Uitspraak 200504465/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:8
- Datum uitspraak
- 14 juli 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 9 november 2004 heeft verweerder een verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van Schutterij St. Cornelius op het adres Ittervoorterweg 70h te Weert, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200504465/2.
Datum uitspraak: 14 juli 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Weert,
en
het college van burgemeester en wethouders van Weert,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 9 november 2004 heeft verweerder een verzoek van verzoeker om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen met betrekking tot de inrichting van Schutterij St. Cornelius op het adres Ittervoorterweg 70h te Weert, afgewezen.
Bij besluit van 26 april 2005, verzonden op 2 mei 2005, heeft verweerder het hiertegen gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bij brief van 23 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.
Bij brief van 23 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op dezelfde datum, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 4 juli 2005, waar verzoeker in persoon, en verweerder, vertegenwoordigd door J. Truijen, ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.
Voorts is vergunninghoudster, vertegenwoordigd door L. Stals, gemachtigde, daar gehoord.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Op 1 juli 2005 zijn de Wet uniforme openbare voorbereidingsprocedure Awb (wet van 24 juni 2002, Stb. 54) en de Aanpassingswet uniforme voorbereidingsprocedure Awb (wet van 26 mei 2005, Stb. 282) in werking getreden. Uit het daarbij behorende overgangsrecht volgt dat het recht, zoals dat gold vóór de inwerkingtreding van deze wetten, op dit geding van toepassing blijft.
2.3. Verzoeker heeft om toepassing van bestuurlijke handhavingsmiddelen verzocht omdat de inrichting niet in werking is overeenkomstig de bij besluit van 16 februari 1982 krachtens de Hinderwet verleende vergunning. Hij voert hiertoe aan dat de bomen en de daarbij behorende oplegsteunen voor de buksen zijn verplaatst ten opzichte van de situatie die destijds is aangevraagd en vergund. Daarnaast voert hij aan dat niet wordt voldaan aan voorschrift 6 waarin is bepaald dat de schietboom uit hout moet zijn vervaardigd en aan de voorzijde niet met metaal mag zijn beslagen.
2.3.1. Niet in geschil is dat is gehandeld in strijd met de bij besluit van 16 februari 1982 krachtens de Hinderwet verleende vergunning, op de door verzoeker aangegeven punten, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag het bestuursorgaan weigeren, dit te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.3.2. Zoals de Voorzitter reeds heeft overwogen in zijn uitspraak van heden in zaak no. 200505134/2 heeft verweerder ter zitting aannemelijk gemaakt dat op zeer korte termijn een definitief besluit zal worden genomen waarbij aan de Hinderwetvergunning nieuwe voorschriften zullen worden verbonden. Gebleken is dat dit besluit er in voorziet dat de aangevoerde strijd met de Hinderwetvergunning wordt opgeheven. Gelet hierop is er naar het oordeel van de Voorzitter geen onverwijlde spoed die, gelet op de betrokken belangen, het treffen van een voorlopige voorziening rechtvaardigt.
2.4. De Voorzitter wijst het verzoek af.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. F.G. van Dam, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Van Dam
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2005
441.