Uitspraak BRS.26.003303 en BRS.26.003465
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4639
- Datum uitspraak
- 12 augustus 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit).
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.003303 en BRS.26.003465
ECLI:NL:RVS:2026:4639
Datum uitspraak: 12 augustus 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht; Awb) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[de betrokkene],
betrokken,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 29 mei 2026 in zaak nr. NL25.41679 in het geding tussen:
[de betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 1 augustus 2025 heeft de minister appellant opgedragen de Europese Unie binnen 28 dagen te verlaten (terugkeerbesluit).
Bij uitspraak van 29 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat de rechtsgevolgen daarvan in stand blijven.
Tegen deze uitspraak heeft appellant hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. De voorzieningenrechter is het eens met het oordeel van de rechtbank dat de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit in stand kunnen blijven. De voorzieningenrechter legt hieronder uit hoe hij tot dat oordeel komt.
2. De rechtbank heeft geoordeeld dat in het besluit van 1 augustus 2025 het terugkeerbesluit niet goed is gemotiveerd en dat dit besluit daarom moet worden vernietigd. Maar de rechtbank heeft vervolgens de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit in stand gelaten, omdat de minister in het verweerschrift de vereiste motivering alsnog heeft gegeven.
U vindt dat de rechtbank de rechtsgevolgen van het vernietigde terugkeerbesluit niet in stand heeft kunnen laten en dat de minister een nieuw terugkeerbesluit had moeten nemen. Nu klopt het dat de minister pas in het verweerschrift het terugkeerbesluit goed heeft gemotiveerd. Maar volgens de wet en de rechtspraak van de Afdeling kan de rechtbank in zulke gevallen wel degelijk de rechtsgevolgen in stand laten. Zie artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb en de uitspraak van de Afdeling van 3 juni 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1738, onder 4.1. Van belang is daarbij onder meer dat de rechtbank uw gemachtigde in de gelegenheid heeft gesteld te reageren op het verweerschrift van de minister. Wat u hebt aangevoerd slaagt daarom niet.
3. Daarnaast vindt u dat de minister onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar uw persoonlijke risico’s bij terugkeer naar Egypte. Maar het is aan u om die persoonlijke risico’s nader toe te lichten of met stukken te onderbouwen. De rechtbank heeft terecht geoordeeld dat u dat niet hebt gedaan. Daarom slaagt wat u hebt aangevoerd niet.
4. Wat u voor het overige in het hogerberoepschrift hebt aangevoerd, voldoet niet aan de wet (artikel 85, eerste en tweede lid, van de Vreemdelingenwet 2000). Volgens de wet moet iemand die hoger beroep instelt, uitleggen op welk punt de uitspraak van de rechtbank niet juist is en waarom dat volgens hem zo is. Dat hebt u niet gedaan. In de uitspraak heeft de rechtbank uitgelegd dat de minister in uw geval voldoende rekening heeft gehouden met uw privéleven en dat u uw persoonlijke omstandigheden niet nader concreet hebt gemaakt en met stukken hebt onderbouwd. In hoger beroep legt u niet uit waarom dit volgens u niet juist is. Omdat wat u hierover hebt aangevoerd niet aan de eisen van de wet voldoet, kan de voorzieningenrechter daarover geen inhoudelijk oordeel geven.
5. Uit rechtspraak van het Hof van Justitie volgt dat de voorzieningenrechter moet nagaan of een zaak aanleiding geeft om het Hof te vragen het toepasselijke Unierecht uit te leggen. Dat is in deze zaak niet nodig, omdat het hogerberoepschrift geen vragen oproept over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
6. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter bevestigt de uitspraak van de rechtbank, voor zover aangevallen, en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak, voor zover aangevallen;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. J.H. van Breda, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. J.J.P.G. van Bekhoven, griffier.
w.g. Van Breda
voorzieningenrechter
w.g. Van Bekhoven
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 12 augustus 2026
959