Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende intrekking van het Besluit luchtkwaliteit.
- Kenmerk
- W08.02.0268/V
- Datum advies
- 7 augustus 2002
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 13 september 2005, nr 177
- Infrastructuur en Waterstaat
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende intrekking van het Besluit luchtkwaliteit.
Bij Kabinetsmissive van 26 juni 2002, no.02.002969, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting houdende intrekking van het Besluit luchtkwaliteit.
Het ontwerpbesluit voorziet in intrekking van het Besluit luchtkwaliteit. Omdat meer dan één vijfde van het aantal leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de wens te kennen heeft gegeven het in het Besluit luchtkwaliteit geregelde onderwerp bij wet te laten regelen, heeft de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer besloten het besluit in te trekken.
Het ontwerpbesluit geeft de Raad van State aanleiding tot de volgende opmerking. Hij adviseert de gemaakte keuze te heroverwegen.
Ingevolge artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer (Wm) wordt in een geval als hier aan de orde een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken.
Een complicerende factor is het feit dat het Besluit luchtkwaliteit regels bevat ter implementatie van de richtlijnen 96/62/EG(zie noot 1) en 99/30/EG.(zie noot 2) Intrekking zonder een voorziening te treffen voor de ontstane lacune zou ertoe kunnen leiden dat de Europese Commissie Nederland in gebreke stelt omdat niet is voldaan aan de implementatieverplichting. Om die reden zal, zo blijkt uit de toelichting, op het moment van intrekking van het huidige besluit een ministeriële regeling van kracht worden.(zie noot 3)
De tijdelijke ministeriële regeling wordt gebaseerd op de artikelen 5.1, eerste lid, en 21.6, zesde lid, Wm. Laatstgenoemd artikel kan alleen worden gebruikt indien sprake is van een zuivere implementatie. Aangezien het Besluit luchtkwaliteit niet uitsluitend beoogde de implementatie te bewerkstelligen, maar ook bepalingen bevat die duidelijkheid en toegankelijkheid in verband met de vele ingrijpende
aanpassingen(zie noot 4) aanbrengen, kan in beginsel geen voorziening bij ministeriële regeling worden getroffen. Dit kan slechts gelden voor de bepalingen die uitsluitend als implementatie kunnen worden aangemerkt.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het instrument van de ministeriële regeling alleen kan worden aangewend voor die bepalingen die uitsluitend strekken ter uitvoering van genoemde richtlijnen. Nu noch in het ontwerpbesluit waar dit de bij het Besluit luchtkwaliteit ingetrokken wettelijke regelingen betreft(zie noot 5), noch in de toelichting blijk is gegeven dat tot een zodanige aanpassing van het Besluit luchtkwaliteit is overgegaan, adviseert de Raad de voorgestelde regeling te heroverwegen.
De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen het ontwerpbesluit en geeft U in overweging niet aldus te besluiten.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 juli 2005
De Raad van State heeft bezwaar tegen het ontwerpbesluit en geeft U in overweging niet aldus te besluiten.
Het advies van de Raad, alsmede gewijzigde beleidsinzichten met betrekking tot de betreffende EG-richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit, hebben mij er toe gebracht U te verzoeken niet tot bekrachtiging van het ontwerpbesluit over te gaan.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U derhalve in overweging geven het hierbij gevoegde ontwerpbesluit overeenkomstig het advies van de Raad van State niet te bekrachtigen en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het ontwerpbesluit en de daarbij behorende nota van toelichting, zoals deze aan de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Richtlijn nr.96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296).
(2) Richtlijn nr.99/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163).
(3) Zie ook Kamerstukken II 2001/02, 27 793, nrs.5, 6 en 7.
(4) Nota van toelichting bij het Besluit luchtkwaliteit, Stb.2001, 269, bladzijden 15 en 41-43 (transponeringstabel) en Kamerstukken II 2000/01, 27 793, nr.4, blz.2.
(5) Ingevolge artikel 31 van het Besluit luchtkwaliteit heeft intrekking plaatsgevonden van de volgende besluiten:
Besluit luchtkwaliteit zwaveldioxide en zwevende deeltjes (zwarte rook);
Besluit luchtkwaliteit stikstofdioxide;
Besluit luchtkwaliteit koolstofmonoxide en lood;
Besluit luchtkwaliteit benzeen.
Het ontwerpbesluit voorziet in intrekking van het Besluit luchtkwaliteit. Omdat meer dan één vijfde van het aantal leden van de Tweede Kamer der Staten-Generaal de wens te kennen heeft gegeven het in het Besluit luchtkwaliteit geregelde onderwerp bij wet te laten regelen, heeft de toenmalige Minister van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer besloten het besluit in te trekken.
Het ontwerpbesluit geeft de Raad van State aanleiding tot de volgende opmerking. Hij adviseert de gemaakte keuze te heroverwegen.
Ingevolge artikel 21.6, vijfde lid, van de Wet milieubeheer (Wm) wordt in een geval als hier aan de orde een daartoe strekkend voorstel van wet zo spoedig mogelijk ingediend en wordt de algemene maatregel van bestuur onverwijld ingetrokken.
Een complicerende factor is het feit dat het Besluit luchtkwaliteit regels bevat ter implementatie van de richtlijnen 96/62/EG(zie noot 1) en 99/30/EG.(zie noot 2) Intrekking zonder een voorziening te treffen voor de ontstane lacune zou ertoe kunnen leiden dat de Europese Commissie Nederland in gebreke stelt omdat niet is voldaan aan de implementatieverplichting. Om die reden zal, zo blijkt uit de toelichting, op het moment van intrekking van het huidige besluit een ministeriële regeling van kracht worden.(zie noot 3)
De tijdelijke ministeriële regeling wordt gebaseerd op de artikelen 5.1, eerste lid, en 21.6, zesde lid, Wm. Laatstgenoemd artikel kan alleen worden gebruikt indien sprake is van een zuivere implementatie. Aangezien het Besluit luchtkwaliteit niet uitsluitend beoogde de implementatie te bewerkstelligen, maar ook bepalingen bevat die duidelijkheid en toegankelijkheid in verband met de vele ingrijpende
aanpassingen(zie noot 4) aanbrengen, kan in beginsel geen voorziening bij ministeriële regeling worden getroffen. Dit kan slechts gelden voor de bepalingen die uitsluitend als implementatie kunnen worden aangemerkt.
Gelet op het vorenstaande is de Raad van oordeel dat het instrument van de ministeriële regeling alleen kan worden aangewend voor die bepalingen die uitsluitend strekken ter uitvoering van genoemde richtlijnen. Nu noch in het ontwerpbesluit waar dit de bij het Besluit luchtkwaliteit ingetrokken wettelijke regelingen betreft(zie noot 5), noch in de toelichting blijk is gegeven dat tot een zodanige aanpassing van het Besluit luchtkwaliteit is overgegaan, adviseert de Raad de voorgestelde regeling te heroverwegen.
De Raad van State heeft mitsdien bezwaar tegen het ontwerpbesluit en geeft U in overweging niet aldus te besluiten.
De waarnemend Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 5 juli 2005
De Raad van State heeft bezwaar tegen het ontwerpbesluit en geeft U in overweging niet aldus te besluiten.
Het advies van de Raad, alsmede gewijzigde beleidsinzichten met betrekking tot de betreffende EG-richtlijnen op het gebied van luchtkwaliteit, hebben mij er toe gebracht U te verzoeken niet tot bekrachtiging van het ontwerpbesluit over te gaan.
Daartoe gemachtigd door de ministerraad moge ik U derhalve in overweging geven het hierbij gevoegde ontwerpbesluit overeenkomstig het advies van de Raad van State niet te bekrachtigen en goed te vinden dat het onderhavige nader rapport tezamen met het advies van de Raad van State en het ontwerpbesluit en de daarbij behorende nota van toelichting, zoals deze aan de Raad van State zijn voorgelegd, openbaar wordt gemaakt.
De Staatssecretaris van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer
(1) Richtlijn nr.96/62/EG van de Raad van de Europese Unie van 27 september 1996 inzake de beoordeling en het beheer van de luchtkwaliteit (PbEG L 296).
(2) Richtlijn nr.99/30/EG van de Raad van de Europese Unie van 22 april 1999, betreffende grenswaarden voor zwaveldioxide, stikstofdioxide en stikstofoxiden, zwevende deeltjes en lood in de lucht (PbEG L 163).
(3) Zie ook Kamerstukken II 2001/02, 27 793, nrs.5, 6 en 7.
(4) Nota van toelichting bij het Besluit luchtkwaliteit, Stb.2001, 269, bladzijden 15 en 41-43 (transponeringstabel) en Kamerstukken II 2000/01, 27 793, nr.4, blz.2.
(5) Ingevolge artikel 31 van het Besluit luchtkwaliteit heeft intrekking plaatsgevonden van de volgende besluiten:
Besluit luchtkwaliteit zwaveldioxide en zwevende deeltjes (zwarte rook);
Besluit luchtkwaliteit stikstofdioxide;
Besluit luchtkwaliteit koolstofmonoxide en lood;
Besluit luchtkwaliteit benzeen.