Uitspraak 200300398/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2003:AN7450
- Datum uitspraak
- 20 januari 2003
- Eerste aanleg - enkelvoudig
- Kieswet
Toon inhoud
200300398/1.
Datum uitspraak: 20 januari 2003
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Proces-verbaal van mondelinge uitspraak (artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[appellante], wonend te [woonplaats] (Duitsland),
en
de burgemeester van Den Haag,
verweerder.
Op of omstreeks 13 januari 2003 heeft verweerder appellante bericht dat aan haar geen tweede kiezerspas zal worden verstrekt.
Bij brief van 13 januari 2003 heeft appellante de voorzieningenrechter van de rechtbank te 's-Gravenhage (hierna: de voorzieningenrechter) verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
Bij brief van 17 januari 2003 heeft appellante tegen de weigering haar een tweede kiezerspas te verstrekken een bezwaarschrift ingediend.
Op 20 januari 2003 heeft de voorzieningenrechter het verzoek doorgezonden aan de Afdeling.
De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 20 januari 2003, waar appellante, in persoon, bijgestaan door haar [echtgenoot], en verweerder, vertegenwoordigd door mr. M. Hertogs, zijn verschenen.
De Afdeling heeft:
I. het beroep gegrond verklaard;
II. het besluit van verweerder, om aan appellante geen tweede kiezerspas te verstrekken, vernietigd;
III. gelast dat aan appellante alsnog een kiezerspas wordt verstrekt;
IV. verweerder veroordeeld in de door appellante in verband met de behandeling van het beroep gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 47,95; het bedrag dient door de gemeente Den Haag aan appellante te worden betaald;
V. gelast dat de gemeente Den Haag aan appellante het door haar voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht
(€ 109,00) vergoedt.
Daartoe heeft zij het volgende overwogen.
Gelet op het bepaalde in de artikelen K8 en D9, tweede lid, van de Kieswet wordt het door appellante ingediende bezwaarschrift aangemerkt als een beroepschrift.
Niet in geschil is dat appellante overeenkomstig de artikelen K6 en K7 van de Kieswet een verzoek heeft gedaan om aan de stemming te kunnen deelnemen in een stembureau van haar keuze en dat geen van de gronden waarop dit verzoek kan worden afgewezen zich voordoet. Vast staat verder, dat de kiezerspas eind december 2002 door verweerder per gewone post aan appellante is toegezonden. Appellante stelt evenwel de kiezerspas niet te hebben ontvangen.
Op grond van artikel K4, eerste lid, van de Kieswet wordt aan de kiezer als bewijs dat aan zijn verzoek is voldaan een verklaring verstrekt, genaamd kiezerspas. Onder "verstrekken" dient volgens Van Dale's Groot woordenboek der Nederlandse taal te worden verstaan: "uitreiken aan, bezorgen of verschaffen". Van het verstrekken van een kiezerspas, als bedoeld in artikel K4 van de Kieswet is, gelet hierop, pas sprake indien de kiezer daadwerkelijk de beschikking over de kiezerspas heeft gekregen. Indien, zoals in het onderhavige geval, de kiezer buiten Nederland woonachtig is en de kiezerspas per post is verzonden, is deze verstrekt, indien en voor zover kan worden aangetoond dat bezorging ervan door het postbedrijf heeft plaatsgevonden.
Het is het democratisch recht van iedere kiezer om binnen de mogelijkheden die de Kieswet biedt aan de verkiezingen te kunnen deelnemen. Dat als gevolg van de uitleg van verstrekken, als hiervoor bedoeld, voor de gemeenten hogere kosten in verband met de verkiezingen zouden kunnen ontstaan, als ook dat - zoals door verweerder betoogd - het niet kan worden uitgesloten dat door deze uitleg frauduleus handelen zou kunnen ontstaan - geeft geen aanleiding voor een ander oordeel. Hierbij is mede in aanmerking genomen, dat misbruik van kiezerspassen kan worden beperkt door van de kiezers te verlangen dat zij van hun identiteit doen blijken. Artikel J24, tweede lid, van de Kieswet biedt daarvoor een wettelijke grondslag.
Als gevolg van de door verweerder gekozen wijze van verzending, kan niet worden aangetoond of ook maar aannemelijk worden gemaakt dat de kiezerspas door het postbedrijf aan appellante dan wel op het door haar in het verzoek aangegeven adres is bezorgd of aangeboden. Dit betekent dat aan appellante geen kiezerspas is verstrekt, zodat artikel K4, derde lid, van de Kieswet - anders dan verweerder meent - niet aan inwilliging het verzoek van appellante om afgifte van een kiezerspas in de weg staat.
Verweerder dient in de proceskosten te worden veroordeeld.
Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:67 van de Algemene wet bestuursrecht door mr. J.H.B. van der Meer, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. O. van Loon, ambtenaar van Staat.
w.g. Van der Meer w.g. Van Loon
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat