Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200405745/1

Uitspraak 200405745/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2005:AT5698
Datum uitspraak
18 mei 2005
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 18 mei 2004, kenmerk 02.1890, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de stichting "Stichting Museum Buurt Spoorweg" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een spoorwegemplacement met een zogenoemd levend spoorwegmuseum, gelegen op het perceel Stationsstraat 3 te Haaksbergen, kadastraal bekend gemeente Haaksbergen, sectie K, nummer 4914. Dit besluit is op 28 mei 2004 ter inzage gelegd.
  • Eerste aanleg - meervoudig
  • Milieu - Overige

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200405745/1.
Datum uitspraak: 18 mei 2005

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak in het geding tussen:

1. [appellant sub 1], wonend te [woonplaats],
2. [appellanten sub 2], wonend te [woonplaats],

en

het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen,
verweerder.

1. Procesverloop

Bij besluit van 18 mei 2004, kenmerk 02.1890, heeft verweerder krachtens de Wet milieubeheer aan de stichting "Stichting Museum Buurt Spoorweg" een revisievergunning als geregeld in artikel 8.4, eerste lid, van deze wet verleend voor een spoorwegemplacement met een zogenoemd levend spoorwegmuseum, gelegen op het perceel Stationsstraat 3 te Haaksbergen, kadastraal bekend gemeente Haaksbergen, sectie K, nummer 4914. Dit besluit is op 28 mei 2004 ter inzage gelegd.

Tegen dit besluit hebben appellant sub 1 bij brief van 7 juli 2004, bij de Raad van State ingekomen op 9 juli 2004, en appellanten sub 2 bij brief van 8 juli 2004, bij de Raad van State per faxbericht ingekomen op dezelfde datum, beroep ingesteld.

Bij brief van 8 september 2004 heeft verweerder een verweerschrift ingediend.

De Stichting Advisering Bestuursrechtspraak voor Milieu en Ruimtelijke Ordening heeft een deskundigenbericht uitgebracht, gedateerd 25 januari 2005. Partijen zijn in de gelegenheid gesteld daarop te reageren.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 april 2005, waar appellant sub 1 in persoon, appellanten sub 2 in persoon en vertegenwoordigd door mr. I.J. Verbaan, gemachtigde, en verweerder, vertegenwoordigd door H. Richters en V. Jager, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen. Voorts is daar gehoord vergunninghoudster, vertegenwoordigd door mr. M. Lenderink, gemachtigde.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 20.6, tweede lid, van de Wet milieubeheer kan tegen een besluit als het onderhavige beroep worden ingesteld door:

a. degenen die bedenkingen hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit;

b. de adviseurs die gebruik hebben gemaakt van de gelegenheid advies uit te brengen over het ontwerp van het besluit;

c. degenen die bedenkingen hebben tegen wijzigingen die bij het nemen van het besluit ten opzichte van het ontwerp daarvan zijn aangebracht;

d. belanghebbenden aan wie redelijkerwijs niet kan worden verweten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit.

Appellanten sub 2 hebben de gronden inzake storing in de tv-ontvangst en stroomuitval niet als bedenkingen tegen het ontwerp van het besluit ingebracht. Verder is het bepaalde onder b en c hier niet van toepassing. Niet is gebleken van omstandigheden op grond waarvan appellanten sub 2 redelijkerwijs niet kan worden verweten op deze punten geen bedenkingen te hebben ingebracht tegen het ontwerp van het besluit. Uit het vorenstaande volgt dat het beroep van appellanten sub 2 in zoverre niet-ontvankelijk is.
2.2. Appellanten sub 2 stellen dat het Besluit horeca-, sport- en recreatie-inrichtingen milieubeheer (hierna: het Besluit) mogelijk van toepassing is. Verweerder heeft huns inziens onvoldoende onderbouwd dat het Besluit niet van toepassing is op de inrichting, nu er veelvuldig horeca-activiteiten plaatsvinden en een restaurant aanwezig is.

2.2.1. Het spoorwegmuseum betreft een inrichting die blijkens de aanvraag, kort weergegeven, uitsluitend of in hoofdzaak bestemd is voor recreatief dagverblijf als bedoeld in artikel 2, eerste lid, aanhef en onder d, sub 1, van het Besluit. In artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b, van het Besluit is echter bepaald, voorzover hier van belang, dat het Besluit niet van toepassing is op een inrichting als bedoeld in artikel 2, indien in de inrichting of een onderdeel daarvan een of meer installaties of voorzieningen aanwezig zijn die kunnen worden gebruikt voor het verstoken of verbranden van andere brandstoffen dan aardgas, propaangas, butaangas of gasolie. De stoomtreinen, die worden opgestookt met schoon hout en vervolgens met kolen worden gestookt, moeten worden aangemerkt als installaties als bedoeld in artikel 3, eerste lid, aanhef en onder b. Verweerder heeft dan ook terecht het Besluit niet van toepassing geacht en de inrichting vergunningplichtig geoordeeld.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.3. Artikel 8.10, eerste lid, van de Wet milieubeheer bepaalt dat de vergunning slechts in het belang van de bescherming van het milieu kan worden geweigerd. Ingevolge artikel 8.11, tweede lid, kan een vergunning in het belang van de bescherming van het milieu onder beperkingen worden verleend. Ingevolge het derde lid van dit artikel worden aan een vergunning de voorschriften verbonden die nodig zijn ter bescherming van het milieu. Voorzover door het verbinden van voorschriften aan de vergunning de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken, niet kunnen worden voorkomen, worden aan de vergunning de voorschriften verbonden, die de grootst mogelijke bescherming bieden tegen die gevolgen, tenzij dat redelijkerwijs niet kan worden gevergd.

Hieruit volgt dat de vergunning moet worden geweigerd, indien de nadelige gevolgen die de inrichting voor het milieu kan veroorzaken door het stellen van voorschriften en beperkingen niet kunnen worden voorkomen dan wel niet voldoende kunnen worden beperkt.

Bij de toepassing van de artikelen 8.10, eerste lid, en 8.11 van de Wet milieubeheer komt verweerder een zekere beoordelingsvrijheid toe, die haar begrenzing onder meer vindt in hetgeen voortvloeit uit de meest recente algemeen aanvaarde milieutechnische inzichten.

2.4. Appellant sub 1 stelt dat in de vergunning ten onrechte geen voorschriften zijn opgenomen met betrekking tot stof- en geurhinder veroorzaakt door het opstoken van stoomlocomotieven, terwijl in de oprichtingsvergunning uit 1988 een afzuig- en filterinstallatie was voorgeschreven waaronder de stoomlocomotieven moesten worden opgestookt. Het niet opnemen van voorschriften acht appellant sub 1 ook in strijd met afspraken op Europees niveau dat de uitstoot van onder meer zwavel moet worden teruggedrongen.

2.4.1. Verweerder acht de in de aanvraag opgenomen maatregelen afdoende om stof- en geurhinder tegen te gaan, zodat het stellen van (nadere) voorschriften terzake niet nodig is.

2.4.2. Blijkens het dictum van het bestreden besluit en het daaraan verbonden voorschrift 2.1.1 maakt het aanvraagformulier met de daarbij behorende tekeningen en overige bijlagen deel uit van de vergunning. Vergunninghoudster is derhalve gehouden de daarin opgenomen maatregelen te treffen. In de aanvraag worden de volgende maatregelen ter beperking van de emissie van rookgas en stof genoemd:

1. De locomotieven worden bij de ingang van de locomotievenloods op stoom gebracht. Boven de rookgasafvoer van de locomotief wordt een afzuigkap aangebracht die is aangesloten op een schoorsteenkanaal. Die pijp mondt, volgens bijlage III van de vergunningaanvraag, uit 15 meter boven maaiveld.

2. Indien de wind in de richting van de Goorsestraat/Lansinkstraat staat, wordt de locomotief enkele honderden meters noordelijker opgestookt.

3. Er wordt opgestookt met droog en schoon hout. Kort voor vertrek wordt overgegaan op kolen.

4. Het zwavelgehalte van de kolen is maximaal 0,3%.

5. Bij het opstoken worden per keer kleine hoeveelheden hout en later kolen op het vuur gegooid (‘dun vuur’).

6. Als de stoomketel op stoom is, gaat onmiddellijk de aanjager aan om de vrijkomende rook zo veel mogelijk te verdunnen.

Blijkens de aanvraag en het verhandelde ter zitting duurt het in de loods opstoken van een locomotief, afhankelijk van de grootte van de stoomketel, 3 tot 6 uur, en gemiddeld ongeveer 4 uur.

2.4.3. Voorzover verweerder betoogt dat het, nu aan het Besluit luchtkwaliteit wordt voldaan, niet nodig is om (nadere) voorschriften te stellen ter voorkoming of afdoende beperking van stofhinder, constateert de Afdeling dat, wat van deze stelling ook zij, het Besluit luchtkwaliteit grenswaarden bevat voor fijn stof (zwevende deeltjes: PM10), maar geen betrekking heeft op grotere stofdeeltjes. Het Besluit luchtkwaliteit kan derhalve in zoverre niet worden gebruikt ter motivering van het bestreden besluit.
Ter staving van zijn standpunt dat het stellen van (nadere) voorschriften niet nodig is om stofhinder te voorkomen of afdoende te beperken, verwijst verweerder verder naar een onderzoek van ProMonitoring uit 1995. Blijkens het onderzoeksrapport bedraagt de stofemissie van een stoomlocomotief 110 mg/m3. In het rapport wordt geconcludeerd dat de stofemissie uit de schoorsteen van een stoomlocomotief (0,09 kg/uur) lager is dan de grensmassastroom waarboven in de Nederlandse emissierichtlijn lucht (hierna: NeR) wordt geadviseerd om emissiebeperkende maatregelen te treffen (0,10 kg/uur). Dat was destijds juist. Ten tijde van het nemen van het bestreden besluit werd in paragraaf 3.2.2 van de NeR, anders dan waarvan verweerder is uitgegaan, echter geadviseerd om ook voor stofemissievrachten kleiner dan 0,20 kg/uur een emissiegrenswaarde te hanteren. De Afdeling acht voorts van belang dat op grond van de voor de onderhavige inrichting in 1988 krachtens de Hinderwet verleende oprichtingsvergunning een stoffilterinstallatie was voorgeschreven en een emissie-eis van maximaal 25 mg/m3 stof gold. Verweerder heeft niet gemotiveerd waarom thans met het bieden van een lager beschermingsniveau kan worden volstaan.

Gelet op het vorenstaande is het bestreden besluit wat het aspect stofhinder betreft in strijd met artikel 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht, dat bepaalt dat een besluit dient te berusten op een deugdelijke motivering.

2.4.4. Wat de van het opstoken van de stoomlocomotieven te duchten geurhinder betreft, is de Afdeling van oordeel dat verweerder zich in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de op grond van de aanvraag te treffen maatregelen voldoende zijn om geurhinder te voorkomen dan wel afdoende te beperken. Hierbij is met name van belang dat het vuur klein wordt gehouden, dat schoon en droog hout wordt gebruikt zodat een zo volledig mogelijke verbranding plaatsvindt, dat het rookgas via de 15 meter hoge schoorsteen wordt geëmitteerd zodat verdunning plaatsvindt en dat bij een ongunstige windrichting de locomotief enkele honderden meters noordelijker wordt opgestookt. Het beroep van appellant sub 1 treft in zoverre geen doel.

2.4.5. Wat de uitstoot van zwavel betreft, overweegt de Afdeling dat het op grond van het Besluit zwavelgehalte brandstoffen verboden is brandstoffen te gebruiken met een zwavelgehalte van meer dan 1,2%. Aangevraagd en vergund zijn kolen met een zwavelgehalte van 0,3%. Aan de genoemde norm wordt dus voldaan. Het beroep van appellant sub 1 treft in zoverre geen doel.

2.5. Appellanten sub 2 stellen geluidoverlast te ondervinden van het gebruik van het buffetgedeelte van en van horeca-activiteiten in het stationsgebouw, welke activiteiten ook regelmatig plaatsvinden op het perron. Hun woning is door verweerder ten onrechte aangemerkt als bedrijfswoning en aldus ten onrechte buiten beschouwing gelaten in het akoestisch onderzoek, zo stellen appellanten sub 2.

2.5.1. Blijkens de stukken kunnen bij het buffet in het stationsgebouw koffie, thee, frisdranken en broodjes worden besteld. Het bereiden van (warme) maaltijden voor bezoekers is niet aangevraagd. Voorzover appellanten sub 2 klagen over geluidoverlast van horeca-activiteiten die worden verricht na 23.00 uur en van grootschalige feesten en partijen op het perron, overweegt de Afdeling dat deze activiteiten zijn aangevraagd noch vergund. Deze activiteiten mogen derhalve op grond van de onderhavige vergunning niet plaatsvinden. Voorzover appellanten sub 2 vrezen dat de aan de vergunning verbonden voorschriften niet worden nageleefd, heeft deze beroepsgrond geen betrekking op de rechtmatigheid van de ter beoordeling staande vergunning en kan hij om die reden niet slagen. De Algemene wet bestuursrecht voorziet overigens in de mogelijkheid tot het treffen van maatregelen die strekken tot het afdwingen van de naleving van de voorschriften die aan de vergunning zijn verbonden.

De woning van appellanten sub 2 is een voormalige bedrijfswoning, gelegen op de bovenverdieping van het stationsgebouw. Eén van appellanten sub 2, de heer N. Spit, heeft tot eind 1995 gewerkt in dienst van vergunninghoudster. In het kader van dit dienstverband is hij door vergunninghoudster in de gelegenheid gesteld om de woning te huren. Onder deze omstandigheden heeft de woning een zodanige betrokkenheid bij de inrichting dat deze om die reden tot de sfeer van de inrichting kan worden gerekend. Gelet hierop heeft verweerder zich in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de woning van appellanten sub 2 geen bescherming tegen geluidhinder behoeft en in het akoestisch rapport buiten beschouwing mocht worden gelaten. Overigens wordt het bij de woning optredende geluidniveau vanwege de inrichting begrensd door de in de vergunning opgenomen geluidgrenswaarden voor andere geluidgevoelige objecten in de omgeving van de inrichting.

Het beroep van appellanten sub 2 is in zoverre ongegrond.

2.6. Appellanten sub 2 stellen stankoverlast van etensluchten en tabakslucht te ondervinden. De dampen die vrijkomen bij het bereiden van voedsel zouden moeten worden afgezogen.

2.6.1. Volgens verweerder worden er in de keuken van het stationsgebouw geen maaltijden klaargemaakt en geldt er in dat gebouw een algeheel rookverbod.

2.6.2. In het deskundigenbericht wordt gesteld dat het rookverbod in het gebouw duidelijk is aangegeven. Gelet op de aard van de vergunde activiteiten en op de aard van hun woning heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat niet voor zodanige geurhinder van etensluchten en tabakslucht voor appellanten sub 2 hoeft te worden gevreesd dat de vergunning niet mocht worden verleend.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.7. Appellanten sub 2 stellen dat regelmatig vóór de toegangsdeur van hun woning wordt geparkeerd. Zij stellen voorts dat voorschriften moeten worden opgenomen ter voorkoming van parkeeroverlast, nu het aantal bezoekers zal toenemen.

2.7.1. De Afdeling stelt voorop dat uit de aanvraag blijkt dat de op het terrein van de inrichting aanwezige parkeerplaatsen alleen mogen worden gebruikt door het personeel, niet door bezoekers. In het deskundigenbericht wordt gesteld dat alleen leveranciers in de nabijheid van de woning van appellanten sub 2 kunnen parkeren, omdat alleen zij de aldaar aanwezige paaltjes met behulp van een sleutel kunnen verwijderen. Volgens het deskundigenbericht vindt het laden en lossen van goederen twee keer per maand plaats. Appellanten sub 2 hebben dit niet betwist. Gelet op het vorenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de Afdeling in redelijkheid op het standpunt kunnen stellen dat de door appellanten sub 2 ondervonden parkeeroverlast in voldoende mate is beperkt.

Het beroep van appellanten sub 2 is in zoverre ongegrond.

2.8. Wat het aspect van brandveiligheid betreft, hebben appellanten sub 2 zich in het beroepschrift beperkt tot het verwijzen naar de tegen het ontwerp van het besluit ingebrachte bedenkingen. In de considerans van het bestreden besluit is verweerder kort ingegaan op deze bedenkingen. De Afdeling stelt verder vast dat aan de vergunning diverse voorschriften zijn verbonden met betrekking tot brandpreventie. Appellanten sub 2 hebben in het beroepschrift noch ter zitting redenen aangevoerd waarom deze voorschriften niet afdoende zouden zijn. Dit is ook overigens niet gebleken.

Deze beroepsgrond treft geen doel.

2.9. Het beroep van appellant sub 1 is gegrond. Nu het aspect van stofhinder mede bepalend is voor de vraag of verweerder de vergunning had mogen verlenen, dient het besluit geheel te worden vernietigd. Het beroep van appellanten sub 2 is ongegrond.

2.10. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten van appellant sub 1 te worden veroordeeld. Voor een proceskostenveroordeling ten aanzien van appellanten sub 2 bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

I. verklaart het beroep van appellanten sub 2 niet-ontvankelijk voorzover het de gronden inzake storing in de tv-ontvangst en stroomuitval betreft;

II. verklaart het beroep van appellant sub 1 gegrond;

III. vernietigt het besluit van het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen van 18 mei 2004, kenmerk 02.1890;

IV. verklaart het beroep van appellanten sub 2, voorzover ontvankelijk, ongegrond;

V. veroordeelt het college van burgemeester en wethouders van Haaksbergen tot vergoeding van bij appellant sub 1 in verband met de behandeling van het beroep opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 137,01 (zegge: honderdzevenendertig euro en één cent); het bedrag dient door de gemeente Haaksbergen aan appellant sub 1 onder vermelding van het zaaknummer te worden betaald;

VI. gelast dat de gemeente Haaksbergen aan appellant sub 1 het door hem voor de behandeling van het beroep betaalde griffierecht ten bedrage van € 136,00 (zegge: honderdzesendertig euro) vergoedt.

Aldus vastgesteld door mr. W. Konijnenbelt, Voorzitter, en mr. S.F.M. Wortmann en mr. J.H. van Kreveld, Leden, in tegenwoordigheid van mr. R. van Heusden, ambtenaar van Staat.

w.g. Konijnenbelt w.g. Van Heusden
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 mei 2005

163-442.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon