Europees Verdrag inzake de wettelijke bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn; Straatsburg, 24 januari 2001 (Trb.2001, 138), met toelichtende nota.
- Kenmerk
- W05.02.0244/II/K
- Datum advies
- 5 september 2002
- Vindplaats
- Kamerstukken II 2003/04, 29 236 (R 1743), B
- Onderwijs, Cultuur en Wetenschap
- Verdrag
Toon inhoud
Volledige tekst
Europees Verdrag inzake de wettelijke bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn; Straatsburg, 24 januari 2001 (Trb.2001, 138), met toelichtende nota.
Bij Kabinetsmissive van 13 juni 2002, no.02.002707, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Minister van Buitenlandse Zaken, mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, F. van der Ploeg, bij de Raad van State van het Koninkrijk ter overweging aanhangig gemaakt het Europees Verdrag inzake de wettelijke bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn; Straatsburg, 24 januari 2001 (Trb.2001, 138), met toelichtende nota.
Met het Europees Verdrag inzake de wettelijke bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn; Straatsburg, 24 januari 2001 (Trb.2001, 138) (hierna: het Verdrag) wordt in het belang van producenten en (betalende) consumenten beoogd, te betalen televisie- en radioprogramma's en aanverwante omroep- en on-line diensten te beschermen door activiteiten die met onbetaald gebruik samenhangen als illegaal te bestempelen. Tevens dient het Verdrag als een instrument om de regelingen van de verdragslanden te uniformeren. Nederland heeft de ingevolge het Verdrag in de strafrechtelijke sfeer te nemen maatregelen al getroffen.(zie noot 1)
Artikel 4 van het Verdrag verzet zich tegen uiteenlopende handelingen aangaande een illegale uitrusting, en wel tegen het vervaardigen, produceren, importeren, distribueren, verkopen, verhuren, in bezit hebben, installeren, onderhouden, vervangen, promoten, marketingactiviteiten verrichten en adverteren. Artikel 4 verzet zich echter alleen tegen die activiteiten indien deze plaatsvinden voor commerciële doeleinden. Over een uitbreiding van de verboden naar gedragingen in de privé-sfeer kon geen overeenstemming worden bereikt. Wel bevat het slot van artikel 4 een opt-in-clausule die het de verdragspartijen mogelijk maakt om ook andere activiteiten in het verlengde van dit artikel onwettig te verklaren. Nederland heeft zich op het punt van uitbreiding van de verbodsbepalingen naar de privé-sfeer terughoudend opgesteld.
Het nationale (straf)recht verbiedt niet alleen handelingen voor commerciële doeleinden, maar verbiedt ook het privé gebruiken, het zowel commercieel als niet-commercieel openlijk ter verspreiding aanbieden, en het voorhanden hebben ter verspreiding of ter importering in Nederland van een illegale uitrusting.(zie noot 2)
De Raad van State van het Koninkrijk beveelt aan in de toelichtende nota in te gaan op de vraag welke de Nederlandse ervaring is met betrekking tot het bestrijden van niet-commerciële activiteiten, alsmede op de vraag waarom de hiervoor bedoelde ruime Nederlandse strafrechtelijke benadering niet heeft geleid tot het voorstaan van Nederlandse zijde van het tegengaan in het Verdrag van niet-commerciële activiteiten, uitgezonderd het enkele niet-commerciële bezit.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk
Nader rapport (reactie op het advies) van 15 september 2003
Aan de opmerkingen van de Raad van State van het Koninkrijk is gevolg gegeven.
Ik moge U mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verzoeken mij te machtigen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en van Aruba.
De Minister van Buitenlandse Zaken
(1) Zie vooral artikel 326c van het Wetboek van Strafrecht.
(2) Wetboek van Strafrecht, artikel 326c.
Met het Europees Verdrag inzake de wettelijke bescherming van diensten die op voorwaarden toegankelijk zijn; Straatsburg, 24 januari 2001 (Trb.2001, 138) (hierna: het Verdrag) wordt in het belang van producenten en (betalende) consumenten beoogd, te betalen televisie- en radioprogramma's en aanverwante omroep- en on-line diensten te beschermen door activiteiten die met onbetaald gebruik samenhangen als illegaal te bestempelen. Tevens dient het Verdrag als een instrument om de regelingen van de verdragslanden te uniformeren. Nederland heeft de ingevolge het Verdrag in de strafrechtelijke sfeer te nemen maatregelen al getroffen.(zie noot 1)
Artikel 4 van het Verdrag verzet zich tegen uiteenlopende handelingen aangaande een illegale uitrusting, en wel tegen het vervaardigen, produceren, importeren, distribueren, verkopen, verhuren, in bezit hebben, installeren, onderhouden, vervangen, promoten, marketingactiviteiten verrichten en adverteren. Artikel 4 verzet zich echter alleen tegen die activiteiten indien deze plaatsvinden voor commerciële doeleinden. Over een uitbreiding van de verboden naar gedragingen in de privé-sfeer kon geen overeenstemming worden bereikt. Wel bevat het slot van artikel 4 een opt-in-clausule die het de verdragspartijen mogelijk maakt om ook andere activiteiten in het verlengde van dit artikel onwettig te verklaren. Nederland heeft zich op het punt van uitbreiding van de verbodsbepalingen naar de privé-sfeer terughoudend opgesteld.
Het nationale (straf)recht verbiedt niet alleen handelingen voor commerciële doeleinden, maar verbiedt ook het privé gebruiken, het zowel commercieel als niet-commercieel openlijk ter verspreiding aanbieden, en het voorhanden hebben ter verspreiding of ter importering in Nederland van een illegale uitrusting.(zie noot 2)
De Raad van State van het Koninkrijk beveelt aan in de toelichtende nota in te gaan op de vraag welke de Nederlandse ervaring is met betrekking tot het bestrijden van niet-commerciële activiteiten, alsmede op de vraag waarom de hiervoor bedoelde ruime Nederlandse strafrechtelijke benadering niet heeft geleid tot het voorstaan van Nederlandse zijde van het tegengaan in het Verdrag van niet-commerciële activiteiten, uitgezonderd het enkele niet-commerciële bezit.
De Raad van State van het Koninkrijk geeft U in overweging goed te vinden dat bedoeld Verdrag wordt overgelegd aan de beide Kamers der Staten-Generaal, aan de Staten van de Nederlandse Antillen en aan die van Aruba, nadat aan het vorenstaande aandacht zal zijn geschonken.
De Vice-President van de Raad van State van het Koninkrijk
Nader rapport (reactie op het advies) van 15 september 2003
Aan de opmerkingen van de Raad van State van het Koninkrijk is gevolg gegeven.
Ik moge U mede namens de Staatssecretaris van Onderwijs, Cultuur en Wetenschappen, verzoeken mij te machtigen het verdrag vergezeld van de gewijzigde toelichtende nota ter stilzwijgende goedkeuring over te leggen aan de Eerste en aan de Tweede Kamer der Staten-Generaal en tevens over te leggen aan de Staten van de Nederlandse Antillen en van Aruba.
De Minister van Buitenlandse Zaken
(1) Zie vooral artikel 326c van het Wetboek van Strafrecht.
(2) Wetboek van Strafrecht, artikel 326c.