Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200307909/1

Uitspraak 200307909/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AQ1298
Datum uitspraak
14 juli 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college) besloten om niet handhavend te zullen optreden tegen de permanente bewoning van het gebouwtje op het perceel [locatie] te Rhenen.
  • Hoger beroep
  • Hoger Beroep - Bestuursdwang / Dwangsom

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200307909/1.
Datum uitspraak: 14 juli 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], wonend te Rhenen,

tegen de uitspraak van de rechtbank Utrecht van 8 oktober 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Rhenen.

1. Procesverloop

Bij besluit van 1 oktober 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Rhenen (hierna: het college) besloten om niet handhavend te zullen optreden tegen de permanente bewoning van het gebouwtje op het perceel [locatie] te Rhenen.

Bij besluit van 3 juni 2003 heeft het college het bij brief van
10 oktober 2002 door appellante gemaakte bezwaar niet-ontvankelijk verklaard.

Bij uitspraak van 8 oktober 2003, verzonden op 31 oktober 2003, heeft de rechtbank Utrecht (hierna: de rechtbank) het daartegen ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief van 25 november 2003, bij de Raad van State ingekomen op 26 november 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 9 januari 2004 heeft het college van antwoord gediend.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 7 juni 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door mr. J.F.M. van Erp, advocaat te Oss, en
[gemachtigden], en het college, vertegenwoordigd door mr. J.H.P. Hofs en M.R. Prins, ambtenaren van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge artikel 6:5, eerste lid, onder c, van de Algemene wet bestuursrecht, voorzover hier van belang, bevat het bezwaarschrift tenminste een omschrijving van het besluit waartegen het bezwaar is gericht.

2.2. Met juistheid heeft de rechtbank overwogen, dat het college het bezwaar van appellante terecht niet-ontvankelijk heeft verklaard. Het bezwaar richt zich blijkens de aanhef en de bewoordingen tegen een voornemen om een bouwvergunning ten aanzien van het betrokken perceel te verlenen, zoals gepubliceerd in de Rhenense Betuwekrant van
25 september 2002 en is overeenkomstig de aanwijzingen in die publicatie voorzien van de nadere aanduiding “Inspraak afdeling VROM”, terwijl een bezwaarschrift tegen het besluit van het college van 1 oktober 2002 om niet handhavend op te treden tegen permanente bewoning diende te worden gericht aan het college ter attentie van de commissie bezwaar- en beroepschriften. Van het besluit van 1 oktober 2002 wordt door appelante in het bezwaarschrift van 10 oktober 2002 ook geen gewag gemaakt. Het college is er dan ook terecht van uitgegaan dat dit bezwaarschrift was gericht tegen het voornemen om een bouwvergunning te verlenen. Daaraan doet niet af, dat in het bezwaarschrift tevens wordt verwezen naar correspondentie, waarin appellante de permanente bewoning aan de orde had gesteld, noch dat het college uit anderen hoofde ermee bekend kon zijn dat appellante bezwaar had tegen het gebruik van het betrokken gebouwtje voor al dan niet permanente bewoning.

2.3. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden bevestigd.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. M.G.J. Parkins-de Vin, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. S.W. Schortinghuis, ambtenaar van Staat.

w.g. Parkins-de Vin w.g. Schortinghuis
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 14 juli 2004

66.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon