Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet voorzieningen gehandicapten in verband met het tot stand brengen van de mogelijkheid om met betrekking tot de verstrekking van verantwoorde voorzieningen regels te stellen.
- Kenmerk
- W12.01.0640/IV
- Datum advies
- 21 december 2001
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2001/02, 28 348, A
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Wet
Toon inhoud
Volledige tekst
Voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet voorzieningen gehandicapten in verband met het tot stand brengen van de mogelijkheid om met betrekking tot de verstrekking van verantwoorde voorzieningen regels te stellen.
Bij Kabinetsmissive van 4 december 2001, no.01.005797, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het voorstel van wet met memorie van toelichting houdende wijziging van de Wet voorzieningen gehandicapten in verband met het tot stand brengen van de mogelijkheid om met betrekking tot de verstrekking van verantwoorde voorzieningen regels te stellen.
De Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is een wet die heeft geleid tot een decentraal bestel, waarin de verantwoordelijkheid voor het vaststellen en verlenen van voorzieningen (woon- en vervoersvoorzieningen, en rolstoelen) voor gehandicapten berust bij het gemeentebestuur. Belangenorganisaties pleiten, ter aanpak van gebleken knelpunten, voor wijziging van de Wvg opdat via landelijke normering het gemeentelijk beleid kan worden bijgestuurd. Ook in de Tweede Kamer der Staten-Generaal bleek onvrede over de uitvoering van de Wvg in de gemeenten; de roep om meer sturing vanuit de centrale overheid wordt kamerbreed ondersteund. Het wetsvoorstel geeft gehoor aan de wens om regels te stellen over door het gemeentebestuur aan te bieden voorzieningen. De Raad van State vindt reden voor het maken van een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel, in het bijzonder ten aanzien van de betekenis ervan voor het decentrale karakter van de Wvg. Hij meent dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Decentralisatie
Blijkens de toelichting bij het wetsvoorstel zou het kabinet verkennen op welke wijze de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van burgers bij een beroep op de Wvg bevorderd kunnen worden. Thans wordt voorgesteld om in artikel 3 van de Wvg de mogelijkheid neer te leggen om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot het begrip "verantwoorde voorzieningen". Dit zou tot aanpassing kunnen leiden van gemeentelijke verordeningen(zie noot 1) over de Wvg, aldus de memorie van toelichting.
Met de Wvg heeft de wetgever destijds uitdrukkelijk gekozen voor een decentraal regime, waarin de verantwoordelijkheid is gelegd bij de gemeenten, die "zorg op maat" zouden kunnen en moeten geven. De keuze voor territoriale decentralisatie
impliceert de mogelijkheid dat gemeenten op onderling uiteenlopende wijze inhoudelijk en financieel invulling geven aan de hun gegeven zorgplicht, en verschillen in de wijze waarop zij het door hen te voeren beleid expliciteren en kenbaar maken voor belanghebbenden. Dat kan resulteren in verschillen tussen gemeenten, zowel uit een oogpunt van de voorzieningen waarop belanghebbenden aanspraak kunnen maken, als van de kwaliteit van de uitvoerende organisatie.
Het vraagstuk van de mogelijke verschillen tussen gemeenten is destijds, bij de totstandkoming van de Wvg, onderkend, maar heeft toen niet geleid tot terug-komen op de keuze voor decentralisatie. De Raad herinnert er aan dat hij in zijn - kritische - advies(zie noot 2) over het ontwerp-Wvg onder meer ook op dit punt zijn bezorgdheid heeft uitgesproken.
Thans wordt, met het onderhavige wetsvoorstel, beoogd de mogelijkheid te creëren om - alsnog - een zekere uniformiteit te waarborgen in de uitvoering van de Wvg waar het betreft het kernbegrip "verantwoorde voorzieningen". De memorie van toelichting geeft aan dat de voorgestelde wijziging de bestaande bestuurlijke verhoudingen op het terrein van de Wvg qua hoofdlijnen ongemoeid laat, en dat het specifieke karakter van de Wvg als "decentralisatiewet" blijft gehandhaafd en zal worden gerespecteerd. De toelichting is echter voor het overige wel zeer beknopt, en geeft geen enkel inzicht in de wijze waarop, ter invulling van de criteria doeltreffendheid, doelmatigheid en cliëntgerichtheid van de voorzieningen zoals neergelegd in het (toekomstige) eerste lid van artikel 3 Wvg, van de bevoegdheid tot het stellen van regels gebruik zal worden gemaakt. Ook over de inhoud van het protocol dat, vooruitlopend op de algemene maatregel van bestuur, de gemeentelijke praktijk zal moeten beïnvloeden, bevat de memorie van toelichting geen informatie. Aldus valt niet te beoordelen in hoeverre het decentrale karakter van de Wvg inderdaad, zoals beloofd, niet zal worden aangetast.
Naar het de Raad voorkomt, kan zich in deze een spanning voordoen. Wanneer het decentrale karakter van de Wvg niet wordt aangetast, begrenst dat de ruimte voor de normering van de gemeentelijke praktijk bij algemene maatregel van bestuur. Niet valt uit te sluiten dat deze algemene maatregel van bestuur dan zodanig beperkt zal moeten zijn, dat zij geen oplossing biedt voor de problemen die aanleiding hebben gegeven tot het onderhavige wetsvoorstel. Daartegenover zal kunnen blijken dat een effectieve aanpak van die problemen zodanige centrale regelgeving vereist dat deze wél een wezenlijke inbreuk betekent op het decentrale karakter van de huidige Wvg. Als die situatie zich zou voordoen, mag, naar de Raad meent, een dergelijke inbreuk niet sluipend plaatsvinden, via de band van een algemene maatregel van bestuur, maar behoort zij ten principale aan de orde te komen.
Nu het wetsvoorstel kiest voor het uitgangspunt van handhaving van de Wvg als "decentralisatiewet", adviseert de Raad in het wetsvoorstel zelf, door het opnemen van criteria, de bevoegdheid tot het stellen van regels met betrekking tot de zorgplicht van het gemeentebestuur zodanig te normeren dat geen spanning kan ontstaan met het decentrale karakter van de Wvg. In samenhang daarmee zou de toelichting dienen in te gaan op de genoemde spanning, en de bedoelde normering door voorbeelden kunnen illustreren. Voorts zou de toelichting inzicht behoren te geven in de opvatting van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over dit wetsvoorstel, en zijn gevolgen voor de gemeentelijke praktijk.
2. Financiële effecten
Normering van het begrip "verantwoorde voorzieningen" kan een direct financieel effect hebben. Immers, dergelijke normering kan voor de gemeenten een plicht impliceren om bepaalde voorzieningen ter beschikking te stellen, en voor belanghebbenden een dienovereenkomstige aanspraak doen ontstaan. Wanneer dat het geval is, zal dat de vrijheid van de gemeenten om ten aanzien van de uitvoering van de Wvg financieel een eigen afweging te maken begrenzen. In dit verband verdient de aandacht dat de uitvoering van de Wvg-taak niet wordt gefinancierd uit een doeluitkering, maar uit de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.
De Raad adviseert om de toelichting aan te vullen met een beschouwing over de wijze waarop bij het stellen van regels via de beoogde algemene maatregel van bestuur rekening zal worden gehouden met de financiële effecten van deze centrale regulering voor de gemeentebesturen.
3. Het protocol
Blijkens de toelichting zal vooruitlopend op de totstandkoming van de algemene maatregel van bestuur een protocol tot stand worden gebracht(zie noot 3), in overleg met de vakdepartementen, de VNG, belangenorganisaties en andere deskundigen. Kennelijk wordt met dat protocol beoogd alvast de uitvoering van de Wvg door de gemeentebesturen te beïnvloeden. De toelichting geeft aan dat het protocol de vorm zal krijgen van een beleidsregel.
De Raad wijst erop dat de gedachte om via beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het gebruik te normeren van een bevoegdheid die de wet heeft opgedragen aan de gemeentebesturen afstuit op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Een eventueel protocol zal alleen betekenis kunnen krijgen als beleidsregelgeving indien het gemeentebestuur dat het aangaat het protocol als zodanig aanvaardt. Het college adviseert om de toelichting op dit punt aan te passen.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 19 april 2002
De Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel, waarop hieronder puntsgewijs wordt ingegaan.
1. Decentralisatie
Terecht merkt de Raad van State op dat het voorstel beoogd de bevoegdheid te scheppen om bij algemene maatregel van bestuur een zekere uniformiteit te waarborgen in de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) waar het betreft het kernbegrip "verantwoorde voorzieningen" in de wet. De Raad van State geeft aan dat de memorie van toelichting geen informatie bevat over de inhoud van het bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen protocol, zodat niet kan worden beoordeeld in hoeverre het decentrale karakter van de Wvg qua hoofdlijnen niet zal worden aangetast. Als voorwaarde voor opstelling van het protocol geldt - en dit is als zodanig ook in de memorie van toelichting opgenomen - dat geen wezenlijke inbreuk mag worden gemaakt op het decentrale karakter van de wet. Was dit wel beoogd dan zou een meer principiële wijziging van de Wvg aan de orde zijn. Dat is thans niet het geval. Meer principiële vragen met betrekking tot de Wvg komen aan de orde in een door het kabinet aan de Tweede Kamer toegezegde Bouwstenennotitie, die nog deze regeerperiode aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Deze notitie biedt bouwstenen - in de vorm van varianten - voor een toekomstig beleid voor voorzieningen voor gehandicapten op de terreinen vervoer, zorg en wonen.
Door bij algemene maatregel van bestuur nader invulling te kunnen geven aan het begrip "verantwoorde voorzieningen" wordt beoogd een redelijkheidsnorm te introduceren, waaraan bij toepassing en uitvoering van de Wvg niet kan worden voorbijgegaan. Die redelijkheidsnorm kan worden ontleend aan de - blijkens evaluaties van de wet vele - gevallen waarin gerechtigden op voorzieningen krachtens de wet tevreden zijn over de wijze waarop zij zijn bejegend en over de voorzieningen, die hen zijn toegekend. Daarmee komt een kader tot stand, waaraan alle partijen houvast kunnen ontlenen. Door zodanige normering op te nemen in een algemene maatregel van bestuur wordt beoogd een basis te bieden voor een bredere rechtszekerheid voor de Wvg-gerechtigden, zonder daarmee aan gemeenten voor te schrijven welke voorzieningen onder welke omstandigheden behoren te worden verstrekt of anderszins in te grijpen in het concrete gemeentelijke verstrekkingenbeleid. Wel zal in concrete gevallen de rechter een toetsingscriterium hebben waaraan een aangevochten beslissing van een gemeentebestuur mede kan worden getoetst.
Inmiddels is er samen met de belangenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een protocol opgesteld. Het protocol geeft een nadere invulling aan het begrip verantwoorde voorzieningen. Daarmee is beoogd om zo spoedig mogelijk daadwerkelijk geconstateerde knelpunten op te lossen. Het protocol is een verbreding van de eerder gemaakte afspraken tussen SZW en VNG. Zowel de belangenorganisaties als de VNG hebben ingestemd met het protocol. De VNG heeft aangegeven te zullen bevorderen dat dit protocol door de gemeenten wordt uitgevoerd. Het protocol is separaat aan de Staten-Generaal toegezonden. Met de belangenorganisaties en de VNG is afgesproken dat de toepassing van het protocol gezamenlijk door middel van een monitor wordt gevolgd en geëvalueerd. Het tot stand brengen van een algemene maatregel van bestuur is pas dan aan de orde indien uit de monitoring blijkt dat het protocol niet adequaat wordt nageleefd. In de memorie van toelichting wordt thans nader ingegaan op de door de Raad genoemde spanning tussen dit wetsvoorstel en het decentrale karakter van de Wvg. De Raad adviseert in het wetsvoorstel zelf door het opnemen van criteria, de bevoegdheid tot het stellen van regels met betrekking tot de zorgplicht van de gemeente zodanig te normeren dat geen spanning bestaat met het decentrale karakter van de Wvg. Naar mijn mening is een dergelijke normering niet nodig, enerzijds omdat sluitende criteria nauwelijks precies op voorhand te formuleren zijn, anderzijds omdat het protocol inmiddels aan de Staten-Generaal is toegezonden waardoor de Staten-Generaal bij de behandeling van het wetsvoorstel zelf tot het oordeel kan komen of de door de Raad genoemde spanning het decentrale karakter van de Wvg aantast. Opgemerkt kan ook nog worden dat de vast te stellen algemene maatregel van bestuur ook nog bij de beide kamers der Staten-Generaal zal worden voorgehangen. Voor zover voorstellen het decentrale karakter van de Wvg meer fundamenteel raken komen deze aan de orde in de eerder genoemde bouwstenennotitie. Op basis van die bouwstenen zal het volgende kabinet wellicht keuzen maken.
Geconcludeerd kan worden dat het wetsvoorstel op hoofdlijnen het decentrale karakter van de Wvg intact laat. Zo blijven gemeenten verantwoordelijk voor het voorzieningenpakket en de uitvoering van de wet en de bekostiging blijft via het Gemeentefonds verlopen. Decentralisatie sluit (enige mate van) centrale sturing echter niet uit. Centrale sturing behoeft er niet aan in de weg te staan dat de wet als decentraal wordt aangemerkt.
2. Het protocol
Terecht wijst de Raad er op dat het hanteren van de term "beleidsregel" afstuit op de definitie daarvan in de Algemene wet bestuursrecht. De toelichting bij het wetsvoorstel is dienaangaande dan ook aangepast. Ook op andere onderdelen is de memorie van toelichting naar aanleiding van het advies van de Raad van State aangepast.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wvg.
(2) Advies no.W12.92.0167 van 1 juli 1992.
(3) Zoals toegezegd door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een algemeen overleg met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit de Tweede Kamer van 5 oktober 2001.
De Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) is een wet die heeft geleid tot een decentraal bestel, waarin de verantwoordelijkheid voor het vaststellen en verlenen van voorzieningen (woon- en vervoersvoorzieningen, en rolstoelen) voor gehandicapten berust bij het gemeentebestuur. Belangenorganisaties pleiten, ter aanpak van gebleken knelpunten, voor wijziging van de Wvg opdat via landelijke normering het gemeentelijk beleid kan worden bijgestuurd. Ook in de Tweede Kamer der Staten-Generaal bleek onvrede over de uitvoering van de Wvg in de gemeenten; de roep om meer sturing vanuit de centrale overheid wordt kamerbreed ondersteund. Het wetsvoorstel geeft gehoor aan de wens om regels te stellen over door het gemeentebestuur aan te bieden voorzieningen. De Raad van State vindt reden voor het maken van een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel, in het bijzonder ten aanzien van de betekenis ervan voor het decentrale karakter van de Wvg. Hij meent dat in verband daarmee aanpassing van het voorstel wenselijk is.
1. Decentralisatie
Blijkens de toelichting bij het wetsvoorstel zou het kabinet verkennen op welke wijze de rechtszekerheid en de rechtsgelijkheid van burgers bij een beroep op de Wvg bevorderd kunnen worden. Thans wordt voorgesteld om in artikel 3 van de Wvg de mogelijkheid neer te leggen om bij algemene maatregel van bestuur regels te stellen met betrekking tot het begrip "verantwoorde voorzieningen". Dit zou tot aanpassing kunnen leiden van gemeentelijke verordeningen(zie noot 1) over de Wvg, aldus de memorie van toelichting.
Met de Wvg heeft de wetgever destijds uitdrukkelijk gekozen voor een decentraal regime, waarin de verantwoordelijkheid is gelegd bij de gemeenten, die "zorg op maat" zouden kunnen en moeten geven. De keuze voor territoriale decentralisatie
impliceert de mogelijkheid dat gemeenten op onderling uiteenlopende wijze inhoudelijk en financieel invulling geven aan de hun gegeven zorgplicht, en verschillen in de wijze waarop zij het door hen te voeren beleid expliciteren en kenbaar maken voor belanghebbenden. Dat kan resulteren in verschillen tussen gemeenten, zowel uit een oogpunt van de voorzieningen waarop belanghebbenden aanspraak kunnen maken, als van de kwaliteit van de uitvoerende organisatie.
Het vraagstuk van de mogelijke verschillen tussen gemeenten is destijds, bij de totstandkoming van de Wvg, onderkend, maar heeft toen niet geleid tot terug-komen op de keuze voor decentralisatie. De Raad herinnert er aan dat hij in zijn - kritische - advies(zie noot 2) over het ontwerp-Wvg onder meer ook op dit punt zijn bezorgdheid heeft uitgesproken.
Thans wordt, met het onderhavige wetsvoorstel, beoogd de mogelijkheid te creëren om - alsnog - een zekere uniformiteit te waarborgen in de uitvoering van de Wvg waar het betreft het kernbegrip "verantwoorde voorzieningen". De memorie van toelichting geeft aan dat de voorgestelde wijziging de bestaande bestuurlijke verhoudingen op het terrein van de Wvg qua hoofdlijnen ongemoeid laat, en dat het specifieke karakter van de Wvg als "decentralisatiewet" blijft gehandhaafd en zal worden gerespecteerd. De toelichting is echter voor het overige wel zeer beknopt, en geeft geen enkel inzicht in de wijze waarop, ter invulling van de criteria doeltreffendheid, doelmatigheid en cliëntgerichtheid van de voorzieningen zoals neergelegd in het (toekomstige) eerste lid van artikel 3 Wvg, van de bevoegdheid tot het stellen van regels gebruik zal worden gemaakt. Ook over de inhoud van het protocol dat, vooruitlopend op de algemene maatregel van bestuur, de gemeentelijke praktijk zal moeten beïnvloeden, bevat de memorie van toelichting geen informatie. Aldus valt niet te beoordelen in hoeverre het decentrale karakter van de Wvg inderdaad, zoals beloofd, niet zal worden aangetast.
Naar het de Raad voorkomt, kan zich in deze een spanning voordoen. Wanneer het decentrale karakter van de Wvg niet wordt aangetast, begrenst dat de ruimte voor de normering van de gemeentelijke praktijk bij algemene maatregel van bestuur. Niet valt uit te sluiten dat deze algemene maatregel van bestuur dan zodanig beperkt zal moeten zijn, dat zij geen oplossing biedt voor de problemen die aanleiding hebben gegeven tot het onderhavige wetsvoorstel. Daartegenover zal kunnen blijken dat een effectieve aanpak van die problemen zodanige centrale regelgeving vereist dat deze wél een wezenlijke inbreuk betekent op het decentrale karakter van de huidige Wvg. Als die situatie zich zou voordoen, mag, naar de Raad meent, een dergelijke inbreuk niet sluipend plaatsvinden, via de band van een algemene maatregel van bestuur, maar behoort zij ten principale aan de orde te komen.
Nu het wetsvoorstel kiest voor het uitgangspunt van handhaving van de Wvg als "decentralisatiewet", adviseert de Raad in het wetsvoorstel zelf, door het opnemen van criteria, de bevoegdheid tot het stellen van regels met betrekking tot de zorgplicht van het gemeentebestuur zodanig te normeren dat geen spanning kan ontstaan met het decentrale karakter van de Wvg. In samenhang daarmee zou de toelichting dienen in te gaan op de genoemde spanning, en de bedoelde normering door voorbeelden kunnen illustreren. Voorts zou de toelichting inzicht behoren te geven in de opvatting van de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) over dit wetsvoorstel, en zijn gevolgen voor de gemeentelijke praktijk.
2. Financiële effecten
Normering van het begrip "verantwoorde voorzieningen" kan een direct financieel effect hebben. Immers, dergelijke normering kan voor de gemeenten een plicht impliceren om bepaalde voorzieningen ter beschikking te stellen, en voor belanghebbenden een dienovereenkomstige aanspraak doen ontstaan. Wanneer dat het geval is, zal dat de vrijheid van de gemeenten om ten aanzien van de uitvoering van de Wvg financieel een eigen afweging te maken begrenzen. In dit verband verdient de aandacht dat de uitvoering van de Wvg-taak niet wordt gefinancierd uit een doeluitkering, maar uit de algemene uitkering uit het Gemeentefonds.
De Raad adviseert om de toelichting aan te vullen met een beschouwing over de wijze waarop bij het stellen van regels via de beoogde algemene maatregel van bestuur rekening zal worden gehouden met de financiële effecten van deze centrale regulering voor de gemeentebesturen.
3. Het protocol
Blijkens de toelichting zal vooruitlopend op de totstandkoming van de algemene maatregel van bestuur een protocol tot stand worden gebracht(zie noot 3), in overleg met de vakdepartementen, de VNG, belangenorganisaties en andere deskundigen. Kennelijk wordt met dat protocol beoogd alvast de uitvoering van de Wvg door de gemeentebesturen te beïnvloeden. De toelichting geeft aan dat het protocol de vorm zal krijgen van een beleidsregel.
De Raad wijst erop dat de gedachte om via beleidsregels van de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid het gebruik te normeren van een bevoegdheid die de wet heeft opgedragen aan de gemeentebesturen afstuit op artikel 4:81 van de Algemene wet bestuursrecht. Een eventueel protocol zal alleen betekenis kunnen krijgen als beleidsregelgeving indien het gemeentebestuur dat het aangaat het protocol als zodanig aanvaardt. Het college adviseert om de toelichting op dit punt aan te passen.
De Raad van State geeft U in overweging het voorstel van wet te zenden aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Nader rapport (reactie op het advies) van 19 april 2002
De Raad van State heeft een aantal opmerkingen bij het wetsvoorstel, waarop hieronder puntsgewijs wordt ingegaan.
1. Decentralisatie
Terecht merkt de Raad van State op dat het voorstel beoogd de bevoegdheid te scheppen om bij algemene maatregel van bestuur een zekere uniformiteit te waarborgen in de uitvoering van de Wet voorzieningen gehandicapten (Wvg) waar het betreft het kernbegrip "verantwoorde voorzieningen" in de wet. De Raad van State geeft aan dat de memorie van toelichting geen informatie bevat over de inhoud van het bij algemene maatregel van bestuur vast te stellen protocol, zodat niet kan worden beoordeeld in hoeverre het decentrale karakter van de Wvg qua hoofdlijnen niet zal worden aangetast. Als voorwaarde voor opstelling van het protocol geldt - en dit is als zodanig ook in de memorie van toelichting opgenomen - dat geen wezenlijke inbreuk mag worden gemaakt op het decentrale karakter van de wet. Was dit wel beoogd dan zou een meer principiële wijziging van de Wvg aan de orde zijn. Dat is thans niet het geval. Meer principiële vragen met betrekking tot de Wvg komen aan de orde in een door het kabinet aan de Tweede Kamer toegezegde Bouwstenennotitie, die nog deze regeerperiode aan de Tweede Kamer zal worden aangeboden. Deze notitie biedt bouwstenen - in de vorm van varianten - voor een toekomstig beleid voor voorzieningen voor gehandicapten op de terreinen vervoer, zorg en wonen.
Door bij algemene maatregel van bestuur nader invulling te kunnen geven aan het begrip "verantwoorde voorzieningen" wordt beoogd een redelijkheidsnorm te introduceren, waaraan bij toepassing en uitvoering van de Wvg niet kan worden voorbijgegaan. Die redelijkheidsnorm kan worden ontleend aan de - blijkens evaluaties van de wet vele - gevallen waarin gerechtigden op voorzieningen krachtens de wet tevreden zijn over de wijze waarop zij zijn bejegend en over de voorzieningen, die hen zijn toegekend. Daarmee komt een kader tot stand, waaraan alle partijen houvast kunnen ontlenen. Door zodanige normering op te nemen in een algemene maatregel van bestuur wordt beoogd een basis te bieden voor een bredere rechtszekerheid voor de Wvg-gerechtigden, zonder daarmee aan gemeenten voor te schrijven welke voorzieningen onder welke omstandigheden behoren te worden verstrekt of anderszins in te grijpen in het concrete gemeentelijke verstrekkingenbeleid. Wel zal in concrete gevallen de rechter een toetsingscriterium hebben waaraan een aangevochten beslissing van een gemeentebestuur mede kan worden getoetst.
Inmiddels is er samen met de belangenorganisaties en de Vereniging van Nederlandse Gemeenten (VNG) een protocol opgesteld. Het protocol geeft een nadere invulling aan het begrip verantwoorde voorzieningen. Daarmee is beoogd om zo spoedig mogelijk daadwerkelijk geconstateerde knelpunten op te lossen. Het protocol is een verbreding van de eerder gemaakte afspraken tussen SZW en VNG. Zowel de belangenorganisaties als de VNG hebben ingestemd met het protocol. De VNG heeft aangegeven te zullen bevorderen dat dit protocol door de gemeenten wordt uitgevoerd. Het protocol is separaat aan de Staten-Generaal toegezonden. Met de belangenorganisaties en de VNG is afgesproken dat de toepassing van het protocol gezamenlijk door middel van een monitor wordt gevolgd en geëvalueerd. Het tot stand brengen van een algemene maatregel van bestuur is pas dan aan de orde indien uit de monitoring blijkt dat het protocol niet adequaat wordt nageleefd. In de memorie van toelichting wordt thans nader ingegaan op de door de Raad genoemde spanning tussen dit wetsvoorstel en het decentrale karakter van de Wvg. De Raad adviseert in het wetsvoorstel zelf door het opnemen van criteria, de bevoegdheid tot het stellen van regels met betrekking tot de zorgplicht van de gemeente zodanig te normeren dat geen spanning bestaat met het decentrale karakter van de Wvg. Naar mijn mening is een dergelijke normering niet nodig, enerzijds omdat sluitende criteria nauwelijks precies op voorhand te formuleren zijn, anderzijds omdat het protocol inmiddels aan de Staten-Generaal is toegezonden waardoor de Staten-Generaal bij de behandeling van het wetsvoorstel zelf tot het oordeel kan komen of de door de Raad genoemde spanning het decentrale karakter van de Wvg aantast. Opgemerkt kan ook nog worden dat de vast te stellen algemene maatregel van bestuur ook nog bij de beide kamers der Staten-Generaal zal worden voorgehangen. Voor zover voorstellen het decentrale karakter van de Wvg meer fundamenteel raken komen deze aan de orde in de eerder genoemde bouwstenennotitie. Op basis van die bouwstenen zal het volgende kabinet wellicht keuzen maken.
Geconcludeerd kan worden dat het wetsvoorstel op hoofdlijnen het decentrale karakter van de Wvg intact laat. Zo blijven gemeenten verantwoordelijk voor het voorzieningenpakket en de uitvoering van de wet en de bekostiging blijft via het Gemeentefonds verlopen. Decentralisatie sluit (enige mate van) centrale sturing echter niet uit. Centrale sturing behoeft er niet aan in de weg te staan dat de wet als decentraal wordt aangemerkt.
2. Het protocol
Terecht wijst de Raad er op dat het hanteren van de term "beleidsregel" afstuit op de definitie daarvan in de Algemene wet bestuursrecht. De toelichting bij het wetsvoorstel is dienaangaande dan ook aangepast. Ook op andere onderdelen is de memorie van toelichting naar aanleiding van het advies van de Raad van State aangepast.
Ik moge U verzoeken het hierbij gevoegde voorstel van wet en de gewijzigde memorie van toelichting aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal te zenden.
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Als bedoeld in artikel 2, eerste lid, Wvg.
(2) Advies no.W12.92.0167 van 1 juli 1992.
(3) Zoals toegezegd door de Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid in een algemeen overleg met de vaste commissie voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid uit de Tweede Kamer van 5 oktober 2001.