Uitspraak 200403629/2
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:AP1057
- Datum uitspraak
- 3 juni 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij uitspraak van 8 oktober 2003, nummer 200300452/2, heeft de Afdeling de bij besluit van 10 december 2002 aan de stichting “Stichting Circuit van Drenthe” verleende oprichtingsvergunning, kenmerk 6.7/2002011445, deels vernietigd en verweerder opgedragen om in zoverre opnieuw te beslissen op de aanvraag.
- Voorlopige voorziening
- Milieu - Overige
Toon inhoud
200403629/2.
Datum uitspraak: 3 juni 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) in het geding tussen onder meer:
[verzoeker], wonend te [woonplaats] en de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid “Witterzomer B.V.”, gevestigd te Witten,
verzoekers,
en
het college van gedeputeerde staten van Drenthe,
verweerder.
1. Procesverloop
Bij uitspraak van 8 oktober 2003, nummer 200300452/2, heeft de Afdeling de bij besluit van 10 december 2002 aan de stichting “Stichting Circuit van Drenthe” verleende oprichtingsvergunning, kenmerk 6.7/2002011445, deels vernietigd en verweerder opgedragen om in zoverre opnieuw te beslissen op de aanvraag.
Bij besluit van 6 april 2004, kenmerk 7.2/2004003638, verzonden op 13 april 2004, heeft verweerder uitvoering gegeven aan de hierboven vermelde opdracht van de Afdeling.
Tegen dit besluit hebben onder meer verzoekers bij brief van 29 april 2004, bij de Raad van State ingekomen op 3 mei 2004, beroep ingesteld. Bij brief van dezelfde datum hebben verzoekers de Voorzitter verzocht een voorlopige voorziening te treffen.
De Voorzitter heeft het verzoek ter zitting behandeld op 25 mei 2004. Daar is verweerder vertegenwoordigd door ing. G. Gjaltema, G. Eleveld en dr. mr. N.Y. Del Grosso, ambtenaren van de provincie. Namens de Stichting Circuit van Drenthe is daar het woord gevoerd door mr. F.P.J.M. Otten, advocaat te Utrecht en ir. J. Witte, gemachtigde.
2. Overwegingen
2.1. Het oordeel van de Voorzitter heeft een voorlopig karakter en is niet bindend in de bodemprocedure.
2.2. Verzoekers stellen zich op het standpunt – kort weergegeven – dat de in voorschrift 4 van het besluit van 6 april 2004 opgenomen norm van 70 dB(A) voor het maximale geluidniveau (Lmax), te hoog is. Daartoe voeren zij aan dat in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening aanbevolen wordt om die norm te stellen op de waarde van het equivalente geluidniveau (Laeq), vermeerderd met 10 dB(A).
2.3. De Voorzitter overweegt als volgt.
2.4. Verzoekers beroepen zich op de in de Handreiking industrielawaai en vergunningverlening opgenomen voorkeursgrenswaarde. Die handreiking verzet zich er echter niet tegen dat er naar boven wordt afgeweken van die voorkeursgrenswaarde tot 70 dB(A). De Afdeling zal bij de behandeling van het beroep in de bodemprocedure moeten beoordelen of die afwijking in dit geval rechtmatig is.
2.5. Op grond van de beschikbare geluidrapporten en de zitting moet worden aangenomen dat aan de gestelde norm kan worden voldaan en dat een significante reductie van de optredende piekgeluiden redelijkerwijs niet kan worden gevergd.
2.6. Op grond van het vorenstaande komt het de Voorzitter voor dat er vanwege de hoogte van de norm voor Lmax en de feitelijke geluidbelasting geen onaanvaardbare geluidhinder optreedt. Na afweging van de betrokken belangen ziet de Voorzitter dan ook geen aanleiding voor toewijzing van het verzoek om schorsing in afwachting van de behandeling van het beroep door de Afdeling.
2.7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.
3. Beslissing
De Voorzitter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. E.M.H. Hirsch Ballin, als Voorzitter, in tegenwoordigheid van mr. M.A.G. Stolker, ambtenaar van Staat.
w.g. Hirsch Ballin w.g. Stolker
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 3 juni 2004
157.