Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regels bij waardeoverdracht, met nota van toelichting.
- Kenmerk
- W12.15.0201/III
- Datum advies
- 26 augustus 2015
- Vindplaats
- Staatscourant 2015, nr. 45181
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regels bij waardeoverdracht, met nota van toelichting.
Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2015, no.2015001134, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Afdeling advisering van de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit tot wijziging van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling in verband met aanpassing van de regels bij waardeoverdracht, met nota van toelichting.
Het ontwerpbesluit wijzigt het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Deze wijziging houdt verband met het bij de behandeling van het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader op 16 oktober 2014 aangenomen amendement over individuele waardeoverdracht. (zie noot 1)
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het ontwerpbesluit vast te stellen, maar acht aanpassing van het overgangsrecht in het ontwerpbesluit aangewezen. Het betreft het volgende.
Met het genoemde amendement is de termijn van zes maanden in artikel 71, derde lid, van de Pensioenwet vervallen waarbinnen een deelnemer een verzoek moet doen tot waardeoverdracht. Het amendement voorziet er tevens in dat nadere eisen en voorwaarden aan waardeoverdracht kunnen worden gesteld bij of krachtens algemene maatregel van bestuur. Het ontwerpbesluit voorziet daar in.
Tot 1 januari 2015 gold dat een verzoek om waardeoverdracht moest worden gedaan binnen zes maanden na de verwerving van pensioenaanspraken bij de nieuwe pensioenuitvoerder. Ingevolge de wetswijziging vervalt deze termijn. Het ontwerpbesluit voorziet onder andere in een regeling die beoogt te voorkomen dat met de wetswijziging voor gevallen van vóór 1 januari 2015 de mogelijkheid tot een verzoek om waardeoverdracht zou herleven (artikel 17a). Die regeling leidt ertoe dat, ingeval de verwerving van pensioenaanspraken bij de nieuwe pensioenuitvoerder vóór 1 januari 2015 heeft plaatsgevonden, de termijn van zes maanden voor een verzoek tot waardeoverdracht blijft gelden. (zie noot 2) In artikel II is voor onder andere dit onderdeel van het ontwerpbesluit voorzien in terugwerkende kracht tot 1 januari 2015.
In gevallen waarin op 1 januari 2015 op grond van de oude wetgeving de termijn van zes maanden nog niet was verstreken, brengt de wetswijziging mee dat geen termijn van zes maanden meer geldt. Het ontwerpbesluit en het daarbij behorende overgangsrecht leiden ertoe dat de oorspronkelijke per 1 januari 2015 lopende termijn weer geldt. Het onderhavige ontwerpbesluit zal op een zodanig tijdstip in werking treden (in ieder geval na 1 juli 2015) dat betrokkenen die ervan uit mochten gaan dat er geen termijn meer gold, niet alsnog een verzoek tot waardeoverdracht kunnen doen. (zie noot 3)
De Afdeling adviseert in verband hiermee in het ontwerpbesluit voor deze situatie in een uitzondering op het voorgestelde overgangsrecht te voorzien.
De Afdeling advisering van de Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De vice-president van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 27 november 2015
Het ontwerpbesluit wijzigt het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling. Deze wijziging houdt verband met het bij de behandeling van het wetsvoorstel aanpassing financieel toetsingskader op 16 oktober 2014 aangenomen amendement over individuele waardeoverdracht. (zie noot 4)
De Afdeling advisering van de Raad van State adviseert het ontwerpbesluit vast te stellen, maar acht aanpassing van het overgangsrecht in het ontwerpbesluit aangewezen. Het betreft het volgende.
Met het genoemde amendement is met ingang van 1januari 2015 de termijn van zes maanden, waarbinnen een deelnemer een verzoek tot waardeoverdracht moet doen, in artikel 71, derde lid, Pensioenwet vervallen.
In gevallen waarin op 1januari 2015 de termijn van zes maanden nog niet was verstreken, brengt de wetswijziging mee dat geen termijn van zes maanden meer geldt. Het ontwerpbesluit en het daarbij behorende overgangsrecht leiden ertoe dat in gevallen waarbij de verwerving van pensioenaanspraken bij de ontvangende pensioenuitvoerder voor 1 januari 2015 is aangevangen, de oorspronkelijke per 1januari 2015 lopende termijn weer geldt. Het onderhavige ontwerpbesluit zal op een zodanig tijdstip in werking treden (in ieder geval na 1 juli 2015) dat betrokkenen die ervan uit mochten gaan dat er geen termijn meer gold, niet alsnog een verzoek tot waardeoverdracht kunnen doen.
Ik merk hierover het volgende op.
Uit navraag bij de organisaties van pensioenuitvoerders zijn geen gevallen gebleken waarop de aangegeven situatie betrekking heeft. Het komt mij Dok niet aannemelijk voor dat iemand wel kennis neemt van het genoemde amendement (en naar aanleiding daarvan besluit het verzoek om waardeoverdracht binnen de termijn van 6 maanden niet te doen), en vervolgens geen kennis neemt van het ontwerpbesluit dat op 13 februari 2015 is voorgehangen (Kamerstukken II 2014/15, 32 043, nr. 252). Daarbij merk ik op dat het ontwerpbesluit ruime aandacht heeft gehad in de Tweede Kamer, de pensioenwereld en de media.
Voorts wijs ik erop dat deelnemers ook bij overschrijding van de termijn een verzoek tot waardeoverdracht kunnen indienen. Er bestaat dan weliswaar geen recht op waardeoverdracht wegens overschrijding van de termijn (en geen plicht voor de pensioenuitvoerder om mee te werken aan waardeoverdracht), maar pensioenuitvoerders zijn dan wel bevoegd tot waardeoverdracht (vrijwillige waardeoverdracht). Pensioenfondsen hanteren bij vrijwillige waardeoverdracht dezelfde rekenregels en termijnen als bij verplichte waardeoverdracht. Bij waardeoverdracht tussen pensioenfondsen, hetgeen per jaar ook het meest voorkomt, heeft dit dus geen gevolgen voor een deelnemer.
Ten slotte zou ook niet duidelijk zijn hoe lang het door de Raad geadviseerde overgangsrecht zou moeten blijven gelden.
Gelet op de bovenstaande redenen acht ik onvoldoende noodzaak aanwezig voor de geadviseerde aanpassing van het overgangsrecht. Ik teken daarbij aan dat ik de betrokken pensioenuitvoerders zal vragen ruimhartig te handelen als de aangegeven situatie zich toch zou voordoen.
Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om de datum van het verslag van een schriftelijk overleg met de Tweede Kamer en het Kamerstuknummer van de vragen en antwoorden naar aanleiding van de voorhangprocedure op te nemen.
Ik moge U hierbij het ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Kamerstukken II 2014/15, 33 972, nr. 51.
(2) Het voorgestelde artikel 17a van het Besluit uitvoering Pensioenwet en Wet verplichte beroepspensioenregeling.
(3) Bij wijze van voorbeeld: stel dat iemand op 1 november 2014 een nieuwe baan heeft aanvaard dan had hij op grond van de toen geldende wetgeving tot 1 mei 2015 de tijd om een verzoek tot waardeoverdracht te doen. Per 1 januari 2015 is de zesmaandstermijn vervallen en was er voor betrokkene geen noodzaak meer om vóór
1 mei 2015 een verzoek te doen. De voorgestelde regeling van artikel 17a, die met terugwerkende kracht tot 1 januari 2015 in werking treedt, brengt mee dat achteraf betrokkene het verzoek wel vóór 1 mei had moeten doen.
(4) Kamerstukken 112014115,33 972, nr. 51.