Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels betreffende explosieve atmosferen.
- Kenmerk
- W12.03.0014/IV
- Datum advies
- 21 februari 2003
- Vindplaats
- Bijvoegsel Staatscourant 08 juli 2003, nr 128
- Sociale zaken en Werkgelegenheid
- Algemene maatregel van bestuur
Toon inhoud
Volledige tekst
Ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels betreffende explosieve atmosferen.
Bij Kabinetsmissive van 10 januari 2003, no.03.000091, heeft Uwe Majesteit, op voordracht van de Staatssecretaris van Sociale Zaken en Werkgelegenheid, drs. M. Rutte, bij de Raad van State ter overweging aanhangig gemaakt het ontwerpbesluit met nota van toelichting tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit houdende regels betreffende explosieve atmosferen.
Het ontwerpbesluit voorziet in de implementatie van richtlijn nr.1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 89/391/EEG) (PbEG L 23) (hierna: de richtlijn). De richtlijn bevat minimumvoorschriften ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers die werkzaam zijn in een explosieve atmosfeer. Deze voorschriften komen grotendeels overeen met reeds bestaande eisen, waardoor het ontwerpbesluit gering effect zal hebben voor de huidige groep van werkgevers die te maken hebben met explosieve atmosferen. De werkgever is verplicht maatregelen te nemen ter voorkoming van explosies en eventuele schade te beperken. Hiertoe stelt de werkgever een explosieveiligheidsdocument op, dat de identificatie van de gevaren, beoordeling van de risico’s en de omschrijving van de te nemen maatregelen bevat. De richtlijn is conform de systematiek van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) ten uitvoer gelegd.
De Raad van State maakt enkele opmerkingen over de implementatie en het overgangsrecht. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Onvolledige implementatie
a. Explosieveiligheidsdocument
Het voorgestelde artikel 3.5c, vierde lid, Arbobesluit vermeldt welke elementen een explosieveiligheidsdocument minimaal dient te bevatten. Volgens onderdeel a moet "een identificatie en beoordeling van de explosierisico’s bij het ontwerp, de aanleg, de bediening en het onderhoud van installaties, apparaten en beveiligingssystemen" worden opgenomen. Deze bepaling is een combinatie van het eerste en het vijfde streepje van artikel 8 van de richtlijn. Dit artikel heeft tot doel dat uit het explosieveiligheidsdocument onder andere moet blijken "dat de explosierisico’s geïdentificeerd en beoordeeld werden" (eerste streepje) en "dat de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aan dacht voor de veiligheid worden ontworpen, bediend en onderhouden" (vijfde streepje). Door het samenvoegen van deze twee vereisten wordt de inhoud van het explosieveiligheidsdocument op twee punten beperkt. Ten eerste geldt de identificatie en beoordeling in het ontwerpbesluit alleen voor explosierisico’s bij het ontwerp, de aanleg, de bediening en het onderhoud van installaties, apparaten en beveiligingssystemen, terwijl het in de richtlijn alle explosierisico’s betreft. Ten tweede zijn de in het ontwerpbesluit genoemde alarminstallaties, apparaten en beveiligingssystemen slechts onderdelen van de in de richtlijn genoemde arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen. Aangezien de richtlijn minimumharmonisatie voor ogen staat, dienen de minimumvoorschriften van artikel 8 volledig te worden geïmplementeerd. In verband hiermee adviseert de Raad artikel 3.5c, vierde lid, onderdeel a, op beide punten aan te vullen.
b. Algemene preventieve maatregelen
Het voorgestelde derde lid van artikel 3.5d Arbobesluit geeft met prioriteitsaanduiding aan welke preventieve maatregelen de werkgever moet treffen ingeval er een explosieve atmosfeer heerst of kan voorkomen. Volgens artikel 3, tweede alinea, van de richtlijn rust daarnaast op de werkgever de verplichting om deze maatregelen zo nodig te combineren en/of aan te vullen met maatregelen tegen uitbreiding van explosies. Doordat deze aanvullende verplichting is opgenomen in het laatste onderdeel (c) van artikel 3.5d, derde lid, hebben deze maatregelen de minste prioriteit. De richtlijn geeft echter geen prioriteitsaanduiding voor deze aanvullende maatregelen, zodat deze niet thuishoren in het derde lid. Het college adviseert onderdeel c in een apart lid in artikel 3.5d op te nemen.
c. Maatregelen in gevarenzones
De tekst van punt 2.2 van deel A, bijlage II, van de richtlijn is ruimer dan de hierop gebaseerde bepaling in artikel 3.5e, onder b, van het ontwerpbesluit. Uit de nota van toelichting blijkt niet waarom de richtlijn niet is gevolgd. Omdat het minimumharmonisatie betreft, dienen de geïmplementeerde bepalingen minimaal dezelfde reikwijdte te hebben als de richtlijn. Dit is echter niet het geval, omdat punt 2.2 niet alleen brandbare stoffen noemt, zoals opgenomen in artikel 3.5e, onder b, maar ook "ontvlambare en/of brandbare gassen, dampen of nevels". In verband hiermee is de Raad van oordeel dat artikel 3.5e, onder b, aanvulling behoeft.
Volgens de transponeringstabel is punt 2.4, deel A, bijlage II, van de richtlijn geïmplementeerd in artikel 3.5e, onder c, Arbobesluit. Dit onderdeel is een weergave van deel B, bijlage II, van de richtlijn dat eisen stelt aan het gebruik van apparaten en beveiligingssystemen in een explosieve atmosfeer. De categorieën apparaten, zoals genoemd in de bijlage, zijn gebaseerd op richtlijn 94/9/EG. Deze categorieën zijn conform de richtlijn opgenomen in het Besluit explosieveilig materieel. De twee laatste zinnen van punt 2.4 stellen tevens eisen aan het gebruik van installaties en andere arbeidsmiddelen en verbindingsstukken, die geen apparaten of beveiligingssystemen zijn in de zin van richtlijn 94/9/EG. Deze andere middelen staan dan ook niet in het Besluit explosieveilig materieel. Gezien het karakter van de richtlijn adviseert de Raad punt 2.4 alsnog in zijn geheel om te zetten in het ontwerpbesluit dan wel in de toelichting en eventueel de transponeringstabel aan te geven waar elders in de Nederlandse wetgeving aan deze eisen wordt voldaan.
d. Overige bepalingen
Een aantal bepalingen uit de richtlijn is niet overgenomen in het ontwerpbesluit. Het betreft de artikelen 1, derde lid, 6, eerste alinea, en 8, zesde streepje. Het college adviseert in de toelichting aan te geven hoe aan deze bepalingen in de Nederlandse wetgeving uitvoering is gegeven.
2. Overgangsrecht
a. Arbeidsmiddelen
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn moeten arbeidsmiddelen die voor 30 juni 2003 in gebruik zijn vanaf die datum voldoen aan de minimumvoorschriften van deel A, bijlage II, van de richtlijn. Bij de implementatie van artikel 9, eerste lid, zijn niet alle uit deel A van bijlage II voortvloeiende bepalingen met betrekking tot arbeidsmiddelen overgenomen. De punten 2.4, 2.5 en 2.9 van deel A, bijlage II, betreffen arbeidsmiddelen. Voor wat betreft de implementatie van het overgangsrecht is in artikel 9.37, derde lid, van het ontwerpbesluit alleen artikel 3.5f, onder c, d, en e, opgenomen. Deze bepalingen vormen de implementatie van punt 2.9 van deel A van bijlage II. De vraag rijst hoe is voorzien in de implementatie van het overgangsrecht voor de punten 2.4 en 2.5 van deel A, bijlage II. De Raad adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan.(zie noot 1)
b. Waarschuwingsbord
Het huidige waarschuwingsbord voor explosieve atmosferen, opgenomen in bijlage XIA, onderdeel 2, van de Arbeidsomstandighedenregeling, voldoet niet aan de in bijlage III van de richtlijn opgenomen markering.(zie noot 2) Aangezien sommige werkgevers kort na de inwerkingtredingsdatum moeten voldoen aan de richtlijn, is het opnemen van het juiste bord in de regeling raadzaam, omdat het de kenbaarheid van het nieuwe bord vergroot. Daarnaast is in de transponeringstabel een verwijzing naar bijlage XIA opgenomen, hetgeen verwarring voor werkgevers kan opleveren. De Raad adviseert in de toelichting op te nemen op welke wijze het nieuwe waarschuwingsbord kenbaar zal worden gemaakt.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 21 februari 2003, no. W12.03.0014/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
Om verwarring te voorkomen in artikel I, onderdeel C, artikel 3.5a, onder f, de komma na "met uitzondering van de voertuigen" laten vervallen.
Omwille van een logische opbouw van artikel I, onderdeel C, artikel 3.5d, het eerste lid plaatsen tussen het voorgestelde vierde en vijfde lid.
In artikel I, onderdeel C, artikel 3.5f, onder a, laten vervallen: dat gevaar kan opleveren.
In artikel I, onderdeel E, volgens de systematiek van artikel 9.9b van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit), bij de verwijzing naar volledige artikelen de verwijzingen naar de afzonderlijke leden en onderdelen waar mogelijk laten vervallen.
Nota van toelichting
De toelichting, paragraaf 1.4.1, tweede tekstblok, aanpassen, omdat artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 ziet op voorlichting en onderricht, conform punt 1.1 van deel A, bijlage II, van de richtlijn en niet op de verplichtingen voor de werkgever tot het invoeren van werkinstructies en werkvergunningen, punt 1.2 van deel A, bijlage II, van de richtlijn.
De toelichting op onderdeel G aanvullen met de reden waarom in tegenstelling tot arbeidsplaatsen, voor arbeidsmiddelen de datum 30 juni 2003 en niet de datum van inwerkingtreding bepalend is voor het overgangsrecht.
Nader rapport (reactie op het advies) van 13 juni 2003
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. De Raad heeft een zestal gemaakt, waarop hieronder puntsgewijs zal worden ingegaan. De redactionele kanttekeningen zijn, voor zover nog van toepassing, overgenomen.
1a. De Raad adviseert met het oog op een correcte implementatie van artikel 8, eerste en vijfde streepje, van de richtlijn explosieve atmosferen (hierna te noemen: de richtlijn) om artikel 3.5c, vierde lid, aan te vullen. Hieraan is gevolg gegeven door een gewijzigd onderdeel a en een nieuw onderdeel b van het vierde lid van artikel 3.5c. Door de wijziging van onderdeel a wordt duidelijk gemaakt dat in het explosieveiligheidsdocument een identificatie en beoordeling van alle explosierisico’s dient te worden opgenomen en dat deze niet zijn beperkt tot identificatie en beoordeling van de explosierisico’s bij het ontwerp, de aanleg, de bediening en het onderhoud van installaties, apparaten en beveiligingssystemen. In het nieuwe onderdeel b is bepaald dat in het explosieveiligheidsdocument moet zijn vermeld de wijze waarop de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties met de vereiste aandacht voor de veiligheid zijn ontworpen, worden gebruikt of bediend en onderhouden. Voorts is de toelichting hiermee in overeenstemming gebracht.
1b. De Raad adviseert om het voorgestelde onderdeel c van artikel 3.5d, derde lid, onder te brengen in een apart lid van dit artikel zodat duidelijk wordt dat deze aanvullende verplichting geldt los van de maatregelen met prioriteitsaanduiding, bedoeld in de onderdelen a en b van het derde lid van artikel 3.5d. Hieraan is gevolg gegeven door in een nieuw derde lid te bepalen dat in aanvulling op de maatregelen met prioriteitsaanduiding in alle gevallen de mogelijkheid tot uitbreiding van een explosie moet worden beperkt. Omwille van een logische opbouw is van de gelegenheid gebruik gemaakt om het oorspronkelijke eerste lid te vernummeren tot het vijfde lid. De toelichting is hiermee in overeenstemming gebracht, alsmede de artikelen 9.9b, eerste lid, onder c, en 9.9c, eerste lid, onder b (aanwijzing beboetbare feiten van respectievelijk de eerste en tweede categorie).
1c. De Raad adviseert om de redactie van artikel 3.5e, onder b, nauwer te laten aansluiten bij de tekst van punt 2.2 van deel A, bijlage II, bij de richtlijn. Hieraan is gevolg gegeven door in artikel 3.5e, onderdeel b, de term "brandbare stoffen" te wijzigen in ontvlambare of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in de toelichting op artikel 3.5e aan te geven waar hierbij aan kan worden gedacht. Voorts is in artikel 3.5e, in de nieuwe onderdelen c, d, en f, punt 2.4 van deel A, bijlage II, bij de richtlijn integraal omgezet.
Inderdaad moet worden geconstateerd dat in het betreffende punt ook eisen worden gesteld aan het gebruik van installaties en andere arbeidsmiddelen en verbindingsstukken, die geen apparaten of beveiligingssystemen zijn in de zin van richtlijn 94/9/EG en mitsdien niet vallen onder de werkingssfeer van het Besluit explosieveilig materieel.
Met betrekking tot installatie, apparaten, beveiligingssystemen en het installatiemateriaal is in onderdeel c voorgeschreven dat deze slechts in gebruik mogen worden genomen indien uit het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, is gebleken dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar is verbonden. Hierbij is tevens verwezen naar onderdeel e. Op grond van dit onderdeel dienen apparaten en beveiligingsmiddelen te worden gebruikt overeenkomstig de veiligheidscategorieën, bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel, in de verschillende gevarenzones.
In onderdeel d is bepaald dat wanneer er gebruik moet worden gemaakt van arbeidsmiddelen en de verbindingstukken ervan die niet kunnen worden beschouwd als apparaten en beveiligingssystemen als bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel, en wanneer hun opneming in de installaties aanleiding kan geven tot ontstekingsgevaar, de maatregel in onderdeel c van overeenkomstige toepassing is. Ook voor deze arbeidsmiddelen geldt dat deze slechts in gebruik mogen worden genomen wanneer is gebleken dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar is verbonden. De toelichting is dienovereenkomstig aangepast. In verband met de toevoeging van de nieuwe onderdelen c, d, en f in artikel 2.5e, is artikel 9.9b, eerste lid, onder c (aanwijzing beboetbare feiten van de eerste categorie) hiermee in overeenstemming gebracht.
1d. De Raad heeft geconstateerd dat een aantal bepalingen uit de richtlijn niet is overgenomen in het ontwerpbesluit. In dit verband wordt gewezen op artikel 1 derde lid, van de richtlijn. In dit artikel wordt gesteld dat de richtlijn 89/391/EG van kracht is, onverminderd de meer restrictieve bepalingen van de onderhavige richtlijn. De Kaderrichtlijn 89/391/EG wijst in artikel 16, eerste lid, de uitwerking van sectorale (bijzondere) richtlijnen aan. De richtlijn 89/391/EG is geïmplementeerd in de Arbeidsomstandighedenwet 1998. De onderhavige richtlijn is, zoals alle bijzondere op de kaderrichtlijn gebaseerde richtlijnen, geïmplementeerd in het op de Arbeidsomstandighedenwet 1998 gebaseerde Arbeidsomstandighedenbesluit. Hiermee is verzekerd dat op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen heersen, alle relevante voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en het Arbeidsomstandighedenbesluit onverkort van toepassing zijn. De transponeringstabel is op dit punt aangevuld.
De Raad wijst voorts op artikel 6, eerste alinea, van de richtlijn. Hierin is bepaald dat wanneer op dezelfde arbeidsplaatsen werknemers van verschillende ondernemingen bevinden, elke werkgever verantwoordelijk is voor alle zaken die onder zijn toezicht komen te staan. De individuele verantwoordelijkheid van elke werkgever volgt uit de Arbeidsomstandighedenwet 1998. ook indien een werkgever arbeid doet verrichten op arbeidsplaatsen waar zich ook werknemers van andere werkgevers bevinden, is de werkgever jegens zijn werknemers verantwoordelijk voor een goed arbeidsomstandighedenbeleid en regarderen hem de verplichtingen die uit de arbeidsomstandighedenwetgeving voortvloeien. In artikel 19, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 is in dit verband bepaald dat wanneer in een bedrijf of inrichting verschillende werkgevers arbeid doen verrichten, zij onderling op doelmatige wijze samenwerken teneinde de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te verzekeren. De transponeringstabel is op dit punt aangevuld.
Tot slot wijst de Raad op artikel 8, zesde streepje, van de richtlijn. Hierin is bepaald dat uit het explosieveiligheidsdocument moet blijken dat overeenkomstig richtlijn 89/655/EEG voorzorgmaatregelen voor het veilig gebruik van arbeidsmiddelen zijn getroffen. Deze bepaling behoeft evenmin separaat te worden geïmplementeerd omdat de omzetting van deze bepaling reeds volgt uit artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (de risico-inventarisatie en -evaluatie) en artikel 7.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (geschiktheid arbeidsmiddelen). In de bij de risico-inventarisatie en -evaluatie behorende plan van aanpak dienen reeds op grond van voornoemde voorschriften voorzorgmaatregelen voor het veilig gebruik van arbeidsmiddelen te zijn opgenomen. Voorts wordt erop gewezen dat ter implementatie van artikel 8, vijfde streepje, van de richtlijn in het nieuwe onderdeel b van het vierde lid van artikel 3.5c is bepaald dat in het veiligheidsdocument moet zijn vermeld de wijze waarop de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aandacht voor de veiligheid zijn ontworpen, worden gebruikt of bediend en onderhouden. Het is evident dat hierbij aandacht wordt besteed aan de voorzorgsmaatregelen voor het veilig gebruik van arbeidsmiddelen. De transponeringstabel is op dit punt aangevuld.
2. In artikel 9, eerste lid, van de richtlijn is het overgangsrecht geformuleerd met betrekking tot arbeidsmiddelen die bestemd zijn voor gebruik op plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen en die reeds in gebruik zijn op 30 juni 2003, de datum waarop de richtlijn in het nationale recht moet zijn geïmplementeerd. Deze arbeidsmiddelen moeten vanaf die datum voldoen aan de minimumvoorschriften van deel A van bijlage II bij de richtlijn. De Raad constateert dat in artikel 9.37, derde lid, waarbij, naast het tweede lid het overgangsrecht is omgezet, de punten 2.4 en 2.5 van deel A van bijlage II hierbij niet zijn betrokken en adviseert in de toelichting hieraan aandacht te besteden. Bij de opstelling van het ontwerpbesluit werd aangenomen dat het besluit in werking kon treden ruim voor de datum waarop uiterlijk de richtlijn moet zijn geïmplementeerd, zijnde 30 juni 2003. dit was de reden om in artikel 9.37, derde lid, te bepalen dat de in dit lid vermelde voorschriften, ten aanzien van de arbeidsmiddelen die al in gebruik zijn, niet gelden tot 30 juni 2003. Aangezien de tijd gelegen tussen het moment van publicatie en 30 juni 2003 betrekkelijk kort zal zijn, wordt ervoor gekozen om het besluit op laatstgenoemde datum in werking te laten treden. Dit brengt met zich mee dat artikel 9.37, derde lid, vervalt. Dit betekent dat ten aanzien van arbeidsmiddelen die reeds in gebruik zijn voor de datum van inwerkingtreding van het besluit (30 juni 2003), deel B van bijlage II bij de richtlijn, dat is geïmplementeerd in artikel 3.5, onder e, hierop niet van toepassing is. Dit is geregeld in artikel 9.37, tweede lid. De toelichting is met de wijziging in overeenstemming gebracht.
3. De Raad adviseert in de toelichting op te nemen op welke wijze het nieuwe waarschuwingsbord als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn kenbaar zal worden gemaakt. Met betrekking tot de veiligheids- en gezondheidssignalering, waaronder ook waarschuwingsborden worden begrepen, worden op grond van artikel 8.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit nadere regels gesteld bij ministeriële regeling. Deze nadere regels zijn neergelegd in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling. In artikel 8.10, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenregeling is een verwijzing opgenomen naar bijlage XIA, waar de in Nederland geldende verbods-, waarschuwings-, gebods-, en reddingsborden en borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal zijn opgenomen. Het bord "Explosieve atmosfeer", opgenomen in bijlage III bij de richtlijn, zal door een wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling worden toegevoegd aan de bij de Arbeidsomstandighedenregeling behorende bijlage XIA. Deze wijziging zal worden gepubliceerd nadat het besluit is gepubliceerd en zal gelijktijdig met het besluit in werking treden.
Opgemerkt zij nog dat de Raad, op basis van paragraaf 1.4.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting, er kennelijk vanuit gaat dat het bestaande bord met betrekking tot "explosieve stoffen" in bijlage XIA moet worden vervangen door het bord als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn. Dit is echter niet het geval. Het bestaande bord blijft gehandhaafd naast het nieuwe waarschuwingsbord. Een explosieve atmosfeer heeft betrekking op brandbare stoffen die zelf niet explosief zijn maar in een mengsel met lucht een explosieve atmosfeer doen ontstaan. De kenbaarheid van het nieuwe waarschuwingsbord wordt voorts bevorderd door publicatie van een persbericht. Paragraaf 1.4.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting en de toelichting op artikel 3.5d, zesde lid, zijn aangepast.
4. Voorts wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit en de toelichting op een aantal punten te wijzigen, als volgt.
a. Artikel 2.42, tweede lid, onder b, is gewijzigd en de onderdelen d en e van artikel 3.5a zijn samengevoegd tot een nieuw onderdeel d. Hiermee is het ontwerpbesluit in overeenstemming gebracht met het besluit van 17 december 2002 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (veiligheid en gezondheid van werknemers in de mijnbouwsector; werken onder overdruk en enige andere wijzigingen), Stb. 652. Bij dit besluit zijn de bepalingen op het terrein van de arbeidsomstandigheden die waren opgenomen in het inmiddels vervallen Mijnreglement 1964 en het Mijnreglement continentaal plat overgeheveld naar het Arbeidsomstandighedenbesluit. Bij voornoemd besluit was verzuimd om in het artikel 2.42 bedoelde veiligheids- en gezondheidsdocument niet alleen te bepalen dat aandacht moet worden besteed aan de maatregelen om te voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 3 (winningsindustrieën) en 3A (winningsindustrieën in dagbouw) van hoofdstuk 3, maar ook aan de maatregelen om te voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 3B (ondergrondse winningsindustrieën) en 3C (winningsindustrieën met behulp van boringen) van hoofdstuk 3. Deze omissie is hersteld. Paragraaf 1.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting en de toelichting op de artikelen 2.42 en 3.5a zijn hiermee in overeenstemming gebracht.
b. Artikel 3.5e, onderdeel b, is omwille van de duidelijkheid en handhaafbaarheid aangevuld in die zin dat het risico, waaraan in dit onderdeel wordt gerefereerd, moet blijken uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid. Het grootst mogelijke risico op basis van deze beoordeling vormt het uitgangspunt voor het treffen van veiligheidsmaatregelen wanneer een explosieve atmosfeer meerdere soorten ontvlambare of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen bevat. Ook de toelichting is op dit punt aangevuld.
c. Bij de opstelling van het ontwerpbesluit werd aangenomen dat het besluit in werking kon treden ruim voor de datum waarop uiterlijk de richtlijn moet zijn geïmplementeerd, zijnde 30 juni 2003. Dit was de reden om in artikel II te bepalen dat het besluit in werking treedt met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Hiermee werd twee maanden gegeven aan belanghebbenden om zich op het besluit voor te bereiden. Aangezien de tijd gelegen tussen het moment van publicatie en 30 juni 2003 betrekkelijk kort zal zijn, is ervoor gekozen om het besluit op de laatstgenoemde datum in werking te laten treden. Dit brengt met zich mee dat belanghebbenden een vergelijkbare termijn wordt gegeven als het oorspronkelijke artikel II. Artikel II en de toelichting hierop zijn dienovereenkomstig gewijzigd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Aanwijzing 344 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(2) Nota van toelichting, Paragraaf 1.4.1 Bedrijfseffectentoets, derde tekstblok.
Het ontwerpbesluit voorziet in de implementatie van richtlijn nr.1999/92/EG van het Europees Parlement en de Raad van de Europese Gemeenschappen van 16 december 1999 betreffende minimumvoorschriften voor de verbetering van de gezondheidsbescherming en van de veiligheid van werknemers die door explosieve atmosferen gevaar kunnen lopen (vijftiende bijzondere richtlijn in de zin van artikel 16, eerste lid, van Richtlijn 89/391/EEG) (PbEG L 23) (hierna: de richtlijn). De richtlijn bevat minimumvoorschriften ter bescherming van de veiligheid en gezondheid van werknemers die werkzaam zijn in een explosieve atmosfeer. Deze voorschriften komen grotendeels overeen met reeds bestaande eisen, waardoor het ontwerpbesluit gering effect zal hebben voor de huidige groep van werkgevers die te maken hebben met explosieve atmosferen. De werkgever is verplicht maatregelen te nemen ter voorkoming van explosies en eventuele schade te beperken. Hiertoe stelt de werkgever een explosieveiligheidsdocument op, dat de identificatie van de gevaren, beoordeling van de risico’s en de omschrijving van de te nemen maatregelen bevat. De richtlijn is conform de systematiek van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit) ten uitvoer gelegd.
De Raad van State maakt enkele opmerkingen over de implementatie en het overgangsrecht. Hij is van oordeel dat in verband daarmee enige aanpassing van het ontwerpbesluit wenselijk is.
1. Onvolledige implementatie
a. Explosieveiligheidsdocument
Het voorgestelde artikel 3.5c, vierde lid, Arbobesluit vermeldt welke elementen een explosieveiligheidsdocument minimaal dient te bevatten. Volgens onderdeel a moet "een identificatie en beoordeling van de explosierisico’s bij het ontwerp, de aanleg, de bediening en het onderhoud van installaties, apparaten en beveiligingssystemen" worden opgenomen. Deze bepaling is een combinatie van het eerste en het vijfde streepje van artikel 8 van de richtlijn. Dit artikel heeft tot doel dat uit het explosieveiligheidsdocument onder andere moet blijken "dat de explosierisico’s geïdentificeerd en beoordeeld werden" (eerste streepje) en "dat de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aan dacht voor de veiligheid worden ontworpen, bediend en onderhouden" (vijfde streepje). Door het samenvoegen van deze twee vereisten wordt de inhoud van het explosieveiligheidsdocument op twee punten beperkt. Ten eerste geldt de identificatie en beoordeling in het ontwerpbesluit alleen voor explosierisico’s bij het ontwerp, de aanleg, de bediening en het onderhoud van installaties, apparaten en beveiligingssystemen, terwijl het in de richtlijn alle explosierisico’s betreft. Ten tweede zijn de in het ontwerpbesluit genoemde alarminstallaties, apparaten en beveiligingssystemen slechts onderdelen van de in de richtlijn genoemde arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen. Aangezien de richtlijn minimumharmonisatie voor ogen staat, dienen de minimumvoorschriften van artikel 8 volledig te worden geïmplementeerd. In verband hiermee adviseert de Raad artikel 3.5c, vierde lid, onderdeel a, op beide punten aan te vullen.
b. Algemene preventieve maatregelen
Het voorgestelde derde lid van artikel 3.5d Arbobesluit geeft met prioriteitsaanduiding aan welke preventieve maatregelen de werkgever moet treffen ingeval er een explosieve atmosfeer heerst of kan voorkomen. Volgens artikel 3, tweede alinea, van de richtlijn rust daarnaast op de werkgever de verplichting om deze maatregelen zo nodig te combineren en/of aan te vullen met maatregelen tegen uitbreiding van explosies. Doordat deze aanvullende verplichting is opgenomen in het laatste onderdeel (c) van artikel 3.5d, derde lid, hebben deze maatregelen de minste prioriteit. De richtlijn geeft echter geen prioriteitsaanduiding voor deze aanvullende maatregelen, zodat deze niet thuishoren in het derde lid. Het college adviseert onderdeel c in een apart lid in artikel 3.5d op te nemen.
c. Maatregelen in gevarenzones
De tekst van punt 2.2 van deel A, bijlage II, van de richtlijn is ruimer dan de hierop gebaseerde bepaling in artikel 3.5e, onder b, van het ontwerpbesluit. Uit de nota van toelichting blijkt niet waarom de richtlijn niet is gevolgd. Omdat het minimumharmonisatie betreft, dienen de geïmplementeerde bepalingen minimaal dezelfde reikwijdte te hebben als de richtlijn. Dit is echter niet het geval, omdat punt 2.2 niet alleen brandbare stoffen noemt, zoals opgenomen in artikel 3.5e, onder b, maar ook "ontvlambare en/of brandbare gassen, dampen of nevels". In verband hiermee is de Raad van oordeel dat artikel 3.5e, onder b, aanvulling behoeft.
Volgens de transponeringstabel is punt 2.4, deel A, bijlage II, van de richtlijn geïmplementeerd in artikel 3.5e, onder c, Arbobesluit. Dit onderdeel is een weergave van deel B, bijlage II, van de richtlijn dat eisen stelt aan het gebruik van apparaten en beveiligingssystemen in een explosieve atmosfeer. De categorieën apparaten, zoals genoemd in de bijlage, zijn gebaseerd op richtlijn 94/9/EG. Deze categorieën zijn conform de richtlijn opgenomen in het Besluit explosieveilig materieel. De twee laatste zinnen van punt 2.4 stellen tevens eisen aan het gebruik van installaties en andere arbeidsmiddelen en verbindingsstukken, die geen apparaten of beveiligingssystemen zijn in de zin van richtlijn 94/9/EG. Deze andere middelen staan dan ook niet in het Besluit explosieveilig materieel. Gezien het karakter van de richtlijn adviseert de Raad punt 2.4 alsnog in zijn geheel om te zetten in het ontwerpbesluit dan wel in de toelichting en eventueel de transponeringstabel aan te geven waar elders in de Nederlandse wetgeving aan deze eisen wordt voldaan.
d. Overige bepalingen
Een aantal bepalingen uit de richtlijn is niet overgenomen in het ontwerpbesluit. Het betreft de artikelen 1, derde lid, 6, eerste alinea, en 8, zesde streepje. Het college adviseert in de toelichting aan te geven hoe aan deze bepalingen in de Nederlandse wetgeving uitvoering is gegeven.
2. Overgangsrecht
a. Arbeidsmiddelen
Op grond van artikel 9, eerste lid, van de richtlijn moeten arbeidsmiddelen die voor 30 juni 2003 in gebruik zijn vanaf die datum voldoen aan de minimumvoorschriften van deel A, bijlage II, van de richtlijn. Bij de implementatie van artikel 9, eerste lid, zijn niet alle uit deel A van bijlage II voortvloeiende bepalingen met betrekking tot arbeidsmiddelen overgenomen. De punten 2.4, 2.5 en 2.9 van deel A, bijlage II, betreffen arbeidsmiddelen. Voor wat betreft de implementatie van het overgangsrecht is in artikel 9.37, derde lid, van het ontwerpbesluit alleen artikel 3.5f, onder c, d, en e, opgenomen. Deze bepalingen vormen de implementatie van punt 2.9 van deel A van bijlage II. De vraag rijst hoe is voorzien in de implementatie van het overgangsrecht voor de punten 2.4 en 2.5 van deel A, bijlage II. De Raad adviseert hierop in de toelichting nader in te gaan.(zie noot 1)
b. Waarschuwingsbord
Het huidige waarschuwingsbord voor explosieve atmosferen, opgenomen in bijlage XIA, onderdeel 2, van de Arbeidsomstandighedenregeling, voldoet niet aan de in bijlage III van de richtlijn opgenomen markering.(zie noot 2) Aangezien sommige werkgevers kort na de inwerkingtredingsdatum moeten voldoen aan de richtlijn, is het opnemen van het juiste bord in de regeling raadzaam, omdat het de kenbaarheid van het nieuwe bord vergroot. Daarnaast is in de transponeringstabel een verwijzing naar bijlage XIA opgenomen, hetgeen verwarring voor werkgevers kan opleveren. De Raad adviseert in de toelichting op te nemen op welke wijze het nieuwe waarschuwingsbord kenbaar zal worden gemaakt.
3. Voor redactionele kanttekeningen verwijst het college naar de bij het advies behorende bijlage.
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met het vorenstaande rekening zal zijn gehouden.
De Vice-President van de Raad van State
Bijlage bij het advies van de Raad van State van 21 februari 2003, no. W12.03.0014/IV, met redactionele kanttekeningen die de Raad in overweging geeft.
Ontwerpbesluit
Om verwarring te voorkomen in artikel I, onderdeel C, artikel 3.5a, onder f, de komma na "met uitzondering van de voertuigen" laten vervallen.
Omwille van een logische opbouw van artikel I, onderdeel C, artikel 3.5d, het eerste lid plaatsen tussen het voorgestelde vierde en vijfde lid.
In artikel I, onderdeel C, artikel 3.5f, onder a, laten vervallen: dat gevaar kan opleveren.
In artikel I, onderdeel E, volgens de systematiek van artikel 9.9b van het Arbeidsomstandighedenbesluit (Arbobesluit), bij de verwijzing naar volledige artikelen de verwijzingen naar de afzonderlijke leden en onderdelen waar mogelijk laten vervallen.
Nota van toelichting
De toelichting, paragraaf 1.4.1, tweede tekstblok, aanpassen, omdat artikel 8 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 ziet op voorlichting en onderricht, conform punt 1.1 van deel A, bijlage II, van de richtlijn en niet op de verplichtingen voor de werkgever tot het invoeren van werkinstructies en werkvergunningen, punt 1.2 van deel A, bijlage II, van de richtlijn.
De toelichting op onderdeel G aanvullen met de reden waarom in tegenstelling tot arbeidsplaatsen, voor arbeidsmiddelen de datum 30 juni 2003 en niet de datum van inwerkingtreding bepalend is voor het overgangsrecht.
Nader rapport (reactie op het advies) van 13 juni 2003
De Raad van State geeft U in overweging in dezen een besluit te nemen, nadat met zijn opmerkingen rekening zal zijn gehouden. De Raad heeft een zestal gemaakt, waarop hieronder puntsgewijs zal worden ingegaan. De redactionele kanttekeningen zijn, voor zover nog van toepassing, overgenomen.
1a. De Raad adviseert met het oog op een correcte implementatie van artikel 8, eerste en vijfde streepje, van de richtlijn explosieve atmosferen (hierna te noemen: de richtlijn) om artikel 3.5c, vierde lid, aan te vullen. Hieraan is gevolg gegeven door een gewijzigd onderdeel a en een nieuw onderdeel b van het vierde lid van artikel 3.5c. Door de wijziging van onderdeel a wordt duidelijk gemaakt dat in het explosieveiligheidsdocument een identificatie en beoordeling van alle explosierisico’s dient te worden opgenomen en dat deze niet zijn beperkt tot identificatie en beoordeling van de explosierisico’s bij het ontwerp, de aanleg, de bediening en het onderhoud van installaties, apparaten en beveiligingssystemen. In het nieuwe onderdeel b is bepaald dat in het explosieveiligheidsdocument moet zijn vermeld de wijze waarop de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties met de vereiste aandacht voor de veiligheid zijn ontworpen, worden gebruikt of bediend en onderhouden. Voorts is de toelichting hiermee in overeenstemming gebracht.
1b. De Raad adviseert om het voorgestelde onderdeel c van artikel 3.5d, derde lid, onder te brengen in een apart lid van dit artikel zodat duidelijk wordt dat deze aanvullende verplichting geldt los van de maatregelen met prioriteitsaanduiding, bedoeld in de onderdelen a en b van het derde lid van artikel 3.5d. Hieraan is gevolg gegeven door in een nieuw derde lid te bepalen dat in aanvulling op de maatregelen met prioriteitsaanduiding in alle gevallen de mogelijkheid tot uitbreiding van een explosie moet worden beperkt. Omwille van een logische opbouw is van de gelegenheid gebruik gemaakt om het oorspronkelijke eerste lid te vernummeren tot het vijfde lid. De toelichting is hiermee in overeenstemming gebracht, alsmede de artikelen 9.9b, eerste lid, onder c, en 9.9c, eerste lid, onder b (aanwijzing beboetbare feiten van respectievelijk de eerste en tweede categorie).
1c. De Raad adviseert om de redactie van artikel 3.5e, onder b, nauwer te laten aansluiten bij de tekst van punt 2.2 van deel A, bijlage II, bij de richtlijn. Hieraan is gevolg gegeven door in artikel 3.5e, onderdeel b, de term "brandbare stoffen" te wijzigen in ontvlambare of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen. Van de gelegenheid is gebruik gemaakt om in de toelichting op artikel 3.5e aan te geven waar hierbij aan kan worden gedacht. Voorts is in artikel 3.5e, in de nieuwe onderdelen c, d, en f, punt 2.4 van deel A, bijlage II, bij de richtlijn integraal omgezet.
Inderdaad moet worden geconstateerd dat in het betreffende punt ook eisen worden gesteld aan het gebruik van installaties en andere arbeidsmiddelen en verbindingsstukken, die geen apparaten of beveiligingssystemen zijn in de zin van richtlijn 94/9/EG en mitsdien niet vallen onder de werkingssfeer van het Besluit explosieveilig materieel.
Met betrekking tot installatie, apparaten, beveiligingssystemen en het installatiemateriaal is in onderdeel c voorgeschreven dat deze slechts in gebruik mogen worden genomen indien uit het explosieveiligheidsdocument op basis van de beoordeling, bedoeld in artikel 3.5, eerste lid, is gebleken dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar is verbonden. Hierbij is tevens verwezen naar onderdeel e. Op grond van dit onderdeel dienen apparaten en beveiligingsmiddelen te worden gebruikt overeenkomstig de veiligheidscategorieën, bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel, in de verschillende gevarenzones.
In onderdeel d is bepaald dat wanneer er gebruik moet worden gemaakt van arbeidsmiddelen en de verbindingstukken ervan die niet kunnen worden beschouwd als apparaten en beveiligingssystemen als bedoeld in het Besluit explosieveilig materieel, en wanneer hun opneming in de installaties aanleiding kan geven tot ontstekingsgevaar, de maatregel in onderdeel c van overeenkomstige toepassing is. Ook voor deze arbeidsmiddelen geldt dat deze slechts in gebruik mogen worden genomen wanneer is gebleken dat aan het gebruik ervan geen explosiegevaar is verbonden. De toelichting is dienovereenkomstig aangepast. In verband met de toevoeging van de nieuwe onderdelen c, d, en f in artikel 2.5e, is artikel 9.9b, eerste lid, onder c (aanwijzing beboetbare feiten van de eerste categorie) hiermee in overeenstemming gebracht.
1d. De Raad heeft geconstateerd dat een aantal bepalingen uit de richtlijn niet is overgenomen in het ontwerpbesluit. In dit verband wordt gewezen op artikel 1 derde lid, van de richtlijn. In dit artikel wordt gesteld dat de richtlijn 89/391/EG van kracht is, onverminderd de meer restrictieve bepalingen van de onderhavige richtlijn. De Kaderrichtlijn 89/391/EG wijst in artikel 16, eerste lid, de uitwerking van sectorale (bijzondere) richtlijnen aan. De richtlijn 89/391/EG is geïmplementeerd in de Arbeidsomstandighedenwet 1998. De onderhavige richtlijn is, zoals alle bijzondere op de kaderrichtlijn gebaseerde richtlijnen, geïmplementeerd in het op de Arbeidsomstandighedenwet 1998 gebaseerde Arbeidsomstandighedenbesluit. Hiermee is verzekerd dat op arbeidsplaatsen waar explosieve atmosferen kunnen heersen, alle relevante voorschriften van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 en het Arbeidsomstandighedenbesluit onverkort van toepassing zijn. De transponeringstabel is op dit punt aangevuld.
De Raad wijst voorts op artikel 6, eerste alinea, van de richtlijn. Hierin is bepaald dat wanneer op dezelfde arbeidsplaatsen werknemers van verschillende ondernemingen bevinden, elke werkgever verantwoordelijk is voor alle zaken die onder zijn toezicht komen te staan. De individuele verantwoordelijkheid van elke werkgever volgt uit de Arbeidsomstandighedenwet 1998. ook indien een werkgever arbeid doet verrichten op arbeidsplaatsen waar zich ook werknemers van andere werkgevers bevinden, is de werkgever jegens zijn werknemers verantwoordelijk voor een goed arbeidsomstandighedenbeleid en regarderen hem de verplichtingen die uit de arbeidsomstandighedenwetgeving voortvloeien. In artikel 19, eerste lid, van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 is in dit verband bepaald dat wanneer in een bedrijf of inrichting verschillende werkgevers arbeid doen verrichten, zij onderling op doelmatige wijze samenwerken teneinde de naleving van het bij of krachtens deze wet bepaalde te verzekeren. De transponeringstabel is op dit punt aangevuld.
Tot slot wijst de Raad op artikel 8, zesde streepje, van de richtlijn. Hierin is bepaald dat uit het explosieveiligheidsdocument moet blijken dat overeenkomstig richtlijn 89/655/EEG voorzorgmaatregelen voor het veilig gebruik van arbeidsmiddelen zijn getroffen. Deze bepaling behoeft evenmin separaat te worden geïmplementeerd omdat de omzetting van deze bepaling reeds volgt uit artikel 5 van de Arbeidsomstandighedenwet 1998 (de risico-inventarisatie en -evaluatie) en artikel 7.3 van het Arbeidsomstandighedenbesluit (geschiktheid arbeidsmiddelen). In de bij de risico-inventarisatie en -evaluatie behorende plan van aanpak dienen reeds op grond van voornoemde voorschriften voorzorgmaatregelen voor het veilig gebruik van arbeidsmiddelen te zijn opgenomen. Voorts wordt erop gewezen dat ter implementatie van artikel 8, vijfde streepje, van de richtlijn in het nieuwe onderdeel b van het vierde lid van artikel 3.5c is bepaald dat in het veiligheidsdocument moet zijn vermeld de wijze waarop de arbeidsplaatsen en arbeidsmiddelen, met inbegrip van de alarminstallaties, met de vereiste aandacht voor de veiligheid zijn ontworpen, worden gebruikt of bediend en onderhouden. Het is evident dat hierbij aandacht wordt besteed aan de voorzorgsmaatregelen voor het veilig gebruik van arbeidsmiddelen. De transponeringstabel is op dit punt aangevuld.
2. In artikel 9, eerste lid, van de richtlijn is het overgangsrecht geformuleerd met betrekking tot arbeidsmiddelen die bestemd zijn voor gebruik op plaatsen waar een explosieve atmosfeer kan voorkomen en die reeds in gebruik zijn op 30 juni 2003, de datum waarop de richtlijn in het nationale recht moet zijn geïmplementeerd. Deze arbeidsmiddelen moeten vanaf die datum voldoen aan de minimumvoorschriften van deel A van bijlage II bij de richtlijn. De Raad constateert dat in artikel 9.37, derde lid, waarbij, naast het tweede lid het overgangsrecht is omgezet, de punten 2.4 en 2.5 van deel A van bijlage II hierbij niet zijn betrokken en adviseert in de toelichting hieraan aandacht te besteden. Bij de opstelling van het ontwerpbesluit werd aangenomen dat het besluit in werking kon treden ruim voor de datum waarop uiterlijk de richtlijn moet zijn geïmplementeerd, zijnde 30 juni 2003. dit was de reden om in artikel 9.37, derde lid, te bepalen dat de in dit lid vermelde voorschriften, ten aanzien van de arbeidsmiddelen die al in gebruik zijn, niet gelden tot 30 juni 2003. Aangezien de tijd gelegen tussen het moment van publicatie en 30 juni 2003 betrekkelijk kort zal zijn, wordt ervoor gekozen om het besluit op laatstgenoemde datum in werking te laten treden. Dit brengt met zich mee dat artikel 9.37, derde lid, vervalt. Dit betekent dat ten aanzien van arbeidsmiddelen die reeds in gebruik zijn voor de datum van inwerkingtreding van het besluit (30 juni 2003), deel B van bijlage II bij de richtlijn, dat is geïmplementeerd in artikel 3.5, onder e, hierop niet van toepassing is. Dit is geregeld in artikel 9.37, tweede lid. De toelichting is met de wijziging in overeenstemming gebracht.
3. De Raad adviseert in de toelichting op te nemen op welke wijze het nieuwe waarschuwingsbord als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn kenbaar zal worden gemaakt. Met betrekking tot de veiligheids- en gezondheidssignalering, waaronder ook waarschuwingsborden worden begrepen, worden op grond van artikel 8.4 van het Arbeidsomstandighedenbesluit nadere regels gesteld bij ministeriële regeling. Deze nadere regels zijn neergelegd in de artikelen 8.9 tot en met 8.11 van de Arbeidsomstandighedenregeling. In artikel 8.10, zesde lid, van de Arbeidsomstandighedenregeling is een verwijzing opgenomen naar bijlage XIA, waar de in Nederland geldende verbods-, waarschuwings-, gebods-, en reddingsborden en borden in verband met het brandbestrijdingsmateriaal zijn opgenomen. Het bord "Explosieve atmosfeer", opgenomen in bijlage III bij de richtlijn, zal door een wijziging van de Arbeidsomstandighedenregeling worden toegevoegd aan de bij de Arbeidsomstandighedenregeling behorende bijlage XIA. Deze wijziging zal worden gepubliceerd nadat het besluit is gepubliceerd en zal gelijktijdig met het besluit in werking treden.
Opgemerkt zij nog dat de Raad, op basis van paragraaf 1.4.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting, er kennelijk vanuit gaat dat het bestaande bord met betrekking tot "explosieve stoffen" in bijlage XIA moet worden vervangen door het bord als bedoeld in bijlage III bij de richtlijn. Dit is echter niet het geval. Het bestaande bord blijft gehandhaafd naast het nieuwe waarschuwingsbord. Een explosieve atmosfeer heeft betrekking op brandbare stoffen die zelf niet explosief zijn maar in een mengsel met lucht een explosieve atmosfeer doen ontstaan. De kenbaarheid van het nieuwe waarschuwingsbord wordt voorts bevorderd door publicatie van een persbericht. Paragraaf 1.4.1 van het algemeen deel van de nota van toelichting en de toelichting op artikel 3.5d, zesde lid, zijn aangepast.
4. Voorts wordt van de gelegenheid gebruik gemaakt om het ontwerpbesluit en de toelichting op een aantal punten te wijzigen, als volgt.
a. Artikel 2.42, tweede lid, onder b, is gewijzigd en de onderdelen d en e van artikel 3.5a zijn samengevoegd tot een nieuw onderdeel d. Hiermee is het ontwerpbesluit in overeenstemming gebracht met het besluit van 17 december 2002 tot wijziging van het Arbeidsomstandighedenbesluit (veiligheid en gezondheid van werknemers in de mijnbouwsector; werken onder overdruk en enige andere wijzigingen), Stb. 652. Bij dit besluit zijn de bepalingen op het terrein van de arbeidsomstandigheden die waren opgenomen in het inmiddels vervallen Mijnreglement 1964 en het Mijnreglement continentaal plat overgeheveld naar het Arbeidsomstandighedenbesluit. Bij voornoemd besluit was verzuimd om in het artikel 2.42 bedoelde veiligheids- en gezondheidsdocument niet alleen te bepalen dat aandacht moet worden besteed aan de maatregelen om te voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 3 (winningsindustrieën) en 3A (winningsindustrieën in dagbouw) van hoofdstuk 3, maar ook aan de maatregelen om te voldoen aan de voorschriften van de afdelingen 3B (ondergrondse winningsindustrieën) en 3C (winningsindustrieën met behulp van boringen) van hoofdstuk 3. Deze omissie is hersteld. Paragraaf 1.2 van het algemeen deel van de nota van toelichting en de toelichting op de artikelen 2.42 en 3.5a zijn hiermee in overeenstemming gebracht.
b. Artikel 3.5e, onderdeel b, is omwille van de duidelijkheid en handhaafbaarheid aangevuld in die zin dat het risico, waaraan in dit onderdeel wordt gerefereerd, moet blijken uit de risico-inventarisatie en -evaluatie, bedoeld in artikel 3.5c, eerste lid. Het grootst mogelijke risico op basis van deze beoordeling vormt het uitgangspunt voor het treffen van veiligheidsmaatregelen wanneer een explosieve atmosfeer meerdere soorten ontvlambare of brandbare gassen, dampen, nevels of stoffen bevat. Ook de toelichting is op dit punt aangevuld.
c. Bij de opstelling van het ontwerpbesluit werd aangenomen dat het besluit in werking kon treden ruim voor de datum waarop uiterlijk de richtlijn moet zijn geïmplementeerd, zijnde 30 juni 2003. Dit was de reden om in artikel II te bepalen dat het besluit in werking treedt met ingang van de eerste dag van de tweede kalendermaand na de datum van uitgifte van het Staatsblad waarin zij wordt geplaatst. Hiermee werd twee maanden gegeven aan belanghebbenden om zich op het besluit voor te bereiden. Aangezien de tijd gelegen tussen het moment van publicatie en 30 juni 2003 betrekkelijk kort zal zijn, is ervoor gekozen om het besluit op de laatstgenoemde datum in werking te laten treden. Dit brengt met zich mee dat belanghebbenden een vergelijkbare termijn wordt gegeven als het oorspronkelijke artikel II. Artikel II en de toelichting hierop zijn dienovereenkomstig gewijzigd.
Ik moge U hierbij het gewijzigde ontwerpbesluit en de gewijzigde nota van toelichting doen toekomen en U verzoeken overeenkomstig dit ontwerp te besluiten.
De Staatssecretaris voor Sociale Zaken en Werkgelegenheid
(1) Aanwijzing 344 van de Aanwijzingen voor de regelgeving.
(2) Nota van toelichting, Paragraaf 1.4.1 Bedrijfseffectentoets, derde tekstblok.