Uitspraak 200604306/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2006:BA3635
- Datum uitspraak
- 20 november 2006
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 maart 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een vergunning tot verblijf te verlenen buiten behandeling gesteld.
- Hoger beroep
- Regulier
Toon inhoud
200604306/1.
Datum uitspraak: 20 november 2006
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
tegen de uitspraak in zaak no. AWB 05/47002 van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch, van 16 mei 2006 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 1 maart 2001 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) een aanvraag van appellant om hem een vergunning tot verblijf te verlenen buiten behandeling gesteld.
Bij besluit van 5 november 2001 heeft de staatssecretaris het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij besluit van 15 januari 2003 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) dit besluit ingetrokken, het bezwaar van appellant gegrond verklaard en de aanvraag alsnog in behandeling genomen. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 16 april 2004 heeft de minister de aanvraag afgewezen. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 13 oktober 2005 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 16 mei 2006, verzonden op 17 mei 2006, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 12 juni 2006, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 26 juni 2006 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. De Afdeling overweegt ambtshalve als volgt.
2.1.1. Zoals de Afdeling in haar uitspraak van 22 juli 2005 in zaak no. 200503814/1 (AB 2005, 379) onder verwijzing naar haar uitspraak van 6 juni 1995 in zaak no. H01.94.0015 (AB 1995, 416) heeft overwogen, vloeit uit het karakter van de bezwaarschriftenprocedure voort dat, indien het bestuursorgaan na heroverweging van oordeel is dat het desbetreffend besluit niet in stand kan blijven, het niet kan volstaan met gegrondverklaring van het bezwaarschrift, doch voor het onjuist bevonden besluit een nieuw besluit in de plaats dient te stellen.
In het geval een aanvraag uitsluitend buiten behandeling is gesteld omdat niet is voldaan aan de procedurele vereisten voor het indienen hiervan en het daartegen gemaakte bezwaar gegrond is, dient de daarop volgende beslissing op die aanvraag, die niet samenhangt met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen het niet in behandeling nemen ervan, evenwel te worden aangemerkt als primair besluit.
2.1.2. Bij besluit van 1 maart 2001 is de aanvraag van appellant om hem een vergunning tot verblijf te verlenen op de voet van artikel 16a, eerste lid, van de Vreemdelingenwet (oud) buiten behandeling gesteld wegens het ontbreken van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf.
Bij besluit van 15 januari 2003 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de aanvraag alsnog in behandeling genomen, op de grond dat het besluit tot buitenbehandelingstelling buiten de termijn als bedoeld in artikel 4:5, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht aan appellant is uitgereikt.
Vervolgens heeft de minister de aanvraag bij besluit van 16 april 2004 afgewezen omdat appellant niet voldoet aan de criteria die gelden voor verlening van een verblijfsvergunning onder de beperking 'vreemdeling die buiten zijn schuld Nederland niet kan verlaten'.
Nu laatstvermelde beslissing niet samenhangt met de gegrondverklaring van het bezwaar tegen de buitenbehandelingstelling van de aanvraag, dient dit besluit te worden aangemerkt als primair besluit.
Gelet hierop heeft de rechtbank ten onrechte, onder verwijzing naar voormelde uitspraak van de Afdeling van 22 juli 2005, overwogen dat het besluit van 16 april 2004 een onderdeel vormt van de beslissing op bezwaar van 15 januari 2003 en dat dit geen primair besluit betreft. De minister heeft terecht bij besluit van 13 oktober 2005 op het tegen het besluit van 16 april 2004 gemaakte bezwaar beslist en de Afdeling is bevoegd om van het hoger beroep kennis te nemen.
2.2. Hetgeen is aangevoerd in het hoger-beroepschrift en voldoet aan het bepaalde in artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000, kan niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aldus aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van deze wet, met dat oordeel volstaan.
2.3. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop deze rust, te worden bevestigd.
2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. H.G. Lubberdink, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. T.M.A. Claessens, Leden, in tegenwoordigheid van mr. S.P.M. Zwinkels, ambtenaar van Staat.
w.g. Lubberdink w.g. Zwinkels
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 20 november 2006
309-510.