Ga naar de inhoud
(naar homepage)
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
    • Toespraken vice-president
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200307603/1

Uitspraak 200307603/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AP8328
Datum uitspraak
7 juli 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 2 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van een eetcafé met een serre aan de achtergevel van het pand [locatie] te Leiden (hierna: het bouwplan).
  • Hoger beroep
  • Bouwen

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200307603/1.
Datum uitspraak: 7 juli 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellant], wonend te [woonplaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank 's-Gravenhage van 6 oktober 2003 in het geding tussen:

appellant

en

het college van burgemeester en wethouders van Leiden.

1. Procesverloop

Bij besluit van 2 augustus 2002 heeft het college van burgemeester en wethouders van Leiden (hierna: het college) geweigerd aan appellant vrijstelling en bouwvergunning te verlenen voor het uitbreiden van een eetcafé met een serre aan de achtergevel van het pand [locatie] te Leiden (hierna: het bouwplan).

Bij besluit van 10 februari 2003 heeft het college het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 6 oktober 2003, verzonden op 9 oktober 2003, heeft de rechtbank 's-Gravenhage (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard. Deze uitspraak is aangehecht.

Tegen deze uitspraak heeft appellant bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 17 november 2003, hoger beroep ingesteld. Deze brief is aangehecht.

Bij brief van 15 april 2004 heeft het college van antwoord gediend.

Na afloop van het vooronderzoek zijn nadere stukken ontvangen van appellant. Deze zijn aan het college toegestuurd.

De zaak is door een meervoudige kamer van de Afdeling verwezen naar een enkelvoudige.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 1 juni 2004, waar appellant in persoon, bijgestaan door mr. J.G. Hinnen, advocaat te Noordwijk, en het college, vertegenwoordigd door mr. A. Kooij en W. Boelema, beiden ambtenaar van de gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Ingevolge het bestemmingsplan “Academiewijk” rust op het perceel de bestemming “Openbaar groen”. Niet in geschil is dat het bouwplan daarmee in strijd is.

2.2. Het college heeft blijkens het in de beslissing op bezwaar gehandhaafde besluit van 2 augustus 2002 geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de Wet op de Ruimtelijke Ordening (hierna: WRO) vrijstelling te verlenen voor het bouwplan, omdat het college het niet wenselijk acht een grotere bebouwingsoppervlakte toe te staan aangezien dit ten koste van het “openbaar groen” zou gaan.

2.3. Appellant betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft geoordeeld dat niet kan worden gezegd dat het college bij afweging van de betrokken belangen niet in redelijkheid heeft kunnen besluiten geen gebruik te maken van de bevoegdheid om voor het bouwplan met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO vrijstelling te verlenen.

2.3.1. Ingevolge artikel 19, derde lid, van de WRO kunnen burgemeester en wethouders vrijstelling verlenen van het bestemmingsplan in bij algemene maatregel van bestuur aan te geven gevallen.

Ingevolge artikel 20, eerste lid, onder a, sub 3°, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985 komen voor de toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO in aanmerking een uitbreiding van of een bijgebouw bij een ander gebouw in de bebouwde kom, alsmede een ander gebouw buiten de bebouwde kom met een agrarische bestemming, mits de uitbreiding niet tot gevolg heeft dat:

a. het aansluitend terrein voor meer dan 50% bebouwd is, en

b. de oppervlakte die op grond van het geldende bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt met meer dan 50% wordt overschreden.

De Nota van Toelichting bij dit artikel vermeldt dat met ‘aansluitend terrein’ wordt bedoeld “het terrein dat op grond van het bestemmingsplan voor bebouwing in aanmerking komt. Dat kan een op de kaart van het bestemmingsplan aangegeven begrensd bouwvlak zijn, waarmee gronden zijn aangeduid waarop gebouwen zijn toegelaten of een begrensd bouwperceel, waarop een zelfstandige, bij elkaar behorende bebouwing is toegelaten. Een uitbreiding van of een bijgebouw bij een woongebouw of een ander gebouw moet dus gerealiseerd worden binnen dergelijke ten behoeve van bebouwing begrensde gronden.”

2.3.2. Gelet op de Nota van Toelichting dient mitsdien het erf dat ligt binnen de bebouwingsgrens voor gebouwen aangegeven op de plankaart, aangemerkt te worden als aansluitend terrein.

Aangezien het bouwplan is gesitueerd op gronden met de bestemming “Openbaar groen”, waar in het geheel geen gebouwen zijn toegestaan, wordt niet voldaan aan het bepaalde in artikel 20, eerste lid, onder a, sub 3°, aanhef en onder a, van het Besluit op de ruimtelijke ordening 1985, zodat geen vrijstelling met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO, kon worden verleend.

2.3.3. Het college heeft gelet op het vorenstaande terecht geweigerd met toepassing van artikel 19, derde lid, van de WRO bouwvergunning te verlenen voor het bouwplan. Het hoger beroep is ongegrond. De aangevallen uitspraak dient, met verbetering van gronden, te worden bevestigd. Onder deze omstandigheden kan hetgeen appellant overigens heeft aangevoerd buiten beschouwing worden gelaten.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, Lid van de enkelvoudige kamer, in tegenwoordigheid van mr. J.H. Roelfsema, ambtenaar van Staat.

w.g. Van Ettekoven w.g. Roelfsema
Lid van de enkelvoudige kamer ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 7 juli 2004

53-429.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon