Uitspraak BRS.26.003952
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:4522
- Datum uitspraak
- 31 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluiten van 16 december 2025 heeft de minister van Asiel en Migratie aanvragen van verzoekers om hen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
- Voorlopige voorziening
- Asiel
Toon inhoud
BRS.26.003952
ECLI:NL:RVS:2026:4522
Datum uitspraak: 31 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht), met toepassing van artikel 8:83, vierde lid, van die wet, hangende het hoger beroep van:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2],
verzoekers,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 7 juli 2026 in zaken nrs. NL25.61707 en NL25.61712 in het geding tussen:
[betrokkene 1] en [betrokkene 2]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluiten van 16 december 2025 heeft de minister aanvragen van verzoekers om hen verblijfsvergunningen asiel voor bepaalde tijd te verlenen, afgewezen.
Bij uitspraak van 7 juli 2026 heeft de rechtbank het daartegen door verzoekers ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak hebben verzoekers hoger beroep ingesteld. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Verzoekers hebben de voorzieningenrechter verzocht om de voorlopige voorziening te treffen dat zij niet worden uitgezet voordat op het hoger beroep is beslist en dat zij opvang en verstrekkingen krijgen.
2. Gelet op wat is aangevoerd, treft de voorzieningenrechter een voorlopige voorziening (uitspraak van de Afdeling van 20 februari 2019, ECLI:NL:RVS:2019:457).
3. De minister moet de proceskosten vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bepaalt bij wijze van voorlopige voorziening dat verzoekers niet worden uitgezet, totdat op het door hen ingestelde hoger beroep is beslist;
II. veroordeelt de minister van Asiel en Migratie tot vergoeding van bij verzoekers in verband met de behandeling van het verzoek opgekomen proceskosten tot een bedrag van € 934,00 geheel toe te rekenen aan door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand.
Aldus vastgesteld door mr. J.Th. Drop, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. P.A.M.J. Graat, griffier.
De voorzieningenrechter is verhinderd de uitspraak te ondertekenen
w.g. Graat
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 31 juli 2026
307