Uitspraak 200404606/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:11
- Datum uitspraak
- 15 juli 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 26 april 2004, kenmerk 829, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 3.000,00 per dag dat de inrichting van verzoekster op het perceel Rijndijk 156 te Leiden, in strijd met artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer in werking is vanwege het aantal vervoersbewegingen dat op het terrein van de inrichting plaatsvindt. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 12.000,00.
- Voorlopige voorziening
- Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom
Toon inhoud
200404606/1.
Datum uitspraak: 15 juli 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen:
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid "B.V. Fabriek van Diastatische Producten", gevestigd te Leiden,
verzoekster,
en
het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij besluit van 26 april 2004, kenmerk 829, heeft verweerder aan verzoekster een last onder dwangsom als geregeld in artikel 5:32, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht opgelegd. De dwangsom is vastgesteld op € 3.000,00 per dag dat de inrichting van verzoekster op het perceel Rijndijk 156 te Leiden, in strijd met artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer in werking is vanwege het aantal vervoersbewegingen dat op het terrein van de inrichting plaatsvindt. Het maximum waarboven geen dwangsom meer wordt verbeurd is vastgesteld op € 12.000,00.
Tegen dit besluit heeft verzoekster bezwaar gemaakt.
Bij brief van 3 juni 2004, bij de Raad van State ingekomen op 4 juni 2004, heeft verzoekster de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 5 juli 2004, waar verzoekster, vertegenwoordigd door mr. R.C.V. Mans, advocaat te Heerlen, en bijgestaan door E.H.A. de Beer en M.H. Feller, gemachtigden, en verweerder, vertegenwoordigd door A. Burger en G. Distelbrink, ambtenaren van de Milieudienst, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Verweerder heeft bij controlebezoeken geconstateerd dat binnen de inrichting van verzoekster met een trekker wordt gereden zonder dat daarvoor een vergunning is verleend en dat meer vervoersbewegingen met vrachtwagens plaatsvinden dan is toegestaan op grond van de revisievergunning die bij besluit van 27 mei 1994 krachtens de Wet milieubeheer voor de inrichting is verleend. In het bij de aanvraag om die vergunning behorende akoestisch rapport (hierna: het geluidrapport) staat dat over het bedrijfsterrein gedurende de dagperiode (07.00-19.00 uur) maximaal tien vrachtwagens rijden. Dit komt overeen met 20 vervoersbewegingen.
2.2. Verzoekster bestrijdt dat sprake is van een overtreding omdat het maximale aantal vervoersbewegingen niet is neergelegd in een vergunningvoorschrift en het aantal van tien vrachtwagens slechts als rekenkundig uitgangspunt in het geluidrapport is genoemd. Zij voert aan dat niet is aangetoond dat de grenswaarden voor het equivalente geluidniveau die zijn neergelegd in voorschrift B.1.2, verbonden aan de vergunning van 27 mei 1994, worden overschreden. Volgens haar kan een vergunning worden verleend voor het huidige aantal vervoersbewegingen.
2.3. De Voorzitter stelt vast dat de vergunning van 27 mei 1994 is verleend overeenkomstig de aanvraag en dat het geluidrapport deel uitmaakt van de aanvraag. Verweerder mocht naar het oordeel van de Voorzitter uitgaan van hetgeen in de aanvraag is vermeld omtrent de vervoersbewegingen binnen de inrichting. Het rijden met een trekker is niet aangevraagd en het maximale aantal vrachtwagens dat dagelijks op het bedrijfsterrein rijdt is in het geluidrapport gesteld op tien. Onbestreden is dat op bepaalde dagen meer dan 20 vervoersbewegingen op het terrein van de inrichting plaatsvinden en dat daarnaast met een trekker wordt gereden.
2.4. De conclusie is dat is gehandeld in strijd met artikel 8.1, eerste lid, onder b, van de Wet milieubeheer, zodat verweerder terzake handhavend kon optreden.
Gelet op het algemeen belang dat gediend is met handhaving, zal in geval van overtreding van een wettelijk voorschrift het bestuursorgaan dat bevoegd is om met bestuursdwang of een last onder dwangsom op te treden, in de regel van deze bevoegdheid gebruik moeten maken. Slechts onder bijzondere omstandigheden mag van het bestuursorgaan worden gevergd, dit niet te doen. Dit kan zich voordoen indien concreet uitzicht op legalisatie bestaat. Voorts kan handhavend optreden zodanig onevenredig zijn in verhouding tot de daarmee te dienen belangen dat van optreden in die concrete situatie behoort te worden afgezien.
2.5. Uit de stukken en ter zitting is gebleken dat verzoekster op 24 juni 2002 een aanvraag heeft ingediend voor een revisievergunning waarin het aantal vervoersbewegingen is uitgebreid. Deze aanvraag is op 31 maart 2003 aangevuld met een akoestisch rapport. Partijen zijn het, zo is ter zitting gebleken, met name niet eens over de akoestische gevolgen van de vervoersbewegingen.
Verweerder heeft nog geen besluit genomen op de vergunningaanvraag, en daarmee de wettelijke beslistermijn zeer ruim overschreden. Ter zitting heeft verweerder aangegeven dat nu binnen afzienbare tijd op de aanvraag zal worden beslist. Gelet daarop kan ervan worden uitgegaan dat op relatief korte termijn duidelijk wordt of de overtreding door middel van vergunningverlening kan worden gelegaliseerd. De Voorzitter acht het onder de omstandigheden van dit geval aangewezen dat thans geen handhaving plaatsvindt. Daarbij neemt hij mede in aanmerking dat het, daargelaten de vraag of het totale aantal extra vervoersbewegingen kan worden vergund, niet aannemelijk is dat deze bewegingen een dermate grote toename van de geluidbelasting veroorzaken, dat een tijdelijke voortzetting ervan tot een ontoelaatbare situatie zou leiden.
De Voorzitter ziet in het voorgaande aanleiding voor het treffen van een voorlopige voorziening.
2.6. Verweerder dient op na te melden wijze in de proceskosten te worden veroordeeld.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit van het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland van 26 april 2004, kenmerk 829, tot zes weken na de bekendmaking van het besluit op het hiertegen gemaakte bezwaar, met dien verstande dat indien binnen die termijn wordt verzocht om het treffen van een voorlopige voorziening, de schorsing doorloopt totdat op dat verzoek is beslist;
II. veroordeelt het dagelijks bestuur van de Milieudienst West-Holland in de door verzoekster in verband met de behandeling van het verzoek gemaakte proceskosten tot een bedrag van € 644,00, welk bedrag geheel is toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand; het bedrag dient door de Milieudienst West-Holland te worden betaald aan verzoekster;
III. gelast dat de Milieudienst West-Holland aan verzoekster het door haar voor de behandeling van het verzoek betaalde griffierecht (€ 273,00) vergoedt.
Aldus vastgesteld door mr. K. Brink, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. R.G.P. Oudenaller, ambtenaar van Staat.
w.g. Brink w.g. Oudenaller
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 15 juli 2004
179-441.