Uitspraak BRS.26.002812 en BRS.26.002813
- ECLI
- ECLI:NL:RVS:2026:3785
- Datum uitspraak
- 2 juli 2026
- Inhoudsindicatie
- Bij besluit van 4 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd om ambtshalve artikel 64 van de Vw 2000 toe te passen. Ook heeft de staatssecretaris een terugkeerbesluit genomen.
- Voorlopige voorziening / hoofdzaak
- Regulier
Toon inhoud
BRS.26.002812 en BRS.26.002813
ECLI:NL:RVS:2026:3785
Datum uitspraak: 2 juli 2026
AFDELING
BESTUURSRECHTSPRAAK
Uitspraak van de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State op een verzoek om het treffen van een voorlopige voorziening (artikel 8:81 van de Algemene wet bestuursrecht) en, met toepassing van artikel 92 van de Vw 2000, op het hoger beroep van:
[betrokkene],
appellant,
tegen de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, van 13 mei 2026 in zaak nr. NL25.290 in het geding tussen:
[betrokkene]
en
de minister van Asiel en Migratie.
Procesverloop
Bij besluit van 4 maart 2024 heeft de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid geweigerd om ambtshalve artikel 64 van de Vw 2000 toe te passen. Ook heeft de staatssecretaris een terugkeerbesluit genomen.
Bij besluit van 2 januari 2025 heeft de minister het daartegen door appellant gemaakte bezwaar ongegrond verklaard.
Bij uitspraak van 13 mei 2026 heeft de rechtbank het daartegen door appellant ingestelde beroep ongegrond verklaard.
Tegen deze uitspraak heeft appellant, vertegenwoordigd door mr. N. Vollebergh, advocaat in Breda, hoger beroep ingesteld. Ook heeft hij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen.
Overwegingen
1. Het hoger beroep leidt niet tot vernietiging van de uitspraak van de rechtbank. De rechtbank is namelijk terecht en op goede gronden tot haar oordeel gekomen. De voorzieningenrechter van de Afdeling neemt de motivering onder 10 van de uitspraak van de rechtbank over.
1.1. Dit oordeel hoeft niet verder te worden gemotiveerd. De reden daarvoor is dat het hogerberoepschrift geen vragen bevat die in het belang van de rechtseenheid, de rechtsontwikkeling of de rechtsbescherming in algemene zin beantwoord moeten worden (artikel 91, tweede lid, van de Vw 2000). Ook roept het hogerberoepschrift geen vragen op over de uitleg of de geldigheid van een bepaling van Unierecht (arrest van het Hof van Justitie van 24 maart 2026, Remling, ECLI:EU:C:2026:243, punt 24).
2. Het hoger beroep is ongegrond. De voorzieningenrechter van de Afdeling bevestigt de uitspraak van de rechtbank en wijst het verzoek om voorlopige voorziening daarom af. De minister hoeft geen proceskosten te vergoeden.
Beslissing
De voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State:
I. bevestigt de aangevallen uitspraak;
II. wijst het verzoek af.
Aldus vastgesteld door mr. M.J.M. Ristra-Peeters, voorzieningenrechter, in tegenwoordigheid van mr. C.C.J. de Wilde, griffier.
w.g. Ristra-Peeters
voorzieningenrechter
w.g. De Wilde
griffier
Uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026
598