming hebben en hun onroerende en infrastructurele aanhorigheden, alsmede,
- voor zover verband houdende met het vorige punt, het in stand houden van en treffen van voorzieningen aan laatstgenoemde gebouwen, hun onroerende en infrastructurele aanhorigheden, en aan de direct daaraan grenzende omgeving.

Uit de toelichting blijkt niet waarom in het kader van de genoemde werkzaamheden voorafgaande goedkeuring door de minister niet van toegevoegde waarde wordt geacht. Voorts biedt het ontwerpbesluit de mogelijkheid dat de voorwaarden waaraan krachtens de wet moet zijn voldaan voordat de minister goedkeuring geeft aan niet-daeb werkzaamheden van toegelaten instellingen, buiten toepassing worden gelaten. Van die mogelijkheid kan gebruik worden gemaakt indien de minister (zie noot 21) heeft vastgesteld dat, gelet op de aard en omvang van de werkzaamheden, het onaannemelijk is dat anderen dan toegelaten instellingen of samenwerkingsvennootschappen de werkzaamheden wensen te verrichten. (zie noot 22)

De Afdeling merkt op dat de betreffende wettelijke voorwaarden er juist op zien om te beoordelen of andere partijen dan toegelaten instellingen of samenwerkingsvennootschappen zodanige werkzaamheden wensen te verrichten. Gelet daarop is niet duidelijk om wat voor werkzaamheden het hier gaat, waarom de minister in die gevallen kennelijk zonder onderzoek naar de lokale marktomstandigheden in staat is te bepalen dat daarvoor in de markt geen belangstelling bestaat en op basis van welke criteria de minister dit vaststelt.

De Afdeling adviseert, gelet op het bovenstaande, het ontwerpbesluit toereikend te motiveren en, zo nodig, aan te passen.

7. Ontheffing voor verschaffing van vermogen door middel van kwijtschelding
Ingevolge de Woningwet verschaft een toegelaten instelling een met haar verbonden onderneming niet anderszins vermogen dan door middel van het storten van aandelenkapitaal of het aan die onderneming bij haar oprichting verstrekken van een lening. (zie noot 23) Het ontwerpbesluit regelt echter dat de minister ontheffing kan verlenen van dit verbod. Dit kan onder meer indien het verschaffen van vermogen door de toegelaten instelling plaatsvindt door het kwijtschelden van schulden van de met haar verbonden onderneming, indien:
1°. de toegelaten instelling enig aandeelhouder is van de verbonden onderneming;
2°. de verbonden onderneming uitsluitend schulden heeft bij de toegelaten instelling;
3°. de waarde van de activa van de verbonden onderneming nihil is, en
4°. de verbonden onderneming na kwijtschelding van de schulden wordt ontbonden.(zie noot 24)

De Afdeling merkt op dat genoemde voorwaarden waaronder de minister toestemming kan geven voor het kwijtschelden van de schulden van de met de toegelaten instelling verbonden onderneming niet helder zijn. In het bijzonder roept de voorwaarde dat de activa van de verbonden onderneming nihil zijn vragen op. De Afdeling ziet niet goed in onder welke omstandigheden activa van een met een toegelaten instelling verbonden onderneming, zoals woningen, op nul gewaardeerd kunnen worden. Voorts is het de vraag of in deze omstandigheden derden die tegen die waarde activa van de te ontbinden onderneming verwerven geen als staatssteun te kwalificeren voordeel kunnen ontlenen aan de kwijtschelding van de schulden.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan en zo nodig het ontwerpbesluit aan te passen.

8. Verhouding tot het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen
Recent heeft de Afdeling advies uitgebracht over het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen. (zie noot 25) Dit wetsvoorstel beoogt de regeling in het Burgerlijk Wetboek voor bestuur en toezicht bij de verschillende soorten rechtspersonen aan te vullen en te verduidelijken. Het voorstel richt zich daarbij vooral op verbetering van het wettelijke kader voor de vereniging, de coöperatie, de onderlinge waarborgmaatschappij en de stichting. De toelichting bij het ontwerpbesluit gaat niet in op de verhouding tussen de door het ontwerpbesluit gestelde regels over de governance van het WSW en de regeling van het wetsvoorstel. In het bijzonder is niet duidelijk welke regeling vóórgaat en of met het ontwerpbesluit is beoogd om ten opzichte van het wetsvoorstel aanvullende of afwijkende regels te stellen.

De Afdeling adviseert in de toelichting op het bovenstaande in te gaan.

9. De Afdeling verwijst naar de bij dit advies behorende redactionele bijlage.

De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.

De vice-president van de Raad van State


Redactionele bijlage bij het advies van de Afdeling advisering van de Raad van State betreffende no.W04.16.0040/I

- Artikel I, onderdelen B en C omwisselen.
- In artikel I, onderdeel D (artikel 12, eerste lid, sub a en onder 4), ‘in Hoofdstuk IV, paragraaf 4,’ vervangen door: in Hoofdstuk IV, Afdeling 3, paragraaf 4.
- In artikel I, onderdeel F (artikel 18b, tweede lid, onderdeel d (nieuw)) ‘dat met een aan zekerheid grenzende waarschijnlijkheid toereikend is’ vervangen door: dat toereikend wordt geacht.
- In artikel I, onderdeel J, ‘eerste tot en met vierde lid’ schrappen.
- In artikel I, onderdeel K, onderdelen c en d, verletteren tot onderdelen d en e.
- De toelichting bij artikel I, onderdeel Z, is de toelichting bij artikel I, onderdeel Y.


Nader rapport (reactie op het advies) van 20 mei 2016

De Afdeling advisering van de Raad van State (hierna: de Afdeling) acht op onderdelen een dragende motivering of aanpassing van het voorstel aangewezen. Zij adviseert de in het ontwerpbesluit opgenomen geschiktheid- en betrouwbaarheidstoetsen, inlichtingenplicht, goedkeuringsbevoegdheid en toezicht- en handhavingsbevoegdheden in de Woningwet op te nemen.

1. Niveau van regelstelling
Het advies van de Afdeling om de hoofdelementen van de regulering van de borgingswerkzaamheden van het WSW en het toezicht daarop in de Woningwet op te nemen, wordt overgenomen. Daartoe wordt een voorstel tot wijziging van de Woningwet voorbereid. Deze wijzigingen van de Woningwet zullen samen worden geregeld met eventuele wijzigingen van de Woningwet die noodzakelijk zijn in verband met het invoeren van het zogenoemde verticaal toezicht door het WSW en de Autoriteit woningcorporaties. Zoals de Afdeling adviseert kan tot die tijd de regeling van het Besluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 (hierna: BTIV) gelden.

2. Criteria voor goedkeuring van beleidsregels
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling zijn de criteria op grond waarvan goedkeuring al dan niet kan worden verleend in artikel 18b, vierde lid, van het ontwerpbesluit opgenomen. Tevens is in de nota van toelichting verduidelijkt waarom in dit kader is gekozen voor de term beleidsregels.

3. Gevolgen van het niet voldoen aan een aanwijzing
Anders dan de Afdeling lijkt te veronderstellen zijn er wel degelijke meerdere mogelijke gevolgen die de minister kan verbinden aan het niet voldoen aan de aanwijzing. In eerste instantie is er, zoals de Afdeling ook constateert, de mogelijkheid om te bepalen dat het WSW voor een door hem te bepalen tijdvak door hem aangegeven handelingen slechts mag verrichten na goedkeuring van een of meer door hem aangewezen personen of instanties, dan wel na zijn goedkeuring. Dit zal inderdaad in de meeste gevallen het meest voor de hand liggende gevolg zijn dat aan het niet voldoen aan de aanwijzing zal worden verbonden. Daarnaast is er de mogelijkheid om de raad van commissarissen te ontslaan wanneer een aanwijzing aan het WSW niet wordt opgevolgd.
Er zijn immers situaties denkbaar waarbij het niet voldoen aan de aanwijzing dermate ernstig is, dat het vertrouwen in de borgingsvoorziening dusdanig is geschaad, dat de raad van commissarissen niet langer kan aanblijven. Te denken valt bijvoorbeeld aan de situatie waarbij een benoeming van een bestuurder plaatsvindt in strijd met de wettelijk voorgeschreven procedure en waarbij de raad van commissarissen weigert een naar aanleiding daarvan gegeven aanwijzing van de minister op te volgen.
In dat geval zal de minister aan het niet opvolgen van de aanwijzing mogelijk het gevolg willen verbinden van het ontslag van de raad van commissarissen.
Om deze reden is het dan ook wenselijk dat de aanwijzing de gevolgen bevat die de minister verbindt aan het niet voldoen aan die aanwijzing. De nota van toelichting is op dit punt aangevuld.

4. Ontslag van de raad van commissarissen WSW
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is artikel 18f van het ontwerpbesluit in die zin aangepast dat daarin niet langer is bepaald dat de minister de raad van commissarissen kan ontslaan in de gevallen waarin op grond van de statuten van het WSW daartoe de bevoegdheid bestaat nu deze bevoegdheid reeds uit de statuten voortvloeit.
Ten aanzien van de vraag van de Afdeling welke gevallen de regering voor ogen heeft met de in onderdeel a opgenomen formulering, waarbij door een doen of nalaten van de raad van commissarissen het WSW in strijd handelt met de bij of krachtens de Woningwet gegeven voorschriften, wordt gewezen op de hiervoor in paragraaf 3 geschetste situatie waarbij de raad van commissarissen een bestuurder benoemt in strijd met de wettelijk voorgeschreven procedure. De nota van toelichting is op dit punt aangevuld.

5. Mededelingsplicht raad van commissarissen van toegelaten instellingen
Het advies van de Afdeling het ontwerpbesluit alsmede het BTIV 2015 aan te passen en bij de Tweede Kamer een voorstel aanhangig te maken tot wijziging van artikel 31, vierde lid, Woningwet, dat de wettelijke basis vormt voor de mededelingsplicht, is niet overgenomen.
Zoals in het nader rapport naar aanleiding van het advies van de Afdeling over het ontwerpbesluit toegelaten instellingen volkshuisvesting 2015 reeds is vermeld, is met het amendement Ortega-Martijn (zie noot 26) de Woningwet in die zin gewijzigd dat daarin is bepaald dat de raad van toezicht als interne toezichthouder van een toegelaten instelling bij zijn taakuitoefening zowel gericht dient te zijn op het belang van de toegelaten instelling zelf, als het algemene belang van de volkshuisvesting. De interne toezichthouder heeft bij woningcorporaties dus een ruimere rol dan een interne toezichthouder normaalgesproken heeft. De vergelijking die de Afdeling maakt met het voorstel van wet tot wijziging van een aantal onderwijswetten in verband met versterking van de bestuurskracht van onderwijsinstellingen, gaat om die reden niet geheel op.

Met de wijziging van artikel I, onderdeel H, eerste lid, van het ontwerpbesluit wordt de bestaande mededelingsplicht voor de raad van commissarissen ingeperkt door deze slechts aanwezig te achten voor zover het bestuur van de toegelaten instelling de minister niet reeds schriftelijk mededeling heeft gedaan omtrent de aan deze werkzaamheden ten grondslag liggende omstandigheden.
Binnen de toegelaten instelling is het bestuur immers als eerste verantwoordelijk voor het goed functioneren van de rechtspersoon en dient de raad van toezicht het handelen en nalaten van het bestuur te controleren. De nu voorgestelde wijziging benadrukt de verschillende rollen van bestuur en raad van toezicht en brengt de raad van toezicht beter in positie zijn onafhankelijke rol als interne toezichthouder te vervullen. De mededelingsplicht heeft daarmee expliciet het karakter van een klokkenluidersregeling. Met de voorgestelde wijziging is dus aan de eerdere opmerkingen van de Afdeling tegemoet gekomen.

6. Buiten toepassing laten goedkeuringsprocedure en onderdelen daarvan
Naar aanleiding van het advies van de Afdeling is in de nota van toelichting verduidelijkt waarom in het kader van de genoemde werkzaamheden voorafgaande goedkeuring door de minister niet van toegevoegde waarde wordt geacht. Dit was al het geval bij het onderhouden en treffen van voorzieningen aan bestaand niet-DAEB-bezit van de toegelaten instelling; de toegelaten instelling moet eigenstandig zijn bezit kunnen schoonhouden en op waarde kunnen houden. Vanuit dezelfde gedachte is bij deze wijziging het verhuren van bestaand niet-DAEB-bezit opgenomen, net als aankoop van een DAEB-gebouw met maximaal 10% bedrijfsonroerend goed. Als laatste is toegevoegd kleinschalige investeringen waarna de woning als niet-DAEB wordt verhuurd of verkocht; ook dit valt onder het op waarde houden van het eigen bezit. Is er sprake van grootschalige verbouw, dan is de interesse van marktpartijen niet uitgesloten; voor deze gevallen blijft het vereiste van voorafgaande goedkeuring, inclusief markttoets, van kracht.

Naar aanleiding van de opmerking van de Afdeling is voorts artikel I, onderdeel K, (artikel 42, tweede lid, (nieuw)) gewijzigd. Verduidelijkt is dat het, gelet op de aard en de omvang van de werkzaamheden, moet gaan om gevallen waarbij het evident is dat er geen marktpartijen zijn die deze werkzaamheden zullen willen verrichten.
Het is niet mogelijk om een uitputtende opsomming op te nemen van de werkzaamheden waarbij dit het geval zal zijn. Dit zal namelijk afhankelijk zijn van de specifieke omstandigheden van het geval.
Wel is de nota van toelichting aangevuld met voorbeelden van werkzaamheden waarvoor deze uitzondering zou kunnen gelden.

7. Ontheffing voor verschaffing van vermogen door middel van kwijtschelding
De uitbreiding van de mogelijkheid tot het verlenen van ontheffing voor het verschaffen van vermogen aan een verbonden onderneming door een toegelaten instelling is toegevoegd voor de situatie waarin een verbonden onderneming, waarvan 100% van de aandelen in bezit zijn van de toegelaten instelling, een lening heeft uitstaan bij de toegelaten instelling, maar tevens een negatief vermogen heeft en daardoor niet in staat is tot aflossen. Er blijft hierdoor een vordering van de toegelaten instelling op de verbonden onderneming uitstaan. Indien de wens bestaat om de verbonden onderneming te ontbinden, dan zou de toegelaten instelling de lening moeten kunnen afboeken. Alleen in dat geval kan immers ontbinding van de rechtspersoon plaatsvinden. Dit wordt met een wijziging van artikel 12 mogelijk gemaakt. Omdat de toegelaten instelling zowel de eigenaar is van de aandelen als de verstrekker van de leningen, levert kwijtschelding van de schuld door de toegelaten instelling geen bevoorrechting op van marktpartijen. Dit is in de nota van toelichting verduidelijkt.

8. Verhouding tot het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen
De Woningwet bepaalt dat bij algemene maatregel van bestuur voorschriften kunnen worden gegeven omtrent de governance van de borgingsvoorziening, maar voorziet niet in de mogelijkheid om daarbij af te wijken van algemene regels over stichtingen in het Burgerlijk Wetboek. Gelet op het ontwerp van het wetsvoorstel bestuur en toezicht rechtspersonen, dat mede beoogt te voorzien in algemene regels omtrent de governance van stichtingen, is in het kader van de voorbereiding van het ontwerpbesluit bezien of het noodzakelijk is om ten aanzien van de borgingsvoorziening af te wijken van die voorgestelde algemene regels. Dat is niet het geval. Met het ontwerpbesluit is dan ook uitsluitend beoogd om aanvullende regels te stellen ten aanzien van het wetsvoorstel, niet om daarvan af te wijken. Het advies is opgevolgd door in de nota van toelichting op bovenstaande in te gaan.

9. Redactionele bijlage
De redactionele opmerkingen van de Afdeling zijn verwerkt.

10. Overige wijzigingen
Van de gelegenheid is verder gebruikt gemaakt om de volgende wijzigingen in het ontwerpbesluit aan te brengen.

Artikel I, onderdelen E en Y (artikel 13 en artikel 107)
De regels ten aanzien van de categorieën financiële instellingen waarmee toegelaten instellingen financiële transacties kunnen aangaan, zijn aangepast. Het wordt voor toegelaten instellingen mogelijk gemaakt om transacties aan te gaan met banken die zelf geen rating hebben, maar die een 100% dochter zijn van banken die wel aan de ratingvereisten en alle overige aan banken gestelde eisen voldoen, in die gevallen dat de moeder zich aansprakelijk heeft verklaard voor de schulden van de dochter.

Artikel I, onderdelen G en H (artikel 18a, zevende lid, artikel 18b, derde lid en artikel 24, onderdeel g)
In artikel 18a, zevende lid, en 18b, derde lid, wordt invulling gegeven aan de mogelijkheid tot subdelegatie zoals die ontstaat met het inwerking treden van artikel VI, onderdeel A, van de Wet doorstroming huurmarkt. Hiermee wordt het mogelijk om in de toekomst bij ministeriële regeling regels te stellen ten aanzien van de onderwerpen, genoemd in artikel 18a, vierde en vijfde lid (beoordeling geschiktheid en betrouwbaarheid bestuurders en commissarissen WSW), en artikel 18b, tweede lid (eisen aan beleidsregels van het WSW). Daarnaast is ook in artikel 24 voorzien in de mogelijkheid om bij ministeriële regeling gevallen aan te kunnen wijzen waarbij de vestiging van een recht van opstal of vruchtgebruik op een woongelegenheid niet de voorafgaande toestemming van de minister behoeft.

Artikel I, onderdeel M (artikel 41, onderdeel c)
Aan artikel 41 is een uitzondering op de goedkeuringsprocedure toegevoegd in het geval van het terugkopen van een woning waarvoor contractueel een terugkoopplicht voor de toegelaten instelling is bedongen. In deze gevallen staat de goedkeuringsprocedure de verplichting voor de toegelaten instelling in de weg; indien zich een geïnteresseerde marktpartij aandient kan de toegelaten instelling niet meer aan zijn plicht voldoen.

Artikel I, onderdelen T en W (artikel 70 en artikel 82)
De voorschriften met betrekking tot het rentepercentage van de interne startlening van de DAEB-tak aan de niet-DAEB-tak bij een administratieve scheiding en van de startlening van de toegelaten instelling aan de woningvennootschap in het geval van een juridische splitsing, zijn gewijzigd. Het op grond van het BTIV, zoals dat luidde voor deze wijziging, voorgeschreven rentepercentage wordt met deze wijziging voorgeschreven als minimale rentepercentage.

Tot slot zijn in het ontwerpbesluit enkele technische en redactionele wijzigingen aangebracht en is een aantal bepalingen, onder meer naar aanleiding van de bovengenoemde wijzigingen, vernummerd.

Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.

De minister voor Wonen en Rijksdienst


(1) Artikel 21f luidt: Bij algemene maatregel van bestuur kunnen voorschriften worden gegeven omtrent de wijze waarop de borgingsvoorziening in compensatie voorziet en de governance van de borgingsvoorziening, alsmede omtrent toezicht door Onze Minister op de naleving van die voorschriften.
(2) Kamerstukken II 2014/15, 33 966, nr. 33.
(3) Zie ook aanwijzing 22 van de Aanwijzingen voor de Regelgeving.
(4) Artikel 25 en 30 Woningwet.
(5) Het gebruik van de term beleidsregels is hier enigszins verwarrend omdat het hier niet gaat om bij besluit vastgestelde algemene regels, niet zijnde algemeen verbindende voorschriften, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan, zoals beleidsregels in de Awb zijn gedefinieerd.
(6) Artikel 18b (nieuw).
(7) Artikel 10:27 Awb is niet van toepassing omdat het hier niet gaat om ‘de voor de inwerkingtreding van een besluit van een bestuursorgaan vereiste toestemming van een ander bestuursorgaan’.
(8) Toelichting, Algemeen, Paragraaf 2.2.
(9) Artikel 18d, eerste lid (nieuw).
(10) Artikel 18d, tweede lid (nieuw).
(11) Artikel 18e (nieuw).
(12) Artikel 105 Woningwet.
(13) Artikel 18f (nieuw).
(14) Artikel 29 BTIV 2015.
(15) Artikel I, onderdeel H, eerste lid.
(16) Kamerstukken II 2011/12, 32 769, nr. 59.
(17) Kamerstukken II 2014/15, 32 847, nr. 179
(18) Kamerstukken II 2015/16, 34 251, nr. 10.
(19) Artikel I, onderdeel K.
(20) Op grond van artikel 41, onderdeel c, van het ontwerpbesluit.
(21) Op verzoek van de toegelaten instelling.
(22) Artikel I, onderdeel K (artikel 42, tweede lid, (nieuw)).
(23) Artikel 21a Woningwet.
(24) Artikel I, onderdeel D.
(25) Advies over het voorstel van wet tot wijziging van het Burgerlijk Wetboek in verband met de uniformering en de verduidelijking van enkele bepalingen omtrent het bestuur en de raad van commissarissen van rechtspersonen (Wet bestuur en toezicht rechtspersonen), W03.16.0018/II.
(26) Kamerstukken II 2011/12, 32 769, nr. 59.


Gehele tekst ontwerpregeling met toelichting (pdf, 347 kB)


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon