Uitspraak 200406402/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AR7708
- Datum uitspraak
- 19 november 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 19 november 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
- Hoger beroep
- Asiel
Toon inhoud
200406402/1.
Datum uitspraak: 19 november 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht op het hoger beroep van:
[appellant],
tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen, van 12 juli 2004 in het geding tussen:
appellant
en
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie.
1. Procesverloop
Bij besluit van 19 november 2002 heeft de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie (hierna: de minister) een aanvraag van appellant om hem een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen afgewezen.
Bij besluit van 11 december 2003 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 12 juli 2004, verzonden op 21 juli 2004, heeft de rechtbank ’s-Gravenhage, nevenzittingsplaats Zutphen (hierna: de rechtbank), het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State binnengekomen op 27 juli 2004, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.
Bij brief van 16 augustus 2004 heeft de minister een reactie ingediend.
Vervolgens is het onderzoek gesloten.
2. Overwegingen
2.1. In de eerste grief klaagt appellant dat de rechtbank, door te overwegen dat de minister hem heeft mogen tegenwerpen dat hij en zijn partner niet samenwonen en dat hij zijn stelling in bezwaar dat hij zich niet op het woonadres van zijn partner kon inschrijven, omdat hij in een inrichting voor jeugdigen verblijft en niet over een verblijfsvergunning beschikt, niet met objectieve gegevens heeft gestaafd, heeft miskend dat de minister ten onrechte geen gebruik heeft gemaakt van zijn aanbod het bewijs van die stelling te leveren.
2.1.1. Nu uit het besluit van 11 december 2003 niet blijkt dat de minister de bedoelde stelling in twijfel heeft getrokken, is de rechtbank, door te overwegen dat appellant die stelling niet met objectieve gegevens heeft gestaafd, buiten de grenzen van het geschil getreden. Dat kan echter niet tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden, nu de rechtbank terecht heeft overwogen dat de minister heeft mogen weigeren appellant een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd voor gezinsvorming te verlenen, omdat appellant en degene bij wie hij als gezinslid verblijf beoogt niet samenwonen en zij geen gemeenschappelijke huishouding voeren. Dat zulks voor appellant, naar deze stelt, niet mogelijk is als gevolg van de hem opgelegde strafrechtelijke maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen, brengt niet mee dat de minister niet onverkort aan het volgens onderdeel B2/4.10 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (hierna: de Vc 2000) ter zake gevoerde beleid mocht vasthouden. De grief faalt.
2.2. In de vierde grief klaagt appellant dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen dat de minister op goede gronden heeft geweigerd hem met toepassing van artikel 3.4, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (hierna: het Vb 2000) een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verlenen onder een beperking, verband houdend met klemmende redenen van humanitaire aard. Daartoe betoogt hij onder meer dat de rechtbank met haar verwijzing naar onderdeel B1/5.6 van de Vc 2000 heeft miskend dat artikel 13 van de Vreemdelingenwet 2000 (hierna: de Vw 2000) de mogelijkheid biedt tot het verlenen van een verblijfsvergunning, indien klemmende redenen van humanitaire aard daartoe nopen.
2.2.1. In de toelichting bij voormelde bepaling is het volgende opgemerkt: “Wij stellen daarom bij nota van wijziging voor om een algemene bepaling in het voorstel op te nemen waarin de drie zogeheten pijlers van het vreemdelingenrecht worden neergelegd. Deze bepaling zal erin voorzien dat een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning slechts wordt verleend indien (1) internationaalrechtelijke verplichtingen daartoe nopen, (2) met het verblijf van de vreemdeling een wezenlijk Nederlands belang is gediend of (3) als er sprake is van klemmende redenen van humanitaire aard.
(…)
In het stelsel van de wet wordt een vergunning voor bepaalde tijd regulier steeds onder een beperking verleend. De beperking houdt verband met het doel waarvoor verblijf is toegestaan (artikel 13, tweede lid). Beperkingen of doelen van verblijf zijn bijvoorbeeld gezinshereniging, studie en arbeid.”
(Kamerstukken II, 1999-2000, 26 732, nr. 7, p. 24-25).
In de toelichting bij de bepaling waarnaar in dit citaat is verwezen, thans artikel 14 van de Vw 2000, is het volgende opgemerkt:
“(…) In de huidige wet kan een vergunning tot verblijf zonder beperking worden verleend om humanitaire gronden. In de meeste gevallen wordt deze vergunning verstrekt aan asielzoekers van wie de uitzetting in strijd zou zijn met internationale verplichtingen (EVRM, Verdrag tegen foltering) en indien sprake is van trauma’s die gerelateerd zijn aan het asielrelaas. Nu in het wetsvoorstel in de bedoelde gevallen een verblijfsvergunning op asielgronden zal worden verleend, bestaat er op dit punt geen reden meer om in de nieuwe wet te suggereren dat het verbinden van beperkingen aan de verblijfsvergunning achterwege blijven. Verder wordt met deze wijziging een belangrijk uitgangspunt van regulier toelatingsbeleid wettelijk vastgelegd. De hoofdregel in het reguliere toelatingsbeleid is immers dat de vergunning onder beperking wordt verleend. Dit omdat het verblijf van een reguliere vreemdeling altijd is verbonden aan een specifiek verblijfsdoel.”
(Kamerstukken II, 1999-2000, 26 732, nr. 3, p. 25).
2.2.2. Uit het stelsel van deze bepalingen, zoals hiervoor toegelicht, volgt dat klemmende redenen van humanitaire aard een van de drie algemene grondslagen is voor mogelijke verlening van een verblijfsvergunning. De ingevolge artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 aan een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd te verbinden beperking betreft een specifiek doel, waarvoor of in verband waarmee de vreemdeling wordt toegelaten. De in artikel 13 van de Vw 2000 vermelde algemene grondslagen zijn derhalve geen verblijfsdoelen maar de gronden, tot één waarvan deze verblijfsvergunning en het in de daaraan verbonden beperking vastgelegde specifieke verblijfsdoel, moet zijn te herleiden.
In artikel 3.4, derde lid, van het Vb 2000 zijn nadere regels vastgesteld over de in artikel 14, tweede lid, van de Vw 2000 bedoelde beperkingen. Ingevolge het derde lid kan de minister een verblijfsvergunning verlenen onder een beperking die niet in het eerste lid is vermeld. Ook daarbij geldt evenwel dat het voormelde stelsel van de wet meebrengt dat de beperking betrekking dient te hebben op een specifiek verblijfsdoel.
De rechtbank heeft derhalve terecht overwogen dat de minister zich op het standpunt heeft mogen stellen dat een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd niet kan worden verleend onder een beperking verband houdende met klemmende redenen van humanitaire aard. De grief faalt.
2.3. Hetgeen voor het overige naar voren is gebracht, kan evenmin tot vernietiging van de aangevallen uitspraak leiden. Omdat het aangevoerde geen vragen opwerpt die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoording behoeven, wordt, gelet op artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000, met dat oordeel volstaan.
2.4. Het hoger beroep is kennelijk ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, zij het met verbetering van de gronden waarop die berust, te worden bevestigd.
2.5. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
bevestigt de aangevallen uitspraak.
Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. M.G.J. Parkins-de Vin en mr. R. van der Spoel, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Loeb w.g. Van Tielraden
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 19 november 2004
156-452.