Uitspraak 200603951/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:AY9598
- Datum uitspraak
- 26 september 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 18 november 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Vreemdelingenkamer - Overige
Toon inhoud
200603951/1
Datum uitspraak: 26 september 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[vreemdeling],
appellante,
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/37968 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, van 25 april 2006 in het geding tussen:
appellante
en
de Minister van Buitenlandse Zaken.
1. Procesverloop
Bij besluit van 18 november 2004 heeft de Minister van Buitenlandse Zaken (hierna: de minister) een aanvraag van appellante om haar een machtiging tot voorlopig verblijf (hierna: mvv) te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 25 juli 2005 heeft de minister het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 25 april 2006, verzonden op 28 april 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Rotterdam, (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 25 mei 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 12 juni 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In grief 1 klaagt appellante dat de rechtbank, door het bij haar bestreden besluit aan artikel 3.13 van het Vreemdelingenbesluit 2000 te toetsen, heeft miskend dat op haar aanvraag artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) van toepassing is.
2.1.1. Volgens paragraaf C1/4.6.1 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000), voor zover thans van belang, kan een verblijfsvergunning asiel op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000 worden verleend aan de echtgenoot of echtgenote of minderjarig kind van de vreemdeling die een verblijfstitel heeft verkregen op basis van een van de gronden a tot en met d van artikel 29, eerste lid, Vw 2000.
Vereist daarvoor is volgens die passage dat de hier bedoelde gezinsleden dezelfde nationaliteit hebben als de houder van de verblijfsvergunning asiel, feitelijk tot zijn gezin behoren en gelijktijdig met hem zijn ingereisd, dan wel hem binnen drie maanden, nadat deze zijn verblijfsvergunning heeft verkregen, zijn nagereisd.
De driemaandentermijn gaat volgens die passage in wanneer de desbetreffende verblijfsvergunning op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a tot en met d, van de Vw 2000 wordt verleend. Indien de houder van de verblijfsvergunning asiel in Nederland bij de Visadienst binnen die termijn een verzoek om advies heeft ingediend, dan wel indien de gezinsleden binnen die termijn in het buitenland een mvv aanvragen, wordt dit gezien als een tijdig ingediende aanvraag, aldus die passage.
Volgens paragraaf C5/23.2.1, voor zover thans van belang, wordt, indien de gezinsleden zich nog in het buitenland bevinden, hun geadviseerd in het buitenland een mvv aan te vragen. Die aanvraag wordt aangemerkt als het begin van nareizen in de zin van artikel 29, eerste lid, onder e en f, Vw 2000. De mvv wordt bij de Nederlandse diplomatieke of consulaire vertegenwoordiging in het buitenland aangevraagd, aldus die passage.
2.1.2. Uit het voorgaande valt af te leiden dat een mvv volgens de minister kan worden verleend met het oog op toelating op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000. Een aanvraag daartoe dient dan ook onderzocht te worden aan de hand van die bepaling. De rechtbank had te onderzoeken of dat rechtens juist was gebeurd. Zij heeft dat niet gedaan.
De grief kan evenwel niet leiden tot het daarmee beoogde doel. Daartoe wordt als volgt overwogen.
2.1.3. Volgens paragraaf C1/4.6.2 van de Vc 2000, voor zover thans van belang, dienen de gezinsleden, om voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw 2000, in aanmerking te kunnen komen, feitelijk te behoren tot het gezin van de degene, bij wie verblijf in Nederland wordt beoogd. De gezinsband moet reeds in het buitenland hebben bestaan.
Volgens paragraaf C1/4.6.3, voor zover thans van belang, dienen, om de identiteit van de gezinsleden en hun familierechtelijke relatie met de hoofdpersoon vast te kunnen stellen, in beginsel originele documenten te worden overgelegd.
Is het ontbreken van documenten niet toe te rekenen aan de betrokken vreemdelingen, dan dienen de identiteit en de familierelatie op andere wijze aannemelijk te worden gemaakt. Het algemene uitgangspunt hierbij is dat de bewijslast primair bij de betrokken vreemdelingen ligt, aldus die passage.
Indien evenwel sprake is van bewijsnood voor betrokken vreemdelingen, omdat documenten ontbreken en zulks betrokkene(n) niet aan te rekenen is, of omdat de overgelegde documenten geen uitsluitsel bieden, worden betrokkenen door de Immigratie- en Naturalisatiedienst gewezen op de mogelijkheid van DNA-onderzoek, aldus die passage.
2.1.4. Uit het DNA-onderzoek is gebleken dat appellante niet de biologische dochter is van degene, voor verblijf bij wie zij toegelaten wil worden (hierna: de referent). Voorts heeft de minister de verklaringen die de referent omtrent de gezinsband met appellante heeft afgelegd, niet consistent en daarom zonder nadere toelichting onvoldoende mogen achten om voor waar te houden. Verder behoefden ook de overgelegde schoolrapporten en foto's de minister niet te leiden tot het oordeel dat de gestelde gezinsband tussen appellante en de referent daarmee is aangetoond.
Onder deze omstandigheden heeft de minister de gestelde familierelatie tussen appellante en de referent niet door hen aannemelijk gemaakt mogen achten en zich op het standpunt mogen stellen dat appellante niet voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd op de voet van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder e van de Vw 2000 en derhalve verlening van de gevraagde mvv met het oog daarop in aanmerking komt. Aldus heeft de rechtbank het beroep van appellante terecht, zij het niet op juiste gronden, ongegrond verklaard.
Grief 1 treft geen doel.
2.2. Hetgeen voor het overige is aangevoerd en aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vw 2000 voldoet, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. H.G. Lubberdink en mr. M.A.A. Mondt-Schouten, Leden, in tegenwoordigheid van mr. A.A. Snijders, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Snijders
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 26 september 2006
279