Uitspraak 200304705/1
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2004:20
- Datum uitspraak
- 3 maart 2004
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 11 januari 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) besloten een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om verlening van het Nederlanderschap niet te behandelen. Dit besluit is aangehecht.
- Hoger beroep
- Hoger Beroep - Overige
Toon inhoud
200304705/1.
Datum uitspraak: 1 maart 2004
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak op het hoger beroep van:
de Minister voor Vreemdelingenzaken en Integratie,
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2003 in het geding tussen:
[verzoeker], wonend te Amsterdam
en
appellant.
1. Procesverloop
Bij besluit van 11 januari 1999 heeft de Staatssecretaris van Justitie (hierna: de staatssecretaris) besloten een verzoek van [verzoeker] (hierna: de vreemdeling) om verlening van het Nederlanderschap niet te behandelen. Dit besluit is aangehecht.
Bij besluit van 25 september 2002 heeft appellant (hierna: de minister) het daartegen door de vreemdeling gemaakte bezwaar ongegrond verklaard. Dit besluit is aangehecht.
Bij uitspraak van 6 juni 2003, verzonden op dezelfde dag, heeft de rechtbank Amsterdam (hierna: de rechtbank) het daartegen door de vreemdeling ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de minister binnen zes weken na het verzenden van de uitspraak een nieuw besluit neemt met inachtneming van hetgeen in de uitspraak is overwogen. Deze uitspraak is aangehecht.
Tegen deze uitspraak heeft de minister bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 16 juli 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het hoger beroep zijn aangevuld bij brief van 25 augustus 2003. Deze brieven zijn aangehecht.
Bij brief van 9 oktober 2003 heeft de vreemdeling van antwoord gediend.
De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 8 januari 2004, waar de minister, vertegenwoordigd door mr. M.M. van Asperen, advocaat te Den Haag, en de vreemdeling, vertegenwoordigd door mr. M. Tjebbes, advocaat te Amsterdam, zijn verschenen.
2. Overwegingen
2.1. Ingevolge artikel 4:5, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: de Awb), voorzover hier van belang, kan het bestuursorgaan, indien de door de aanvrager verstrekte gegevens en bescheiden onvoldoende zijn voor de beoordeling van de aanvraag of de voorbereiding van de beschikking, besluiten de aanvraag niet te behandelen, mits de aanvrager de gelegenheid heeft gehad binnen een door het bestuursorgaan gestelde termijn de aanvraag aan te vullen.
2.2. De minister betoogt dat de rechtbank ten onrechte heeft overwogen, dat de vreemdeling zich op het standpunt zou hebben gesteld dat hij de gevraagde gegevens niet over kon leggen. De in bezwaar overgelegde weigering door de Minister van Buitenlandse Zaken de vervangende geboortebewijzen te legaliseren is derhalve, anders dan de rechtbank heeft overwogen, geen onderbouwing van een eerder ingenomen stelling. Nu die weigering geen onderbouwing is van een eerder ingenomen standpunt, konden deze stukken in bezwaar niet worden meegewogen, aldus de minister.
2.3. Indien het bezwaar tegen een besluit een aanvraag overeenkomstig het bepaalde in artikel 4:5, eerste lid, van de Awb niet in behandeling te nemen, ongegrond wordt verklaard, staat in beroep bij de rechtbank slechts ter beoordeling of het bestuursorgaan de beslissing de aanvraag niet te behandelen, terecht heeft gehandhaafd.
2.4. Blijkens het advies van burgemeester en wethouders van Amsterdam van 5 februari 1998 inzake het verzoek tot naturalisatie heeft de vreemdeling bij gelegenheid van het indienen van zijn verzoek verklaard geen geboorteakte te kunnen verkrijgen, omdat die nimmer zou zijn opgemaakt, en verklaard dat hij een akte van bekendheid van geboorte zal proberen op te laten maken.
Bij brief van 24 juni 1998 heeft de staatssecretaris de vreemdeling in de gelegenheid gesteld om binnen drie maanden een gelegaliseerde en inhoudelijk geverifieerde geboorteakte over te leggen.
Bij brief van 14 september 1998 heeft de vreemdeling de staatssecretaris verzocht om uitstel daarvan, omdat het verkrijgen van een geboortebewijs via zijn ouders meer tijd vergde dan hij had verwacht.
Bij brief van 17 september 1998 heeft de staatssecretaris de vreemdeling opnieuw in de gelegenheid gesteld binnen drie maanden het gevraagde over te leggen. Hierop heeft de vreemdeling niet gereageerd.
Vervolgens heeft de staatssecretaris het besluit van 11 januari 1999 genomen.
2.5. Nu de vreemdeling niet binnen de gestelde termijn aan het verzoek om een gelegaliseerde en inhoudelijk geverifieerde geboorteakte over te leggen heeft voldaan en hij, anders dan waar de rechtbank vanuit is gegaan, evenmin heeft gesteld dat het voor hem niet mogelijk was de beschikking te krijgen over enig, al dan niet vervangend document, is er geen grond voor het oordeel dat de staatssecretaris de beslissing tot het buiten behandeling stellen van de aanvraag niet op de daaraan ten grondslag gelegde overwegingen mocht handhaven.
2.6. Het hoger beroep is gegrond. De aangevallen uitspraak dient te worden vernietigd. Doende hetgeen de rechtbank zou behoren te doen, zal de Afdeling het inleidende beroep ongegrond verklaren, nu de bij de rechtbank voorgedragen beroepsgronden, gelet op het vorenstaande, geen aanleiding geven tot een ander oordeel.
3. Beslissing
De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State
Recht doende in naam der Koningin:
I. verklaart het hoger beroep gegrond;
II. vernietigt de uitspraak van de rechtbank Amsterdam van 6 juni 2003 in zaak 02/4818 RWNL;
III. verklaart het bij de rechtbank in die zaak ingestelde beroep ongegrond.
Aldus vastgesteld door mr. B. van Wagtendonk, Voorzitter, en mr. H. Troostwijk en mr. H.G. Lubberdink, Leden, in tegenwoordigheid van mr. E.J.J.M. van Tielraden, ambtenaar van Staat.
w.g. Van Wagtendonk w.g. Van Tielraden
Voorzitter ambtenaar van Staat
Uitgesproken in het openbaar op 1 maart 2004
156-345.