Uitspraak 200504306/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2005:10
- Datum uitspraak
- 23 juni 2005
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 mei 2005, kenmerk GB/2005-083, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd vanwege het overtreden van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) met betrekking tot de [snackbar] aan de [locatie] te [plaats]. De dwangsom is vastgesteld op € 1.150,00 per geconstateerde overtreding. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 23.000,00.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200504306/1.
Datum uitspraak: 23 juni 2005
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
PROCES-VERBAAL van de mondelinge uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te [woonplaats],
en
het college van burgemeester en wethouders van Maasdonk,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 4 mei 2005, kenmerk GB/2005-083, heeft verweerder aan verzoeker een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd vanwege het overtreden van voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) met betrekking tot de [snackbar] aan de [locatie] te [plaats]. De dwangsom is vastgesteld op € 1.150,00 per geconstateerde overtreding. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 23.000,00.
Tegen dit besluit heeft verzoeker bezwaar gemaakt. Bij brief van 13 mei 2005, bij de Raad van State ingekomen op 17 mei 2005, heeft verzoeker de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 23 juni 2005, waar verweerder, vertegenwoordigd door ing. G.M. den Brok, ambtenaar van de gemeente, is verschenen.
De Voorzitter heeft het verzoek afgewezen.
Daartoe heeft hij het volgende overwogen.
Niet bestreden is dat voorschrift 1.1.1 van de bijlage bij het Besluit (hierna: voorschrift 1.1.1) is overtreden, zodat verweerder bevoegd was tot het opleggen van een last onder dwangsom.
Verzoeker heeft - kort weergegeven - aangevoerd dat hij eerst nadat verweerder op basis van een door hem ingediend gewijzigd bouwplan voor zijn inrichting een bouwvergunning zal hebben verleend en het daarvoor benodigde besluit tot het verlenen van vrijstelling als bedoeld in artikel 19 van de Wet op de Ruimtelijke Ordening heeft genomen, zal kunnen overgaan tot het treffen van de voorzieningen waarmee de overtreding van voorschrift 1.1.1 kan worden beëindigd.
Naar het oordeel van de Voorzitter is er geen sprake van een rechtstreeks verband tussen de aangevraagde bouwvergunning en de overtreding van voorschrift 1.1.1. In dit verband wijst de Voorzitter er op dat de bestreden last onder dwangsom ziet op het beëindigen van de overtreding van dit voorschrift en niet op het treffen van voorzieningen. In hetgeen verzoeker heeft aangevoerd, ziet de Voorzitter geen aanleiding voor het oordeel dat niet ook zonder het treffen van voorzieningen aan voorschrift 1.1.1 kan worden voldaan, bijvoorbeeld door een aangepaste exploitatie van de inrichting.
Gelet op het vorenstaande ziet de Voorzitter geen grond voor het oordeel dat verweerder, bij afweging van de betrokken belangen, niet in redelijkheid van zijn bevoegdheid tot het opleggen van een last onder dwangsom gebruik heeft kunnen maken.
De Voorzitter wijst het verzoek af.
Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
Uitgesproken in het openbaar overeenkomstig artikel 8:84 van de Algemene wet bestuursrecht door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. P.A. de Vink, ambtenaar van Staat.
w.g. Konijnenbelt Voorzitter
w.g. De Vink ambtenaar van Staat
154-492.