Ga naar de inhoud
lees voor
Direct naar
  • en (Information in English)
  • de (Deutsche Informationen)
  • fr (Informations en français)
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
  • Actueel
    • Nieuws
    • Zittingsagenda
    • Persagenda
    • Evenementen
    • Piet Hein Donner Scriptieprijs
  • Adviezen
  • Uitspraken
  • Publicaties
    • Brochures
    • Studies en onderzoeken
    • Regelingen
    • Consultaties
    • Jaarverslagen
  • Over ons
    • Raad van State in het kort
    • Organisatie
    • Advisering
    • Bestuursrechtspraak
    • Begrotingstoezicht
    • Toetsing Klimaatwet
    • Geschiedenis
    • Raad van State in beeld
  • Zoeken
  • en
  • de
  • fr
  • contact
  • pers
  • werken bij
  • app
Zoeken

  1. Home ›
  2. Uitspraken ›
  3. Uitspraak 200304159/1

Uitspraak 200304159/1

ECLI
ECLI:NL:RVS:2004:AO3947
Datum uitspraak
18 februari 2004
Inhoudsindicatie
Bij besluit van 29 juli 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) een aanvraag van appellante om haar krachtens de “Verordening geldelijke steun aan ondernemers die ten gevolge van werkzaamheden aan wegen financieel nadeel ondervinden 1995” een tegemoetkoming te verlenen afgewezen.
  • Hoger beroep
  • Geld

Toon inhoud

  • Volledige tekst
Volledige tekst

200304159/1.
Datum uitspraak: 18 februari 2004

AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK

Uitspraak op het hoger beroep van:

[appellante], gevestigd te [plaats],

tegen de uitspraak van de rechtbank te 's-Hertogenbosch van 14 mei 2003 in het geding tussen:

appellante

en

het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven.

1. Procesverloop

Bij besluit van 29 juli 1998 heeft het college van burgemeester en wethouders van Eindhoven (hierna: het college) een aanvraag van appellante om haar krachtens de “Verordening geldelijke steun aan ondernemers die ten gevolge van werkzaamheden aan wegen financieel nadeel ondervinden 1995” een tegemoetkoming te verlenen afgewezen.

Bij besluit van 6 januari 2000 heeft het college het daartegen door appellante gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 17 januari 2001, heeft de arrondissementsrechtbank te 's-Hertogenbosch (hierna: de rechtbank) het daartegen door appellante ingestelde beroep gegrond verklaard, dat besluit vernietigd en bepaald dat het college met inachtneming van de uitspraak een nieuw besluit neemt. Deze uitspraak is aangehecht.

Bij besluit van 5 april 2002 heeft het college het gemaakte bezwaar opnieuw ongegrond verklaard.

Bij uitspraak van 14 mei 2003 heeft de rechtbank te ’s-Hertogenbosch het daartegen door appellante ingestelde beroep ongegrond verklaard.

Tegen deze uitspraak heeft appellante bij brief, bij de Raad van State ingekomen op 27 juni 2003, hoger beroep ingesteld. De gronden van het beroep zijn aangevuld bij brief van 21 juli 2003. Deze brieven zijn aangehecht.

De Afdeling heeft de zaak ter zitting behandeld op 27 januari 2004, waar appellante, vertegenwoordigd door haar bestuurder G.H.J.M. van den Brand, en mr. H.G.M. Hilkens, advocaat te Echt, en het college, vertegenwoordigd door mr. C.M. Willem-Heesakkers, ambtenaar der gemeente, zijn verschenen.

2. Overwegingen

2.1. Appellante heeft betoogd dat de rechtbank heeft miskend dat de bodemsanering en de levensvatbaarheid van de sportschool op de nieuwe locatie bijzondere omstandigheden vormen die het college ertoe hadden moeten brengen om appellante in afwijking van de Verordening de gevraagde tegemoetkoming te verlenen.

2.2. Het college heeft de grondsanering ten onrechte niet als bijzondere omstandigheid aangemerkt, die tot afwijking van de Verordening zou kunnen nopen. Nu evenwel als gevolg van de in zoverre niet beroepen uitspraak van de rechtbank van 17 januari 2001 in rechte vast staat dat de onderneming van appellante op de oude locatie niet levensvatbaar was, bestaat geen grond voor het oordeel dat het college, gegeven de hem toekomende vrijheid ten aanzien van de wijze waarop het een bijzondere omstandigheid in de belangenafweging betrekt, niet in redelijkheid in het ontbreken van de levensvatbaarheid aanleiding heeft kunnen vinden om onverkort aan de beleidsregels van de Verordening vast te houden. Dat, naar appellante heeft gesteld, de onderneming op de nieuwe locatie wél floreert, maakt dat niet anders.

2.3. De conclusie is dat het hoger beroep ongegrond is en de aangevallen uitspraak moet worden bevestigd, zij het met verbetering van de gronden waarop die rust, in voege als in overweging 2.2. vermeld.

2.4. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

3. Beslissing

De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State

Recht doende in naam der Koningin:

bevestigt de aangevallen uitspraak.

Aldus vastgesteld door mr. R.W.L. Loeb, Voorzitter, en mr. J.H.B. van der Meer en mr. J.A.M. van Angeren, Leden, in tegenwoordigheid van mr. M.E.E. Wolff, ambtenaar van Staat.

w.g. Loeb w.g. Wolff
Voorzitter ambtenaar van Staat

Uitgesproken in het openbaar op 18 februari 2004

238.


  • Zoeken
  • Link kopiëren
  • Citeren
  • Opslaan als PDF-document

Raad van State

De Raad van State is onafhankelijk adviseur van regering en parlement over wetgeving en bestuur en hoogste algemene bestuursrechter van het land.

  • Meer over ons
  • Vacatures

Contact

De Raad van State bevindt zich in het centrum van Den Haag. Wilt u in contact komen met ons of wilt u ons bezoeken voor een zitting?

  • Telefoon
  • Locatie en route
  • Post en e-mail
  • Wet open overheid
  • Nieuwe zaak starten

Altijd op de hoogte

Ontvang ons nieuws via de abonnementenservice in uw mailbox. Op de hoogte gehouden worden over uitspraken die gedaan worden in bepaalde zaken? Meld u dan aan voor de e-mailservice. Of bekijk de voortgang van een bepaalde procedure bij de Afdeling bestuursrechtspraak.

  • Abonnementenservice
  • E-mailservice uitspraken
  • Voortgang procedure
  • Aanvragen oude uitspraken

Toegankelijkheid | Privacy | Cookiebeleid

Volg ons

  • Bluesky
  • LinkedIn
  • Instagram
  • Mastodon